Ate de Jong op het BIFFF over Deadly Virtues: Love. Honour. Obey.

Deadly Virtues: Love. Honour. Obey. werd op het Filmfestival van de Fantastische Film (BIFFF) in Brussel onder grote belangstelling voorgesteld in aanwezigheid van Ate de Jong, producent Elliot Grove en Matt Barber, een van de hoofdacteurs uit de film. Een bloedstollende psychologische thriller is het waarmee de getalenteerde De Jong andermaal aantoont dat hij niet zonder reden al decennia een boegbeeld is van de internationale uitstraling van zijn generatie Nederlandse filmers.

Geboren in 1953 in Aardenburg, Zeeuws-Vlaanderen, net over de Belgisch-Nederlandse grens en op een boogscheut van het Oost-Vlaamse Maldegem, is hij de man achter zeer succesvolle Nederlandse filmklassiekers als Dag Dokter (1978), Een vlucht regenwulpen (1981), Brandende liefde (1983) en In de schaduw van de overwinning (1986). De hits volgden elkaar toen in snel tempo op en hij had probleemloos op Nederlandse bodem kunnen blijven voortwerken tot hij pensioengerechtigd was, ware het niet dat hij stilaan op een dood punt was beland: een film maken was geen uitdaging meer. Hij leverde vakkundig werk af, dat wel, maar in zijn ogen werd het iets té routineus. De Jong wilde voor zichzelf de lat hoger leggen en zoeken naar nieuwe uitdagingen. Vandaar dat hij opteerde voor een nieuwe start en met slechts twee koffers, de ene met kleren en de andere met video’s van zijn films, trok hij naar Hollywood om een (geslaagde) internationale carrière te beginnen met films zoals Drop Dead Fred (1991) en Highway to Hell (1991). Na bijna een decennium in Los Angeles en ook nog eens veertien jaar in Londen te hebben gewoond en gewerkt, vertoeft hij nu sinds een zestal jaren terug in Nederland en werkt hij nog altijd bijna uitsluitend non-stop over de landsgrenzen heen. Een drukke, actieve beroepscarrière als filmmaker in de hoedanigheid van regisseur, producent en scenarioschrijver, maar ook vooral een boeiende carrière waar nog lang geen einde aan is gekomen.

Deadly Virtues: Love. Honour. Obey., op het eerste gezicht een ietwat ongewone titel vanwege de veelheid aan leestekens, is de film waar het nu om draait. Zijn meest recente werk, andermaal een acteursfilm - een waardevol handelsmerk van Ate de Jong - , is kenmerkend voor zijn creatieve diepgang als filmregisseur. Geef de man een kamer met daarin een tafel, twee stoelen, enkele acteurs en een boeiend scenario, en hij kan aan de slag. Maar eerst dus een filmscenario. Voor deze film geschreven door Mark Rogers; hij had het opgestuurd naar producent Elliot Grove, stichter van de onafhankelijke productiemaatschappij Raindance Raw Talent in Londen. Ate de Jong: “Ik had toen net Het Bombardement uit in de bioscoop in Nederland waar de film minder goed werd ontvangen dan ik had gehoopt. Ik was in Londen waar ik met Elliott Grove iets ging drinken. Hij begon over het scenario te praten en stelde me voor om het eens te lezen. Nadat ik het had doorgenomen, belde ik hem de volgende morgen en zei: “Je zou hiervoor David Lynch of David Cronenberg kunnen warm maken, want het is zeer goed.” Maar dan duurt het vijf of tien jaar en de film zal dan een fortuin kosten. ‘Waarom doen we het niet in de Raindance-stijl, met een beperkt budget?’ vroeg hij. En dat is precies wat we hebben gedaan. Dat gesprek was in januari vorig jaar, in mei begonnen de opnames en de film was eind 2013 af. Dat is dus snel gegaan.”

“De financiële middelen voor deze film waren zó beperkt dat je slechts kon doen wat je vond dat je moest doen, en dan maar hopen dat het werkt, anderzijds heb ik nooit zoveel vrijheid gehad. Geld is voor mij trouwens nooit een doorslaggevende factor. Ik heb films gemaakt met een budget van meer dan twintig miljoen dollar en films die minder dan honderdduizend dollar hebben gekost. Een van de grote verschillen is dat bij dure films de distributie meer ter harte wordt genomen omdat er meer geld is geïnvesteerd.”

