Belgen in de prijzen op het kortfilmfestival van Clermont-Ferrand

Het internationaal bekende Festival van de Korte Film van Clermont-Ferrand (3 tot 11 februari) hoeven we niet meer voor te stellen. Jaar na jaar breekt het records betreffende aantal bezoekers, ingezonden films en vertegenwoordigde landen. Deze 39ste editie leek wel in het teken te staan van menselijkheid.

Met al die jaarlijkse records wordt het Festival van de Korte Film van Clermont-Ferrand het slachtoffer van zijn succes, want het heeft de limiet van zijn zaalcapaciteit bereikt. Erger nog is dat de burelen van initiatiefnemer Sauve qui peut le court métrage veel te klein zijn geworden. Op die plek zijn ze het hele jaar door in de weer met het organiseren van het festival en de bijbehorende activiteiten, en er bevindt zich bovendien een documentatiecentrum dat uniek is in zijn soort. Het festival werd opgericht in 1979 en staat dus aan de vooravond van de beruchte veertigste verjaardag. Het zag zijn publiek exponentieel groeien en ontwikkelde een reeks randactiviteiten. Behalve een festival is het ook een centrum voor beeldopvoeding, het is actief in de filmcommissie van de regio Auvergne en het heeft ook een belangrijke (en noodzakelijke) taak op het vlak van erfgoed. Het hoofdkwartier werd La Jetée genoemd – een eerbetoon aan Chris Marker – maar het gebouw waar alles wordt bedacht, gepland en concreet gemaakt barst uit zijn voegen. In de film mag het off-screen of buitenbeeldse ruimte dan zijn nut hebben, maar in de praktijk liggen de zaken wel anders als je een verantwoord beleid wilt voeren.

Aangezien vorig jaar de kaap van 162.000 toegangskaartjes werd overschreden moet hoognodig een oplossing worden gevonden die rekening houdt met de positieve impact van het festival op publiek en professionelen. De oplossing is een vernieuwende culturele ruimte die voor iedereen openstaat. De voorstellen liggen ter tafel en ondanks de problemen blijft het festivalschip op koers richting veertigste verjaardag. Stukje bij beetje maken de oude organisatoren plaats voor nieuwe, geëngageerde galeislaven die qua leeftijd wel hun kinderen konden zijn. De kennis wordt overgedragen en samen met honderden vrijwilligers zetten de nieuwe krachten de inspanningen uit het verleden voort, zodat het gevarieerde karakter wordt behouden van een genre waarin je nog in alle vrijheid je ding kunt doen.

Menselijkheid boven alles

Dit jaar leek het programmamotto wel ‘menselijkheid’. Die stond de laatste tijd onder zware druk door toedoen van zij die het gemunt hadden op de vrijheid van denken en leven. Cineasten zijn zich ervan bewust dat de wereld verandert en hadden kunnen opteren voor troosteloosheid of fatalisme. Maar gelukkig hielden de meesten het op werkelijk samen-leven, en dat bleek uit even schokkende als genuanceerde en subtiele films over mensen en hun zorgen.

Over schokkend gesproken, vanaf het allereerste begin, namelijk bij de start van de internationale competitie, werden we geconfronteerd met een Engels-Kosovaarse coproductie waarvan we meteen wisten dat ze de Speciale Juryprijs zou winnen. In HOME vertelt Daniel Mulloy het opmerkelijke verhaal van een Engels gezin dat voor een ongewone vakantie kiest. Samen met hun jonge kinderen leggen de ouders de omgekeerde weg af van de vluchtelingen die op de loop zijn voor oorlogsconflicten. Ze kruisen het pad van zij die in Europa aankomen, waarbij ze diverse vormen van geweld ondergaan en te maken krijgen met mensensmokkelaars en intimiderende militairen. Terwijl de jongste het uitschreeuwt van angst blijkt uit een bitse woordenwisseling met haar vader hoe kwaad de oudste dochter, nauwelijks vijf of zes, wel op hem is. De shots volgen elkaar op in een afgemeten crescendo, tot het gezin arriveert in het kamp waar het voor velen allemaal begon. Het is alsof de voltallige mensheid hier een oplawaai krijgt. 

Ter afsluiting van dit eerste programma konden de bijna 1500 toeschouwers van de grootste festivalzaal op adem komen met een komedie. COME YO TE AMO (‘Hoeveel ik van je hou’) van de Spanjaard Fernando García-Ruiz Rubio zou tweemaal worden bekroond, namelijk met de Publieksprijs en de ‘Prix du Rire Fernand Raynaud’. De film gaat over blindelings verliefd worden en de details die uiteindelijk vaak het verschil maken. Het is het avontuur van een ietwat sullige amateurovervaller die wordt gevloerd door een verleidelijke en ambitieuze jonge politievrouw. Dani wordt hals over kop verliefd, maar schiet er ook zijn verstand bij in en zodra hij zijn straf heeft uitgezeten begint hij onverdroten opnieuw om haar terug te vinden. Intussen maakt zij snel promotie en hij moet steeds zwaardere misdrijven plegen. Bij elk verblijf in de gevangenis wordt hij herenigd met dezelfde celgenoot, die hem nauwelijks verhulde avances maakt, waardoor zijn verlangen nog groter wordt. Maar bij een ultieme confrontatie komt Dani weer bij zijn positieven: hij ontdekt de details die hij liever niet wilde zien en de hoofdinspectrice van de terroristische brigade verliest voor hem meteen al haar charme. Terugkeren naar de cel wordt opeens een aanlokkelijk alternatief. Moet je als man wel per definitie van een vrouw houden?

