Adieu actrice Joan Fontaine

December 2013 was een sombere maand voor filmveteranen. In Parijs overleed vooraanstaand filmregisseur Edouard Molinaro (85 jaar), in Londen acteur en monument Peter O’Toole (81), en in Californië twee hoogbejaarde actrices, beiden vooraanstaande en talentvolle leading ladies uit de jaren veertig en vijftig: Audrey Totter (95) en Joan Fontaine (96).

Laatstgenoemde, op haar 24ste - nu ruim zeventig jaar geleden - Oscarwinnares voor haar hoofdrol in Hitchcocks Suspicion (foto, 1941, onlangs nog vertoond op één) was een filmicoon van het kaliber Ingrid Bergman, Deborah Kerr of Barbara Stanwyck. Een actrice pur sang, nooit een diva of een opvallende filmpersonaliteit, daarvoor was ze vermoedelijk iets té sereen, ook in haar manier van acteren. Datzelfde low profile vond je immers ook terug in haar rollen. Ze was op haar best als de underdog, de vrouw die moest vechten om haar plaats te veroveren en te behouden. Vaak was het een strijd, pijnlijk of heldhaftig, die ze op het witte doek moest uitvechten, maar altijd met een en dezelfde constante; ze was verrassend en overtuigend, subtiel, integer, menselijk en kwetsbaar. Een brede waaier en een uitgebreid kleurenpalet, voor de kijker een streling voor het oog.

Na Olivia een jaar eerder, werd Joan de Beauvoir de Havilland geboren als tweede dochter van theateractrice Lillian Augusta Ruse en octrooideskundige Walter de Havilland, neef van luchtvaartpionier Sir Geoffrey de Havilland. In de hoofdstad van Japan, in Tokyo op 22 oktober 1917. Vanwege haar bloedarmoede verhuisde moeder Lillian op doktersadvies, na de echtscheiding, samen met haar twee dochters naar Saratoga (Noord-Californië). Ze hertrouwde met George M. Fontaine wiens familienaam later door de jongste dochter als artiestennaam zou worden overgenomen.

Beide zussen debuteerden in 1935 - als teenagers nog - in Hollywood. Olivia, zeer carrièregericht, triomfeerde al vrij snel met Captain Blood (1935) aan de zijde van Errol Flynn. Voor de minder gedreven Joan Fontaine kwam de eerste doorbraak er met een opvallende bijrol in The Women (1939) van George Cukor, een klassieker van MGM met een all star female cast aangevoerd door kanonnen zoals Norma Shearer, Joan Crawford, Paulette Goddard en Rosalind Russell. Deze film was voor Miss Fontaine het perfecte lanceerplatform. Filmproducent David O. Selznick, toen volop in de weer met Gone With the Wind (1939), pikte daar onmiddellijk gretig op in. Hij nam haar meteen onder contract voor zeven jaar en via RKO speelde hij haar uit met een hoofdrol in Hitchcocks Amerikaanse debuut Rebecca (1940), waarin ze de tweede echtgenote van Laurence Olivier speelt, de befaamde rol van the second Mrs. de Winter. De samenwerking met Hitchcock verliep vlekkeloos, maar ze had wel bezwaar tegen de arrogante en humeurige houding van Laurence Olivier die op de set gefrustreerd rondliep omdat zijn latere echtgenote Vivien Leigh (toen nog bezig met een aantal retakes voor Gone With the Wind) naast de hoofdrol had gegrepen. “Hij behandelde me alsof ik lepra had,” zei ze nadien, “maar het heeft me geholpen om het personage van de getormenteerde Mrs. de Winter zo overtuigend mogelijk te spelen.” Andere actrices die overigens naast de rol van Mrs. de Winter grepen, waren onder andere Anne Baxter, Loretta Young, Susan Hayward, Virginia Mayo en Geraldine Fitzgerald.

