Adieu Ettore Scola (1931-2016)

“Daar gaat de laatste maestro van een generatie die de Italiaanse cinema mee groot heeft gemaakt” was het commentaar van cineast Paolo Sorrentino bij het nieuws van de dood van Ettore Scola (*). Scola is niet de laatste van de naoorlogse filmgeneratie; die telt nog wel enkele overlevenden, wel is hij de laatste filmmaker die in grote mate de Italiaanse film mee droeg. Dankzij zijn zijn scenario's en de bijna 40 films – met als hoogtepunt het meesterlijke 'Una giornata particolare' – waarvan de meeste ook bij ons werden uitgebracht.

Geboren in het stadje Trevico in de regio Campanië verhuisde de familie Scola naar Rome waar Ettore opgroeide en waarvan hij een adoptiezoon werd; zijn laatste film vòòr hij zich terugtrok “Gente di Roma” (2003) is een hulde aan de Eeuwige Stad, zijn buurten en zijn bewoners. Als tiener was tekenen Ettore’s passie. Zijn allerlaatste, het prachtige docudrama met felliniaanse trekken “Che strano chiamarsi Federico” (2013) is een eerbetoon aan (zijn ontmoeting met de 11 jaar oudere) Fellini op de redactie van het satirisch tijdschrift Marc’Aurelio, maar Scola kan niet nalaten zijn eigen tekendrang erin op te roepen. Reeds als 15-jarige had hij zijn pencreaties bij tijdschriften laten zien. Nog als student Rechten werkte hij eind de jaren 40 mee aan het Romeinse Marc’Aurelio, een springplank voor toekomstige scenarioschrijvers en filmregisseurs. In die periode begon Scola ook grappen te schrijven voor variété-artiesten zoals de Napolitaanse oer-komiek Totò en voor radio-uitzendingen van de Italiaanse staatsomroep Rai, onder meer voor een wekelijks programma van de Romeinse acteur Alberto Sordi voor wie hij een trouwe filmscenario-medewerker werd.

Van begin jaren 50 af schreef Scola mee aan filmscenario’s, wat hij het liefst deed: “(...) regisseur, het beroep van leugenaar, iedereen op de set heeft een vraag voor je en jij moet doen alsof je alles weet. Alsof je een orakel bent. In werkelijkheid ben ik lui, het beroep dat ik verkies is dat van scenarist.” (**) In die tijd was scenarioschrijven, zeker voor komedies, een groepswerk; collega’s waren onder anderen Age & Scarpelli en Ruggero Maccari die gestalte zouden geven aan de Commedia all’italiana. Zjn hele carrière lang, ook als cineast, bleef Scola op enkele uitzonderingen na coscenarist. Zijn eerste medewerkingen betroffen de peplum-komedie “Due notti con Cleopatra” (1953, Mario Mattoli) met Sordi en Sofia Loren, en diverse luchtige variété-films onder meer ”Canzoni, canzoni, canzoni” (1953, Domenico Paolella), “Amori di mezzo secolo” (1954, diverse regisseurs). Uit de sketchfilm “Accadde al commissariato” (1954, Giorgio Simonelli) distilleerde het team de succesfilm met Sordi “Un americano a Roma” (1954, Steno). Met de jaren die het economische “miracolo italiano” hadden voortgebracht, begonnen hun scenario’s de aandacht te vestigen op de Italiaanse maatschappij en haar gewoonten, ironisch tot sarcastisch neergezet in de zedenschetsen van de Italiaanse komedie zoals “Lo scapolo” (1955) van Antonio Pietrangeli, “Il conte Max” (1957, Giorgio Bianchi), “Il mattatore” (1960), “Il sorpasso” (1962) en “I mostri” (1963) van Dino Risi telkens met Vittorio Gassman. Het was Gassman die Scola overhaalde zelf te gaan regisseren. Het debuut was de door het publiek goed onthaalde maar door de pers minder gewaardeerde episodenfilm “Se permettete parliamo di donne” (1964) waarin vanuit het standpunt van de vrouw met een monkellachje de Italiaanse man, vertolkt door Gassman, in z’n hemd wordt gezet. Van dan af beperkt Scola’s louter scenario-activiteit voor derden zich tot nog een paar titels, onder meer “Made in Italy” (1965, Nanni Loy) en “Le dolci signore” (1968, Luigi Zampa).