De dynamische producent Elliot Grove van Raindance, de drijvende kracht achter de film, formuleert het als volgt: “Doordat we onze films zelf financieren, werken we met een kleiner budget; het grote voordeel is dat je geen jaren moet wachten om het budget rond te krijgen en de film op te starten. Deadly Virtues: Love. Honour. Obey. is een van de eerste films waarbij Ate terug totale autonomie heeft sinds de films uit zijn beginjaren, vandaar dat ik hem had voorgesteld ‘to reinvent himself’ en een omschakeling te maken van regisseur van commerciële films naar cultregisseur. Cult betekent hier in deze context dat je ook een ander publiek wil bereiken, zoals Ate heeft gedaan met Drop Dead Fred. In Amerika kennen mensen tussen dertig en veertig de film zeer goed, maar niet de groep tussen vijftien en dertig. En nu zijn er tieners die de film ontdekken, zoveel jaren nadat hij is gemaakt, wat erg ongewoon is. Het is zoiets als publiekoverschrijdend werken door jezelf opnieuw ‘uit te vinden’, door een nieuwe manier van filmen en een nieuw concept te bedenken. Ate is een van de weinige succesvolle regisseurs van zijn generatie met wie ik op dezelfde golflengte zit en daarom is het boeiend om met hem te kunnen werken. Eerder heb ik samengewerkt met onder anderen Chris Nolan en die doet het uitstékend. Jonge regisseurs maken vaak documentaires en webseries; vaak beschouwen ze zich niet langer als ‘cineasten van speelfilms’, veeleer als een ‘visual communicator’ door gebruik te maken van nieuwe visuele technieken om zo een nieuw publiek te bereiken.”

Voor Deadly Virtues: Love. Honour. Obey. werd een huis als locatie gebruikt - gemakkelijk en handig, want zo hadden ze geen logistieke problemen zoals transport, parkeren, sets afbreken en opnieuw opbouwen, enz. zegt De Jong: “We hadden dat huis afgehuurd voor een maand - dat was de minimumtermijn - en we hadden vijftien draaidagen voorzien. Drie weken, dus. Dat gaf ons een extra week om te oefenen, en dat deden we in dat huis, alle mogelijke ‘oefeningen’ om te zoeken naar manieren om het anders te brengen, ‘probeer het te spelen als een komedie, speel het nu alsof je echt van haar houdt…’ Door zulke trainingen raakten de acteurs beter vertrouwd met hun personages.”

“Van zodra je met je acteurs begint te werken, ga je ervan uit dat ze hebben nagedacht over hun personage, over mogelijke raakvlakken van hun personage met henzelf, dat ze genoeg kennis hebben van wat er in het verhaal gebeurt en dat ze open staan om nieuwe wegen te bewandelen. In dat laatste ga ik hen helpen. Veronderstel dat je een heel gewone scène hebt met twee mensen die wat praten en koffie drinken, dan kan je dat zakelijk spelen: gewoon kóffie drinken. Maar je kan ook zeggen, ‘hoeveel koffie, hoeveel suiker,’ omdat je de andere misschien aan het verleiden bent. De dialoog over de koffie en de suiker wordt dan een subtext over die verleidingstechniek. Diezelfde dialoog kan je ook gebruiken omdat je misschien zo’n ontzettende hekel hebt aan die iemand dat je het niet rechtstreeks wil zeggen, maar via de koffie en de suiker maak je het wél duidelijk. Ik geef de acteurs dus tal van opdrachten die niet noodzakelijkerwijze scènes moeten zijn, maar oefeningen zodat ze nauwer bij hun personage betrokken raken. Soms laat ik de acteurs met hun rug naar elkaar staan en doe à la Magritte een doek rond hun hoofd, zodat ze niets kunnen zien. Ze zitten gevangen in een cocon en ik laat de acteurs dan die scène spelen met dezelfde dialoog. Ze kunnen elkaar alleen maar voelen doordat ze met de rug tegen elkaar staan. Die scène is heel anders dan wanneer ze naar elkaar kunnen kijken. Dus ik ga experimenteren met de acteurs om dingen in hun personage te vinden die hen kunnen helpen om het beter te begrijpen.”

“Filmcasting is ook een beetje typecasting,” licht hij nog toe, “Ophelia kan op de planken worden gespeeld door een vrouw van vijfendertig en daar accepteer je dat, maar niet in een film, daar moet ze zestien zijn. De typecasting waarover mensen minder spreken, is in hoeverre komt het personage overeen met de acteur zelf. Het hoeft niet hetzelfde te zijn, maar ze moeten het wel herkennen. Wanneer een acteur iets moet spelen dat hij helemaal niet begrijpt, dan heb je iemand die een rol ‘speelt’ en niet die rol, dat personage ‘is’. ‘Nadenken’ is hier het sleutelwoord: de acteur moet dénken wat zijn personage dénkt. Het is het moeilijkste dat er is, maar als hij dat kan, dan is het perfect. Dat is wat Meryl Streep altijd zo ongelooflijk goed doet: zij ís haar personage en zij handelt zoals haar personage. Door zulke oefeningen te doen, hoop ik resultaat te bereiken. Op de set hoef je dan niet echt meer dan één of twee takes op te nemen.”

Ate de Jong is een vakkundig en getalenteerd filmmaker die in zijn professionele aanpak met zijn acteurs diplomatisch tewerk gaat. Zoals bijvoorbeeld de naaktscène in Deadly Virtues: Love. Honour. Obey. “Naakt is meestal een groter probleem voor de filmmaker dan voor de acteurs. Beschouwt de regisseur het als normaal en maakt hij er niet al te veel problemen rond, dan beseffen acteurs doorgaans dat het functioneel is. Komt het bij mij in films voor, dan praat ik er eerst met de acteurs over, ‘wat vind je er zelf van, wat wil je doen en wat wil je niet doen.’ Ik maak ook storyboards en daarop wordt precies getoond hoe het in beeld wordt gebracht en wat er op het scherm gaat komen. Gaan de acteurs ermee akkoord, dan kunnen ze na afloop eerst de film nog zien; zolang ik me heb gehouden aan het storyboard, heb ik hun akkoord. Maar indien het toch anders wordt getoond en ze kunnen zich er niet in terugvinden, dan gaan we die scène in de montage aanpassen. Vertrouwen is dan een heel belangrijk gegeven.”

