Berlinale: schreeuw om hulpverlening

Enkele dagen nadat THE KINDNESS OF STRANGERS het festival opende, houdt de Berlinale vast aan haar zorg om mentale gezondheid.

Met de openingsfilms van de Berlinale kan je alle kanten uit: voor elke Isle of Dogs (2018) is er een Django (2017). Hoewel sommige keuzes al snel verdwijnen in de plooien van de filmgeschiedenis, zetten ze in de festivalbubbel toch de toon. In THE KINDNESS OF STRANGERS van de Deense Lone Scherfig vlucht Clara (Zoe Kazan) samen met haar twee jonge zonen weg van haar gewelddadige echtgenoot. Hun doel is een magisch Manhattan dat goudgeel glimt tussen enkele grauwe buildings. Met mistige, hoopvolle blik kijkt Kazan naar een wonderlijke skyline. Wat volgt is echter koukleumen in de kille straten van New York en beschroomde bezoekjes aan opvangcentra voor daklozen. Met haar kinderen onder de arm kruist Clara het pad van een zorgzame verpleegster (Andrea Riseborough), een stoethaspel met een gouden hart (Caleb Landry Jones) en een vrijgelaten gevangene (Tahar Rahim) die werkt als een kok in het restaurant van een minzame eigenaar (Bill Nighy). Zij zijn de onbekenden die haar hartelijk ontvangen en helpen. De aaneenrijging van hun ontmoetingen is echter al even subtiel als de strijkers en piano die regelmatig crescendo gaan. Aangekondigd als een hedendaags sprookje ontbreekt het THE KINDNESS OF STRANGERS aan fabelachtige verwondering terwijl het ook de prangende actualiteit wegmoffelt onder clichématige dickensiaanse elementen.

Dat de hulp van individuen soelaas biedt waar structurele opvang faalt, doet Scherfigs melodrama nog enigszins denken aan een film die past binnen het motto van de Berlinale dit jaar: “Het persoonlijke is politiek.” Finaal is THE KINDNESS OF STRANGERS echter noch persoonlijk noch politiek. De titel van competitiefilm SYSTEMSPRENGER (Nora Fingscheidt) wijst wél op het snijvlak van die twee: de negenjarige Benni botst op de grenzen van elke vorm van hulpverlening. Ze doet het systeem springen: opvanghuizen weten geen blijf met haar agressieve uitvallen, haar instabiele moeder haalt haar liever niet weer in huis. De zorgzaamheid van vreemden, in deze film professionele begeleiders, is groot. Maar wanneer Benni een rode (of: roze) waas voor de ogen krijgt, onderstreept met stevige gitaarmuziek, is er geen land met haar te bezeilen. Na een zoveelste crisis lijkt ook de film niet goed te weten waar het heen moet. Nina Simones ‘Ain't Got No/I Got Life’ op de credits zoekt hoop dwars door wanhoop, maar de biografische achtergrond van de song – te zien in What Happened, Miss Simone? op Netflix – is niet bijzonder hoopgevend.

Ook de competitiefilm DER BODEN UNTER DEN FÜßEN speelt zich gedeeltelijk af in ziekenhuizen en de mentale gezondheidszorg. De Oostenrijkse Marie Kreutzer laat de paranoïde schizofrenie van de oudste van twee zussen schuren tegen de werkomstandigheden van de jongste zus, Lola, een workaholic die al haar tijd investeert in consulting voor de ‘reorganisatie’ van bedrijven, maar het leven van haar oudere zus niet ‘gemanaged’ krijgt. Het onderwerp en het hoofdpersonage Lola (Valerie Pachner) doen denken aan Maren Ades Toni Erdmann (2016), maar dan zonder het minste spoor van diens surrealistische humor. Daarvoor komt een mysterieuze, soms thrillerachtige kwaliteit in de plaats. Kreutzer legt de diagnose van haar hoofdpersonage niet helemaal vast, al toont DER BODEN UNTER DEN FÜßEN wel dat Lola’s persoonlijke en familiale crisis ook het falen is van een doldraaiende bedrijfswereld. Daar kan geen fitnessfiets of herstructurering tegenop.

Beeld: Systemsprenger

Geschreven door BJORN GABRIELS