Adieu Franco Interlenghi (1931-2015)

Er zijn van die acteurs/actrices die in het oog springen op het scherm, vaak te zien zijn in tweedeplansrollen, daardoor “bekende gezichten” worden maar zelden of nooit doorbreken tot hoofdvertolk(st)er. De Romein Franco Interlenghi was zo’n acteur. Hij begon zijn carrière als 15-jarige evenwel in een (gedeelde) hoofdrol in “Sciuscià” (1946, Vittorio De Sica) zoals dat ook nog het geval was in “I Vitelloni” (foto) (1953) waarin hij het alter ego van Federico Fellini interpreteerde. Zijn kwaliteiten waren veeleer zijn fijne trekken en een zekere terughoudendheid die in zijn personages en in zijn acteren werden weerspiegeld. Of misschien waren dat net de kwaliteiten die filmproducenten en -regisseurs in hem zagen en van hem verwachtten. Want in zijn tweede filmrol in de extra-lange peplum “Fabiola” (1949, Alessandro Blasetti) dook hij slechts hier en daar op als een pestkereltje. Voor de rest was hij zijn hele filmloopbaan lang, op alle leeftijden, doorgaans de bravo ragazzo/de brave jongen omdat hij een uiterlijk en een gezicht had dat geen kwaad liet vermoeden en zelfs in de enkele gevallen dat zijn personage iets op z’n kerfstok had, dat gemakkelijk verborgen wist te houden.

In “Domenica d’agosto” (1950) en “Parigi è sempre Parigi”(1951, allebei van Luciano Emmer) was Franco Interlenghi de gedroomde toekomstige schoonzoon voor elke moeder, met uitzondering van die in “Le petit monde de Don Camillo” (1952, Julien Duvivier) waarin de gedwarsboomde liefde tot een zelfmoordpoging leidt, en in de stormachtige relatie van “Les amours de Manon Lescaut” (1954, Mario Costa). In de films van Emmer maar ook in andere (“Gli eroi della domenica”, 1953, Mario Camerini; “Padri e figli”, 1957, Mario Monicelli) was ook de zeven jaar oudere Marcello Mastroianni van de partij, evenzeer in een nevenrol. Interlenghi en Mastroianni kenden elkaar al van theaterrollen voor Luchino Visconti eind de jaren ’40. De twee werden als knappe kerels beschouwd. Maar terwijl Mastroianni alle types van rollen aankon (met als doorbraak “I soliti ignoti”, 1958, Mario Monicelli), bleef Franco Interlenghi vastgepind op een beperkte vertolking, ook in dramatische rollen zoals die van kleine misdadiger in de camorra-film “Processo alla città” (1952, Luigi Zampa), de lichtzinnige burgerij-jongeman in “I vinti” (1953, Michelangelo Antonioni), Telemachus in “Ulysse” (1954, Mario Camerini), of de heler in “La notte brava” (1959, Mauro Bolognini)... In die periode leek hij ook bestemd voor buitenlandse films met bijrollen in “The barefoot contessa” (1954, Joseph L. Manckiewicz), “A farewell to arms” (1957, King Vidor), “En cas de malheur” (1958, Claude Autant-Lara - aspirant lief van B.B.); zelfs crimineel in de komedie “Cigarettes, whisky et p’tites pépées” (1959, Maurice Regamey met Annie Cordy), en de suspence-film “Match contre la mort” (1960, Claude-Bernard Aubert)... Interlenghi sloot zijn glorieperiode af als Garibaldist in “Viva l’Italia!” (1960, Roberto Rossellini) en in de rol van verloofde in een sketch van “Cronaca del ‘22” (1961, Francesco Cinieri). Daarna was hij jaren weg uit de showbusiness - vrijwillig of niet? «Voor 'La notte brava' moesten ze mij de Nastro d’Argento geven als karakterspeler, maar ze zegden me dat ze die aan Claudio Gora gingen geven voor 'Un maledetto imbroglio', want ik was jong en hij was iemand die riskeerde geen werk meer te krijgen. “Jij hebt je hele leven vòòr je”. Wel, hij heeft gewerkt en blijft werken zonder ophouden, ik niet.» (*) Hij nam het acteren weer op als handlanger in de Franse misdaadfilm “Mise-à-sac” (1968, Alain Cavalier) en bleef dat doen tot 2010 maar altijd in bijrollen, van de jaren ’70 af ook in televisie-films en –series, in al dan niet gedenkwaardige producties. Voor de bioscoop: “Il camorista” (1986, Giuseppe Tornatore), “L’avaro” (1990, Tonino Cervi), “Pummarò” (1990), “Le amiche del cuore (1992) en “Romanzo criminale (2005, alle drie van Michele Placido), “I, Don Giovanni” (2009, Carlos Saura). Op televisie was hij te zien in de religieus getinte mini-series “Un bambino di nome Gesù” (1987, Franco Rossi), “Papa Giovanni – Ioannes XXIII” (2002) en “Papa Luciano, il sorriso di Dio” ( 2006, allebei van Giorgio Capitani). † 10 september

(*) Franca Faldini, Goffredo Fofi cur., L’avventurosa storia del cinema italiano raccontata dai suoi protagonisti 1935-1959; 1979, Feltrinelli ed. p. 402

Geschreven door MARCEL MEEUS
 
onomatopee