Mogelijk wordt Deadly Virtues: Love. Honour. Obey. de eerste film van een reeks. Zegt hij: “We zouden er graag zeven willen maken, want er zijn zeven ‘deadly sins’ en dus ook zeven ‘heavenly virtues’ - die zijn niet zo ‘heavenly’ maar ook ‘deadly’, vandaar dus ‘deadly virtues’. Voor de financiering van een tweede film wachten we voorlopig nog op antwoord. Of ik die ook zal regisseren, dat kan ik nog niet zeggen. Regisseren heeft vandaag ook veel te maken met het niveau waar je je in de filmwereld bevindt. Ben je een jonge regisseur met een of twee films op de teller, dan heb je gemakkelijker toegang tot de grote filmfestivals. Ik heb zeker de ambitie om er nog enkele te maken, maar anderzijds ben ik ook realistisch genoeg om te beseffen dat ik ze evenzeer kan produceren en in dat geval de regie zou overlaten aan een jonge cineast, al was het maar om me ervan te verzekeren dat de film voldoende kansen kan krijgen.”

Zijn vorige film, Het Bombardement - ook deels opgenomen in Antwerpen, Oostende, Damme en rond Brussel - was een dure film, kostprijs vijf miljoen euro. Ate de Jong: “Dat is veel geld voor een klein land. Maar de film haalde slechts tweehonderdduizend bezoekers in de Nederlandse bioscopen, en ik had gehoopt op mèèr. Dat was een opdoffer. Als filmmaker ben je emotioneel kwetsbaar; het is een eenzaam beroep. Voortdurend moet je keuzes maken, filmen is een grote aaneenschakeling van keuzes die je doet. Anderzijds ben ik altijd vrij zelfzeker geweest, de eindverantwoordelijkheid van een film dragen is voor mij dan ook geen probleem. Ik denk van: ‘ik weet wat goed is en wat we wel en niet kunnen gebruiken en we gaan door.’ Dat ligt in mijn karakter, het ouder worden maakt de druk niet zwaarder voor mij. Je krijgt een natuurlijke autoriteit.”

Zo functioneert de man nu, maar hoe is het allemaal weer begonnen? “Op m’n zeventiende ben ik naar de Filmacademie in Amsterdam gegaan, ik was de jongste die er ooit is toegelaten. Ik wist niéts van film, ik had slechts één film in de bioscoop gezien, maar ik raakte al heel snel in de ban van film. Ik had ook een enorme drang en behoefte om me te uiten; alles wat emotioneel in mij speelde, wilde ik naar buiten brengen. Als bij toeval is dat film geworden, maar dat had ook theater of literatuur kunnen zijn. Voor mij situeert het regisseursschap zich onder uitingsdrang, die is het sterkste. Ik kan me goed voorstellen dat iemand met een heel gebalanceerd en harmonisch leven, en die in eenheid met de omgeving leeft, dat niet naar buiten moet brengen.”

En, tot slot, hoe blikt hij terug op zijn jaren in Hollywood? “Ik vond Amerika heel leuk,” aldus Ate de Jong, “maar ik woon nu al twintig jaar terug in Europa, en na zo’n lange afwezigheid ‘besta’ je niet meer in Amerika. Nu richt ik me meer op Engeland, maar sterker dan in Europa is er in Amerika een ‘grey listing’: ben je niet jonger dan vijfendertig, dan is het moeilijk, tenzij je heel geëstablished bent, maar daarvoor ben ik nu al te lang weg. Ik vind de mentaliteit er wel heel aangenaam en het succes wordt je daar gegùnd. Ik heb er vele vrienden gemaakt met wie ik nog veel contact heb; dat heeft misschien ook met die mentaliteit te maken. Toen ik voor het eerst naar Los Angeles ging en op Schiphol langs de douane passeerde, vroegen ze, ‘Mijnheer, wat is uw beroep?’ Ik antwoordde, ‘Ik ben filmmaker’ - iets wat ik voordien nooit echt durfde te zeggen. En toen zei die man, ‘Nee nee, niet uw hobby, uw beroep!’ Tien uur later kom in Los Angeles aan en daar vraagt de douane ook: ’Je beroep?’ Ik zeg opnieuw: ‘Filmmaker.’ En de man antwoordt: ‘Oh, wat leuk! Heb je onlangs nog een film gemaakt die ik misschien heb gezien? Speelde er iemand in mee die ik ken?’ Ik dacht echt dat ik in de hemel was geland!” (lacht).

BIFFF (Brussels International Fantastic Film Festival), Bozar, Brussel
Q & A, 13 april 2014
Interview, 14 april 2014

Geschreven door LEO VERSWIJVER