Adieu filmregisseur Carlo Lizzani

Als afscheidsbriefje “Ik trek er de sleutel uit”. De eerste reacties op het overlijden van Carlo Lizzani (Rome, °1922 - † 2013) waren de verwijzingen naar de dood, bijna 3 jaar geleden, van cineast Mario Monicelli; die sprong ook uit een venster van op een verdieping. Lizzani definieerde dat toen als “een gebaar van jeugdige luciditeit”. Geen enkele veroordeling dook op in de reacties van Carlo’s familie, vrienden en collega’s, wel de bittere vaststelling dat in Italië euthanasie nog altijd taboe is.

Francesco Rosi herdacht zijn leeftijdgenoot als “de laatste neorealist”. Als student eind jaren 30 schreef Carlo Lizzani al voor enkele filmtijdschriften waarin hij deelnam aan het debat over een cinema geënt op de realiteit. In de laatste bezettingsjaren door de nazi’s sloot hij zich aan bij het Verzet: fascisme en verzet keren vaak terug in zijn filmwerk. Van zijn fictiefilmdebuut Achtung! Banditi! (1951), via Cronaca di poveri amanti (1954, met een jonge Marcello Mastroianni), Il Gobbo (1960), L’Oro di Roma (1961), Il Processo di Verona (1963), Mussolini Ultimo Atto (1970), Fontamara (1977, met Michele Placido) tot zijn allerlaatste regie Hotel Meina (setfoto, 2007). Na WOII werd hij lid van de Italiaanse Communistische Partij (PCI) waarvoor hij als beginnende cineast tussen 1948 en 1950 enkele documentares draaide. Ook zijn eerste speelfilms waren geproduceerd door een aan de PCI verwante coöperatieve.

Hoewel hij in 1957, het jaar volgend op de Hongaarse Opstand, brak met de partij ging zijn overtuigde communistische geloofsbelijdenis zijn leven lang mee en resulteerde in 1988 nog in de fictiefilm Caro Gorbaciov, uitgaande van het politieke testament van Nicolai Bucharin, de onder Stalin in ongenade gevallen Russische leider. Zijn leerschool in de film startte hij vlak na de Bevrijding als scenarist en in enkele bijrollen voor neorealistische filmauteurs zoals Aldo Vergano (Il Sole Sorge Ancora, 1946), Giuseppe De Santis (Caccia Tragica, 1946, en Riso Amaro, 1949, goed voor een Oscarnominatie scenario) en Roberto Rossellini (Germania Anno Zero, 1949; op de set leerde Lizzani Edith Bieber kennen, die zijn hele leven lang zijn echtgenote zou blijven); aan Rossellini, diens Roma città aperta en het neorealisme zou Lizzani later hulde brengen dankzij Celluloide (1996).

Lizzani’s regie-loopbaan omvat een hondertal producties tussen cinema en televisie – hij wijdde onder meer een tv-film, Marie-José l’Ultima Regina (2002), aan de dochter van ons vorstenpaar Albert I en Elisabeth, gehuwd met Italië’s laatste koning Umberto II. Zijn carrière was niet rechtlijnig qua genre of succes. Lo Svitato (1956) is een onevenwichtige komedie opgezet rond de latere Nobel-winnaar Dario Fo. Internationaal is de Koude Oorlogsthriller The Dirty Game (1965) met onder andere Henry Fonda en Annie Girardot. In een van zijn twee spaghettiwesterns Requiescant (1967) hebben zowel P.P. Pasolini (ook al in Il Gobbo) als enkelen van diens clan-acteurs een rol. Meer dan eens zwerft Lizzani uit richting policier, met films geïnspireerd op ware criminele feiten zoals Svegliati e Uccidi (1966), Banditi a Milano (1968), Torino Nero (1972, met Bud Spencer), Mamma Ebe (1985) of waarin politiek extremisme de achtergrond vormt: San Babila Ore 20: un Delitto Inutile en Kleinhoff Hotel. Zelfs een ondermaatse gangsterfilm, Crazy Joe (1974, met Peter Boyle) staat op zijn naam. Vermeldenswaard is ook Cattiva (1991), een film over contrasten in de psychiatrie begin vorige eeuw.

Wat alle films samenhoudt zijn de intenties om verhalen te vertellen die het publiek aanspreken (vandaar de variëteit van genres), en vooral de onderwerpen en de personages geplukt of gedistilleerd uit het dagdagelijks leven, in de meeste gevallen de man in de straat die willens nillens door de gebeurtenissen uit de normaliteit wordt weggehaald of er net aan wil ontsnappen. Zijn houding was die van een nauwgezet waarnemer met aandacht voor het historisch-sociaal kader, of het nu om een ver verleden ging (L’Amante di Gramigna, 1968, een mafiaverhaal uit het pas eengeworden Italië) of hedendaags is neergezet (La Vita Agra, 1964, een drama over een arbeider die probeert carrière te maken binnen het kapitalisme zonder scrupules). Want Lizzani was ook een historicus, die veel research voor zijn films deed, maar ook auteur was van boeken over de historiek van de Italiaanse film, over diens regisseurs, en met portret-documentaires gewijd aan enkelen van hen.

Lizzani wordt ook herdacht als de artistieke directeur die het filmfestival van Venetië tussen 1979 en 1982 opnieuw een elan heeft gegeven na de contestaties van ‘68. Volgens Lizzani’s zoon Francesco was zijn vaders zelfdood een weloverwogen daad. Zelfs nieuwe filmprojecten zoals een op stapel staande politieke thriller gebaseerd op een tijdens het fascisme gesitueerd kortverhaal, over de Italiaanse politicus Giulio Andreotti (zie Il Divo van Paolo Sorrentino) waarvoor zelfs de Italo-Amerikaanse Al Pacino was gepolst, moesten het uiteindelijk afleggen tegen de op 91-jarige leeftijd blijkbaar onvermijdelijke en alsmaar toenemende fysieke aftakeling.

Geschreven door MARCEL MEEUS