Dankzij Hitchcocks volgende film Suspicion (1941) werd ze een major star. Als de echtgenote van Cary Grant, van wie ze vermoedt dat hij haar wil vermoorden, speelde ze opnieuw de onschuldige vrouw, in de greep van de buitenwereld, zonder controle over haar eigen lot te hebben. Een rol die ze meer dan eens in verschillende dimensies zou brengen en uitdiepen. Suspicion kreeg uiteindelijk toch een happy end (een typische Hollywood ending, zeg maar) wanneer op het einde van de film blijkt dat ze het niet bij het rechte eind had, ofschoon in het oorspronkelijke scenario van de film het personage van Cary Grant wél degelijk met dergelijkes node plannen rondliep. Reden van de ommezwaai; de filmmakers geloofden nooit dat zijn fans hem zouden accepteren in de rol van moordenaar. Later verklaarde Grant wel dat de casting van de film perfect was: “Anyone who knows me realizes that I couldn't be married to Joan Fontaine for more than 24 hours without wanting to wring her neck.”

Na Rebecca leverde het haar een tweede Oscarnominatie op die ze wist te verzilveren. Met haar amper 24 jaar was ze de jongste Oscarwinnares ooit en bovendien was haar zus Olivia de Havilland toen eveneens genomineerd voor Hold Back the Dawn. In haar autobiografie ‘No Bed of Roses’ (William Morrow & Company, 1978) beschreef Miss Fontaine de spanning-die-te-snijden-was tijdens de Oscaruitreiking: “I froze, I stared across the table, where Olivia was sitting. ‘Get up there!’ she whispered commandingly. Now what had I done? All the animus we’d felt towards each other as children, the savage wrestling matches, the time Olivia fractured my collarbone, all came rushing back in kaleidoscopic imagery. My paralysis was total. I felt Olivia would spring across the table and grab me by the hair.”

Weinig flatterende woorden, maar ze waren dan ook lang niet de beste maatjes. Het is trouwens nooit goed gekomen tussen de actrices. Toen Olivia in 1946 haar eerste van twee Oscars won (de tweede zou drie jaar later volgen), stapte Joan naar haar toe om haar te feliciteren: “She took one look at me, ignored my hand, clutched her Oscar and wheeled away.” Vaak werd hun moeizame verstandhouding werd breed uitgesmeerd in de pers, een dankbaar onderwerp voor de roddelbladen, al bleven beide actrices er meestal erg discreet over. In haar autobiografie gaat Miss Fonbtaine er wel dieper op in.

Haar favoriete film was The Constant Nymph (1943) van Edmund Goulding (“An actor’s dream”, zei ze later), met Fontaine als jonge vrouw verliefd op een oudere componist (Charles Boyer, haar favoriete tegenspeler), goed voor een derde Oscarnominatie. Er volgden nog enkele sterke en hardere rollen (toen ze tijdens de Tweede Wereldoorlog eveneens voor het Rode Kruis werkte), waaronder de heldhaftige titelrol in Jane Eyre (1943) met Orson Welles als tegenspeler, The Emporer Waltz (1948), een minder bekende film van Billy Wilder, tevens haar laatste film voor producent David O. Selznick, de romantische thriller September Affair (1950) met Joseph Cotten, Ivanhoe (1952) als Lady Rowena en Island in the Sun (1957), destijds zeer gedurfd omdat het thema van de rassenscheiding als rode draad door de film liep. Joan Fontaine vertelde dat ze na de release van de film haatbrieven kreeg toegestuurd omdat ze een zwarte acteur als tegenspeler had: Harry Belafonte. Until They Sail (1957) van Robert Wise, over de lotgevallen van vier zussen (Fontaine, Jean Simmons, Piper Laurie en de debuterende Sandra Dee) tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nieuw-Zeeland kan beschouwd worden als haar laatste belangrijke film.

In de jaren veertig was ze met haar (tweede) man, producent William Dozier de drijvende kracht achter Rampart Productions dat enkele van haar films voor eigen rekening deed, waaronder Letter from an Unknown Woman (1948) van de Duitse filmregisseur Max Ophüls, toen een tiental jaren in Hollywood waar hij vier films zou maken. Deze Letter… is een uiterst elegante en stijlvolle film met andermaal een uiterst kwetsbare Fontaine in een glansrol als de vrouw die jarenlang stiekem verliefd is op een concertpianist (Louis Jourdan). De film is allicht een van de absolute hoogtepunten uit haar carrière omdat het hele plaatje perfect in elkaar past; de sets, de belichting, de zachte hand van Max Ophüls als een grootmeester in het genre en de perfecte casting van zowel Fontaine als Jourdan (inmiddels ook al 92 jaar) werken een perfecte sfeer in de hand voor een even perfect melodrama - een genre dat nu met de zachte hand van weleer qasi ondenkbaar is om het nog maar te evenàren.

