Adieu actrice Shirley Temple Black

Hoopgevend in de jaren dertig tijdens de grote Depressiejaren, acteerde, zong en danste de jonge, guitige, vastberaden en goedlachse Shirley Temple zich naar de top van de Amerikaanse film. Als eerste en (voorlopig) grootste ‘child star’ uit de filmgeschiedenis zette ze dan wel vroegtijdig een punt achter haar loopbaan, maar haar bijdrage destijds was bijzonder waardevol.

Tegenspeler Adolphe Menjou, toen niet van de minsten, noemde haar op de set van LITTLE MISS MARKER (1934) een 6-jarige Ethel Barrymore, nadat haar carrière eerder datzelfde jaar echt op kruissnelheid was gekomen dankzij STAND UP AND CHEER! Humor, muziek, (tap)dansen, als kind kon ze het allemaal aan vanwege haar spontaniteit en improvisatietalent. Begeleid door haar moeder, tevens haar manager, coach en dialogue coach (als kind leerde Temple haar tekst doordat haar moeder deze voortdurend luidop zei), was ze van 1935 tot en met 1938 in de VS de grootste ster van de Amerikaanse box-office, publiekslieveling nummer een.

Maar amper twee jaar later moest ze op haar 12de aan populariteit reeds heel wat inboeten. Een andere tiener en enkele jaren ouder dan zij, de onsterfelijke Mickey Rooney, nam toen de fakkel over, ofschoon ze nog wel kon schitteren in films zoals LITTLE MISS BROADWAY (foto, 1938), THE LITTLE PRINCESS (1939) en THE BLUE BIRD (1940). Temple bleef overigens nog met enig succes films maken tot 1949 (onder meer in 1947 als de jongere zus van Myrna Loy in THE BACHELOR AND THE BOBBY-SOXER), maar uiteindelijk was het genoeg geweest. In 1949, op haar 21ste, had als kindster haar vervaldatum reeds lang overschreven, zo bleek.

In haar films was ze voor het publiek een lichtbaken in donkere tijden; vaak werd ze uitgespeeld door haar studio 20th Century Fox in enerzijds lichtvoetige rollen, anderzijds ook vaak als weeskind in moeilijke omstandigheden zodat volwassenen zich konden optrekken en moed konden putten uit de benarde situatie van haar personages. In LITTLE MISS MARKER pleegde haar vader zelfmoord, in BRIGHT EYES (1934) crashte haar pa met zijn vliegtuig, liet haar moeder het leven in een auto-ongeluk en in CAPTAIN JANUARY (1936) overleefde ze een scheepsramp die haar ouders fataal werd.

In BRIGHT EYES zong ze het liedje ‘On the Good Ship Lollypop’; het werd een hit en Fox richtte meteen een nieuw departement op, The Shirley Temple Development, dat voor de jonge ster warme familiefilms moest bedenken en uitwerken, allemaal volgens dezelfde formule en met haar in soortgelijke rollen als het opgewekte meisje, ‘Little Miss Fix-It’, dat tegen het einde van de film voor elk probleem wel een oplossing wist te bedenken.

Sommige van haar meest memorabele films zijn de vier die ze maakte met de vijftig jaar oudere zwarte tegenspeler, acteur en danser Bill ‘Bojangles’ Robinson: THE LITTLE COLONEL (1935, met de legendarische tapdansscène op de trap), THE LITTLEST REBEL (1935), REBECCA OF SUNNYBROOK FARM (1938) en JUST AROUND THE CORNER (1938). In een interview met The Washington Post zei ze in 1998 over hun dansscènes: “Ik luisterde eerst vooral naar wat hij deed, ik luisterde naar zijn taps en dan deed ik het gewoon na.”

Twee van haar favoriete films dateren uit 1937: WEE WILLIE WINKIE, een avontuurlijke familiefilm van John Ford (in 1948 maakte ze als volwassene voor Ford ook nog FORT APACHE met John Wayne en Henry Fonda), en het meermaals verfilmde verhaal over de lotgevallen van het weeskind HEIDI.

Volgens het American Film Institute zou de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt over haar hebben gezegd: “For just 15 cents, an American can go to a movie and look at the smiling face of a baby and forget his troubles”. Ook aan merchandising ontbrak het niet; in 1935 zouden er anderhalf miljoen Shirley Temple-poppen zijn verkocht, echte lookalikes, met de haar o zo kenmerkende blonde krullen. Ze verdiende een flinke duit als actrice: ruim 3 miljoen dollar. Maar van zodra ze een punt zette achter haar carrière, werd het duidelijk dat er nauwelijks nog iets van overbleef: welgeteld 28.000 dollar, vanwege de extravagante levensstijl van haar familie, alsook slechte investeringen door haar vader.

Pas volwassen en met reeds een hele carrière achter de rug, spitste ze zich voortaan toe op haar tweede huwelijk met zakenman Charles Alden Black (van 1950 tot zijn dood in 2005). Ze ging voortaan door het leven als Shirley Temple Black en was de moeder van drie kinderen (één kind uit haar eerste huwelijk met acteur John Agar van 1945-‘50). Eind jaren zestig werd ze politiek actief; na een mislukte poging om voor de Republikeinse partij verkozen te worden voor het Amerikaanse Congres, werd ze in 1969 door de toenmalige president Nixon aangesteld om haar land te vertegenwoordigen bij de Verenigde Naties.

Later verzorgde ze het protocol in het Witte Huis tijdens het presidentschap van Gerald Ford (1976), en werd ze nog Amerikaans ambassadeur van Ghana (1974-76) en van het voormalige Tsjechoslovakije (1989-‘92). In 1972 werd borstkanker bij haar vastgesteld en ze werd de eerste bekendheid die borstkanker openlijk ter sprake bracht. De tumor werd met succes verwijderd.

Volgens het American Film Insitute prijkt Shirley Temple op de 18de plaats in de lijst van ‘the greatest female American screen legends of all time’, aangevoerd trouwens door Katharine Hepburn, Bette Davis en Audrey Hepburn.

Geboren op 23 april 1928 in Santa Monica, werd ze de jongste Oscarwinnares van een speciale Oscar in 1935, ‘in grateful recognition of her outstanding contribution to screen entertainment during the year 1934’ (dat jaar maakte ze tien films). Ze stierf een natuurlijke dood op 10 februari 2014 in haar woning in Woodside, Californië. Shirley Temple werd 85 jaar. Haar autobiografie ‘Child Star: An Autobiography’ dateert van 1988.

Geschreven door LEO VERSWIJVER