De commedia all’italiana is thematisch vrij homogeen maar qua toonaard verschillend. Als scenarist al had Scola de hand in enkele dramatische films, vooral voor filmmaker Antonio Pietrangeli, zoals ook “Adua e le compagne” (1960), “La visita” (1963), “Io la conoscevo bene” (1965). Meer dan naar het sarcasme van een Dino Risi of de milde humor van Nanni Loy helt Ettore Scola over naar de drama-vorm met situatiehumor die in de loop van de tijd meer onderhuids soms bitter, tot gelaten en melancholisch wordt. Scola trekt voor het eerst internationaal de aandacht met “Dramma della gelosia – Tutti i particolari in cronaca” (1970) met Monica Vitti, Giancarlo Giannini en Marcello Mastroianni, deze laatste goed voor een acteursprijs op het Filmfestival van Cannes. De film is de eerste waarin een onmogelijke driehoeksverhouding wordt aangebracht. Een andere is de onvergetelijke kroniek van de naoorlogse generatie “C’eravamo tanto amati” (1974) met onder meer de hommage aan Fellini met de Trevi-fontein-scène uit “La dolce vita”. Dan is er de militaire context van “Passione d’amore” (1981) waaruit een Amerikaanse musical werd gedistilleerd die op zijn beurt en op co-scenario van Scola werd omgezet in de tv-film “Passion” (USA, 1996, James Lapine). In “Mario, Maria e Mario” (1993) is er de flirt van de jonge communistische echtgenote met een partijgenoot. Deze film is geënt op een cruciaal moment, 1989, van de Italiaanse communistische partij PCI die zich ontdeed van haar communistische naam én stempel. De film weerspiegelt het trauma van die breuk, die ook de PCI-militant Scola had getroffen. Als overtuigde communist had hij onder meer deel uitgemaakt van het PCI-schaduwkabinet in 1989 als … cultuurminister. Ondanks de opeenvolgende naamsveranderingen van de partij bleef Scola trouw aan de oorspronkelijk partij-idealen, op het gebied van cultuur en van burgerlijke verantwoordelijkheid in het algemeen; zo was hij een groot tegenstander van reclame-onderbrekingen in films en sportwedstrijden op tv. Aan zijn politieke achtergrond en engagement wijdde Scola diverse films en documentaires zoals “Festival dell’Unità” (1973) over de PCI-volksfeesten, “Carossello per la campagna referendaria sul divorzio” (1975), een terugblik op het Italiaans historisch echtscheidingsreferendum, het collectief “Addio a Enrico Berlinguer” (1984) over de begrafenis van de charismatische PCI-leider, het groepsproject “Lettere dalla Palestina” (2002) ten voordele van de Palestijnen, en in de speelfilm “Trevico-Torino – Viaggio nel Fiat-Nam” (1973) over de economische migratie van Zuid-Italianen naar het het noorden.

Door velen als Scola’s meesterwerk beschouwd (Golden Globe, Oscarnominatie) ligt “Una giornata particolare” (1977) in die expliciete maar artistiek gesofistikeerde lijn van sociaal engagement: fascisme, de onderworpenheid van de vrouw, de verdrukking van de anderen, hier een homo maar het kan evengoed een jood zijn zoals in “Concorrenza sleale” (2001) tegen de achtergrond van de joodse rassenwetten tijdens het fascisme. De cultfilm met Marcello Mastroianni en Sofia Loren volgde op die andere revelatie, het in Cannes bekroonde “Brutti, sporchi e cattivi” (1976) met Nino Manfredi, een komisch maar humaan variant op Pasolini’s “Accatone” (1961). Scola had geen voorkeursacteur maar deed vaak een beroep op acteurs die hij al tijdens zijn scenaristen-loopbaan had gekend. Manfredi was al hoofdacteur, samen met Sordi, in “Riusciranno i nostri eroi a ritrovare l’amico misteriosamente scomparso in Africa” (1968) en in “C’eravamo tanto amati”. In deze film was hij in gezelschap van Gassman en van Stefania Sandrelli. Deze laatste twee vinden we terug in de groepsfilms - een referentiepunt voor Sorrentino’s van 2013 daterende “La grande bellezza” - “La terrazza” (1980), een reflectie over een breekpunt in het leven zowel qua job als privé, in de generatiekroniek “La famiglia” (1987) waarin ook een driehoeksverhouding sluimert, en in de restaurantkroniek “La cena” (1998) waarin Giancarlo Giannini opnieuw opduikt. In “La terrazza” is ook Ugo Tognazzi van de partij, ook al een Scola-protagonist in onder meer de maatschappijkritische policier “Il commissario Pepe” (1969). Mastroianni maakt eveneens deel uit van de terrasgroep en behalve in de al vermelde titels, is hij ook hoofdacteur in de historische “La nuit de Varennes” (1982), in de melodramatische vriendschapskomedie “Maccheroni” (1985) met als partner Jack Lemmon. “Splendor” (1989) is dan weer een in nostalgie badende nostalgische hommage aan (de teloorgang van) een bioscoopzaal, waar hij de voetsporen drukt van Giuseppe Tornatore’s “Cinema Paradiso” (1988), terwijl uit “Che ora è” (1989) vooral verbittering spreekt. Tegenover de vader staat in beide films de zoon, telkens vertolkt door de slungelachtige Massimo Troisi die het hoofdpersonage wordt van de volgende, picareske “Il viaggio di Capitan Fracassa” (1990). Speelt deze film in op twee culturen (Italië-Frankrijk), zoals die in “Riusciranno...” op (Italië-Afrika), “Maccheroni” (Italië-USA) of “La nuit de Varennes” (meerdere), dan is de dialoogloze maar muziekrijke coproductie “Le bal” (1983) qua realisatie helemaal Frans, ingebed met bijna een eeuw Franse geschiedenis opgeroepen in een salon de dance. Dat buitenbeentje in Scola’s filmografie leverde evenwel een Franse César, een Berlijnse Zilveren Beer en een Oscarnominatie op.

In 2003 trok Ettore Scola zich terug uit het filmberoep maar bleef banden onderhouden met Italiaanse filmers en politieke vrienden. In die jaren vielen hem Italiaanse erkenningen te beurt. Zijn dochters Paola en Silvia hielpen vader Ettore als co-scenaristen voor de onverwachte comeback met de Fellini-evocatie. Scola’s overlijden kwam niet onverwacht want de jongste tijd had hij er al herhaaldelijk op gezinspeeld. Als testament laat Ettore Scola de biografische film “Ridendo e scherzando” na, gerealiseerd door zijn twee dochters en vertoond op het Filmfestival van Rome 2015. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd zijn uitvaart geen triest gebeuren, maar een vrolijk afscheid met een laatste drink, bijna zoals in Scola’s sketch “L’elogio funebre” met Alberto Sordi in de episodenfilm “I nuovi mostri” (1977). † 19januari

Geschreven door MARCEL MEEUS