In de jaren vijftig begon Miss Fontaine meer tijd in New York door te brengen en de (over)stap naar het theater ligt dan ook voor de hand. Met Tea and Sympathy (1954) oogstte ze op Broadway bijzonder veel succes nadat ze Deborah Kerr had vervangen; ze liet zich overhalen om in tal van tv-spelen op te treden. Haar filmrollen werden zeldzamer en met films zoals Tender is the Night (1962) en The Witches (1966) nam ze bijna geruisloos afscheid van het grote scherm. Talrijke minderwaardige gastrollen in tv-series zoals The Love Boat (1981) en Hotel (1986) leidden tot haar ultieme zwanezang: de tv-film Good King Wenceslas (1994), voor rekening van de Family Channel. Toen ze nog in de filmbizz werkzaam was, zei ze ooit: “I make pictures because I like to be able to get a good table when I go to a nightclub and because I like to travel.” Vanaf pakweg halfweg de jaren zestig leefde ze grotendeels van de opbrengst van haar weldoordachte en succesvolle investeringen en beleggingen door de jaren heen, hoofdzakelijk in onroerend goed.

Zoals tal van haar generatiegenoten, van Bette Davis tot Hedy Lamarr, van Joan Crawford tot Lana Turner, in de jaren zestig moesten ze allen het geweer van schouder veranderen. Hun glorietijd zat erop, maar voor een multigetalenteerde vrouw zoals Joan Fontaine was dat geen enkel probleem. Ze had zowel de Britse als de (vanaf april 1943) Amerikaanse nationaliteit. Als kind haalde ze bij een IQ-test een score van 160, ze had een pilootlicentie, kon overweg met luchtballons, ze was een gedegen golfspeelster, deed aan diepzeeduiken en was dol op vissen. De voorbije decennia gaf ze ook een aantal lezingen, maar ze wordt vooral herinnerd als een van de beste en meest stijlvolle actrices van haar generatie.

In 1961 verloor ze als gevolg van een brand haar woning in Brentwood, de residentiële wijk vlak bij Beverly Hills. Ze verhuisde naar New York en keerde in 1984 naar Carmel aan de Californische kust terug waar ze tot haar natuurlijke dood (ze stierf in haar slaap) op 15 december jl. in Villa Fontana zou verblijven, omgeven door haar honden die haar vaste toeverlaten waren. Contact met de buitenwereld, laat staan met haar zus, was uiterst schaars. Vanity Fair bracht in 2008 nog een interview met haar, inclusief een foto van hoe ze er toen uitzag: de grijze eminente verschijning was nog altijd een flinke dame met bijzonder veel uitstraling. Fanmail beantwoordde ze lange tijd persoonlijk; ze had een postbus in het postkantoor van Carmel waar ze haar brieven liet toekomen, maar diepgaande of uitgebreide interviews over haar films en haar acteerprestaties behoorden tot het verleden.

Joan Fontaine was getrouwd met én gescheiden van achtereenvolgens: acteur Brian Aherne (1939-45), acteur-producent William Dozier (1946-51, ze hadden een dochter Deborah Leslie, geboren in 1948), producent-scenarist Collier Young (1952-61, samen adopteerden ze Martita, een meisje uit Peru) en journalist Alfred Wright, Jr. (1964-69).

Onmiddellijk na het bekend worden van het overlijden van Joan Fontaine liet haar zus Olivia, intussen 97 jaar en al decennia wonende in Parijs, via CNN een persbericht na: “I was shocked and saddened to learn of the passing of my sister, Joan Fontaine... and I appreciate the many kind expressions of sympathy that we have received.”

Geschreven door LEO VERSWIJVER
 
onomatopee