Adieu Rick Battaglia (1927-2015)

Zijn zowat honderd vertolkingen in de tweede helft van de 20ste eeuw bewijzen dat Riccardo Battaglia een veelgevraagde acteur was in eigen land, Italië, en erbuiten. Wel interessant qua mimiek en fysiek, maar niet dadelijk in het oog springend; het is trouwens moeilijk foto’s van hem te vinden.

Geboren in het Noord-Italiaanse Rovigo week de jonge arbeider-binnenvaartmatroos zoals zovele gelukzoekende streekgenoten in de naoorlogse jaren uit naar Milaan. Naar goede neorealistische traditie werd hij daar in 1954 als barman opgemerkt door filmregisseur Mario Soldati. Die bood hem dadelijk de tweede mannelijke hoofdrol aan naast een Sophia Loren in volle opgang naar de roem voor “La donna del fiume”, een drama over ontrouw en berouw. Ook de veramerikanisering van Riccardo (Rino voor de vrienden) tot Rick was eigen aan de Italiaanse film van toen.

Voor hij in 1956 zijn tweede eveneens belangrijke rol aanvaardde in “La risaia” van Raffaello Matarazzo, een melodramatische variatie op “Riso amaro” (1949), had hij in Rome een acteursopleiding gevolgd. In de volgende jaren wisselde Battaglia al dan niet belangrijke rollen in Italiaanse films af met die in internationale films, aanvankelijk in qua thema en/of genre originele titels die in zijn verdere loopbaan zeldzamer zouden worden: het drama “Raw Wind in Eden” (Robert Wilson, 1957), de rolbevestigende komedie “Adorabili e bugiarde” (Nunzio Malasomma, 1958), het laat-neorealistische “La giornata balorda” (Mauro Bolognini, 1960), de situation comedy “Don’t Bother to Knock” (Cyril Frankel, 1961), het burgeroorlogsdrama “Fruits amers – Soledad” (Jacqueline Audry, 1966), Vincente Minelli’s laatste “A Matter of Time” (1976), de kolderkomedie “Liberté, égalité, choucroute” (Jean Yanne, 1985), de biografie “Don Bosco” (Leandro Castellani, 1988).

De carrière van de karaktervertolker verliep immers grotendeels in het zog van de (Italiaanse) genregolven uit die periode. Daaronder waren films die hun plaats in de filmgeschiedenis hebben gekregen om hun eigen verdiensten of als reeksopener. Onder zijn vertolkingen in historische spektakelfilms moeten “Gerusalemme liberata” (1957) en “Annibale” (1959) van Carlo L. Bragaglia worden vermeld. De acteur trad aan in de super-peplums “Esther and the King” (Raul Walsh & Mario Bava, 1960) en “Sodoma e Gomorra” (Robert Aldrich, 1962) en in sandalenprenten zoals “Teseo contro il minotauro” (Silvio Amadio, 1960) of “Giulio Cesare – Il conquistatore delle Gallie” (Tanio Boccia, 1962).

In Duitsland was hij in de jaren 60 van de partij in diverse Karl May-verfilmingen – uiteenlopende personages in “Old Shatterhand/Winnetou”-episodes, maar niet alleen in die reeks. Tot zijn spaghettiwesternrollen behoort die in Sergio Leones “Giù la testa” (1971). In het avonturengenre werd hij gecast in “Call of the Wild” (Ken Annakin, 1972) of “Treasure Island” (John Hough, 1972). En met “Suor Emanuelle” (Giuseppe Vari, 1977) droeg hij een van zijn steentjes bij tot het erotische genre. In de jaren 70-80 vertolkte Battaglia meermaals boss-rollen in Italiaanse maffiafilms waaronder “Il prefetto di ferro” (Pasquale Squittieri, 1977) en was hij te zien in enkele Italiaanse muzikale melodrama’s.

De jaren 80 was ook zijn tv-periode. Na een kleinere rol in de policier “Omicidio a luci blu” (1992) van Al Bradley alias Alfonso Brescia, de Romeinse filmmaker met wie hij van einde jaren 70 af het meest samenwerkte, trok hij zich terug als acteur en verhuisde van Rome naar Genève. In 1999 was hij nog eenmaal te zien in een episode van de succesrijke Duitse tv-kinderserie “Pumuckls Abenteur”. Daarna keerde hij naar zijn geboortestreek terug.

Ondanks zijn staat van dienst heeft Rick Battaglia nooit een officiële erkenning gekregen. In zijn vaderland noch elders.

Geschreven door MARCEL MEEUS