De Grote Prijs van de internationale jury ging naar een film waarin tegen een dramatische achtergrond moeilijke menselijke verhoudingen worden geschetst. Het op waargebeurde feiten gebaseerde DEKALB ELEMENTARY gaat over een verwarde en zwaarbewapende jonge Amerikaan die zich meester maakt van een school en er een bloedbad wil aanrichten. Reed Van Dyk weet een spannend psychologisch huis clos te condenseren in nauwelijks twintig minuten. De moordlustige jongeman krijgt te maken met een zwarte werkneemster die het hoofd koel tracht te houden terwijl ze in contact staat met de reddingsdiensten. Ze zit opgesloten in de ontvangstruimte van de instelling en moet zo noodgedwongen bemiddelen tussen de depressieve jongeman en de politie. Stukje bij beetje weet ze hem af te remmen. Dankzij de afgemeten acteursregie leven we afwisselend mee met de jongeman en de vrouw, waardoor de afloop van het verhaal onvoorspelbaar blijft. Op elk moment kan de situatie omslaan en de groeiende band tussen de twee protagonisten wordt doorslaggevend. Menselijkheid is weer een bepalend element in het verhaal, meer nog dan de trieste werkelijkheid.

Prijzen voor Belgen

Menselijkheid is opnieuw aan de orde in LE FILM DE L’ÉTÉ, een Belgisch-Franse coproductie van Emmanuel Marre die de Grote Prijs kreeg vanwege de voltallige nationale (lees: Franse) jury onder leiding van Benoît Delépine (inwoner van het fictieve land Groland uit diverse humoristische televisieprogramma’s op Canal Plus). De regisseur waagde het zijn Belgische producent Sébastien Andres (Michigan Films) geld te vragen voor zijn reisproject, in ruil voor ... helemaal niets. Er was geen scenario of dossier, alleen een idee, namelijk tijdens een autorit naar het zuiden van Frankrijk de groeiende verstandhouding filmen tussen het zoontje van de chauffeur en een bevriende passagier. Door de filmische oplettendheid van de regisseur is dit waagstuk toch gecontroleerder dan op het eerste gezicht lijkt. De passagier, een eenzaat die net een blauwtje heeft gelopen, is op zoek naar zichzelf en een baantje, en lijkt wel een misnoegde reactionair. Maar de zaken draaien anders uit dan voorzien en door het verlengde samenzijn zoekt de jongen toenadering, want als vakantiekind voelt hij zich net zo goed eenzaam. Zo ontstaat wederzijdse sympathie. Tijdens het half uur speelduur word je als kijker vroeg of laat geraakt door de haast documentaire observatie. Een en ander werkt door de feilloze verstandhouding tussen de acteurs/vrienden. Bij de prijsuitreiking pleitte Emmanuel Marre voor een intuïtief soort cinema die verder durft te kijken dan de klassieke productiecircuits, want zo worden vaak opmerkelijke resultaten geboekt.

Na deze prijs willen we de schijnwerpers richten op de twee andere prijzen voor Belgische producties. De verhouding tussen het aantal geselecteerde en bekroonde Belgische films was dit jaar bijzonder hoog, en dit komt zo zelden voor dat we er even bij stilstaan.

Met de nationale prijs voor de Beste Franstalige Animatiefilm leverde Arnaud Demuynck (La Boîte... Productions/Les Films du Nord) het zoveelste bewijs van de efficiëntie van zijn Frans-Belgische team. En toegegeven, met TOTEMS maakte Paul Jadoul een juweeltje van acht minuten. Als een houthakker klem komt te zitten door een boom die boven op hem is gevallen bevrijdt hij het dier in zichzelf. Je moet wel met hem meeleven in zijn penibele situatie. De jury werd gecharmeerd door de grafische kleurenchoreografie van de film.

In de categorie ‘Labo’, waar aangaande vormelijke experimenten zowat alles is toegelaten, won Vincent Lynen van het Gentse KASK de Canal Plus-prijs. In zijn film PLAY BOYS figureren gangsters, ballonnen, meisjes in bikini, een zwembad, volle en lege flessen ... kortom, een bizarre beestenboel op het ritme van claxons en geweervuur. In het verhaal, dat zich op verschillende niveaus afspeelt, worden buitenbeeldse ruimte en achtergrond door elkaar gehaspeld via zijwaartse camerabewegingen. De mallemolen draait maar door, tot een arme mus die toevallig langskomt het slachtoffer wordt.

Die laatste winnaar was geen toonbeeld van menselijkheid, maar de uitzondering bevestigt nu eenmaal de regel. Want er waren ook andere tendensen en benaderingen, die net de voortdurend veranderende diversiteit van het festival uitmaken. Dit alles wordt trouwens op prijs gesteld door een publiek met de reputatie van luidruchtigheid en veeleisendheid. Het raakt nooit verzadigd en vraagt almaar meer ... menselijkheid.

Het volledige overzicht van de bekroningen is te vinden op www.clermont-filmfest.com.

Beeld: LE FILM DE L’ÉTÉ (Emmanuel Marre)

Vertaling door Gorik de Henau

Geschreven door THIERRY ZAMPARUTTI