Bill Forsyth te gast in Antwerpen

De Schotse scenarioschrijver en filmregisseur Bill Forsyth (1946), bekend van bescheiden filmparels zoals “That Sinking Feeling” (1979), “Gregory’s Girl” (1981) en “Local Hero” (1983), lijkt al een hele tijd van het filmtoneel verdwenen. Zijn laatste film, de sequel “Gregory’s Two Girls”, dateert al van 1999. Je zou bijna gaan denken dat de tweevoudige BAFTA-winnaar (voor het scenario van Gregory’s Girl en de regie van Local Hero) het heeft gehad en nu rust op zijn lauweren. Maar, ook al is hij nooit echt een productieve filmer geweest, die veronderstelling strookt niet echt met de werkelijkheid.

Eind juli bracht hij nog een bezoek aan Antwerpen waar hij in Cinema Zuid een sleutelfiguur was in het Zomerfilmcollege, een filmfeest met twintig lezingen door binnen- en buitenlandse filmspecialisten, en dertig films met specials rond de Amerikaanse acteur Burt Lancaster (1913-1994) en de Franse regisseur Jean-Luc Godard (1930). Een waardevol initiatief waar de Vlaamse Dienst voor Filmcultuur de schouders onder had gezet. Bill Forsyth liet zich er alvast opmerken door zijn gastcollege, met tussenin ook dit gesprek.

FILMMAGIE: Na “That Sinking Feeling” (1979) en “Gregory’s Girl” (1981) werd je meteen bejubeld en gelauwerd als scenarioschrijver en regisseur. Waar en hoe heb je het vak geleerd?
BILL FORSYTH: Al 51 jaar werk ik in de film; ik ben in 1964 begonnen toen ik pas 17 jaar was. Ik had in Glasgow net de school verlaten en kon bij een plaatselijke krant als leerjongen aan de slag in opdracht van een filmmaatschappij. Ik was niet echt geïnteresseerd in film, maar het bleek een boeiende job, heel anders dan een klassieke baan in een bedrijf of in een fabriek. Toch heeft het geduurd tot 1979 alvorens ik met “That Sinking Feeling” mijn eerste film maakte. Intussen had ik in Schotland met een zakenvennoot wel een eigen onafhankelijke maatschappij opgericht voor het maken van documentaires en promotiefilms. Na verloop van tijd werd het echter minder interessant: Schotland is een klein land en een echte filmbranche was zo goed als onbestaande. Vandaar dat ik de hoop koesterde om zelf speelfilms te maken, alleen geld was een probleem. Het was zo goed als onmogelijk om een film te kunnen financieren, dus ben ik in Glasgow in het jeugdtheater jonge acteurs gaan zoeken voor wat “That Sinking Feeling” zou worden, een film die nauwelijks geld mocht kosten. Het scenario dat ik had geschreven, was gebaseerd op het Glasgow van toen, een troosteloze stad zonder veel economische perspectieven, en mijn verhaal was ook geschreven op het lijf van de jongeren uit het jeugdtheater. De meesten die aan de film meewerkten, deden dat trouwens gratis. Velen waren overigens werkloos. De opnames duurden drie weken, dat was in april 1979, en tegen augustus van dat jaar was de film klaar om te worden vertoond tijdens het Edinburgh Film Festival waar hij heel goed werd ontvangen. Zo is het allemaal begonnen: “That Sinking Feeling” kwam meteen in de spotlights en nadien kon ik “Gregory’s Girl” maken met een beperkt budget.

Hoe komt het dat je films zo goed werden ontvangen? Is het omdat ze zo fris en origineel waren, of vanwege de jonge en onbekende acteurs die met hun vertolkingen een heel goede indruk nalieten?
B.FORSYTH: Ik denk dat het komt omdat wij toen de eerste échte Schotse speelfilms maakten. “That Sinking Feeling” mag je gerust beschouwen als de eerste film van Schotse bodem, en dàt was het verrassingseffect, denk ik. Er werden eerder wel films in Schotland opgenomen, maar dat waren Amerikanen of filmmakers uit Londen die in Schotland op locatie kwamen draaien. “That Sinking Feeling” was op-en-top een eigen Schotse productie.

Hoe belangrijk is David Puttnam voor je geweest? Hij was een succesvol filmproducent die in de jaren 70 en 80 heel wat jonge filmers kansen heeft gegeven; jij maakte met hem in 1983 “Local Hero”.
B.FORSYTH: Heel wat jonge regisseurs heeft hij een duwtje in de rug gegeven. Hij kwam uit de wereld van de tv-reclame; er was toen een hele generatie die vanuit die advertentiewereld in de film stapte, want je had ook Alan Parker, Hugh Hudson, Ridley Scott, enz. David behoorde tot die groep en na het succes van “Chariots of Fire” (1981) vroeg hij me op de man af: ‘Waarom maken we niet samen een film in Schotland? Als jij met een voorstel komt en we vinden enkele Amerikaanse acteurs, dan wordt het veel gemakkelijker om de financiering rond te krijgen.’ Zo is “Local Hero” ontstaan, en ik stelde hem het verhaal voor met de oliewereld als achtergrond, toen een brandend actueel thema in Schotland. Ik moest alleen nog maar het scenario uitschrijven, hij zorgde voor het geld.

Burt Lancaster speelde daarin de hoofdrol. Je werkte altijd met jonge, onbekende acteurs, en daar had je dan plotseling een gereputeerde filmveteraan zoals Lancaster op je filmset?
B.FORSYTH: Alle acteurs hebben dezelfde behoeftes, ze willen allemaal dat je hen kan vertrouwen, dat ze kunnen werken in een veilige omgeving die hen ondersteunt en indien ze ergens aan twijfelen, dat je hen gaat helpen. In alle eerlijkheid kan ik zeggen dat ik geen verschil heb gemerkt tussen een filmster zoals Burt Lancaster en de jongeren met wie ik heb gewerkt. Van mij als regisseur verlangden ze allemaal hetzelfde: ze moesten heel goed weten waarom ze daar voor de camera stonden, wat hun beweegredenen waren. Vroeger, voordat ik met acteurs werkte, dacht ik altijd dat je een acteur moest uitleggen hoe hij moest acteren, maar dat is natuurlijk onzin, want ze weten het zelf maar al te goed. Het enige waar je als regisseur op moet letten, is dat ze het op het juiste moment ook bréngen. Als je dàt als regisseur in de gaten houdt en goed opvolgt, dan weet je waarmee je bezig bent.

Hoe reageerde Hollywood op je eerste successen? Waren ze meteen bereid om je volgende films te financieren?
B.FORSYTH: Nee, zo is het niet gegaan. Ik heb wel aanbiedingen gekregen, maar die boeiden me niet echt. Ik sta liever aan de zijlijn in een studiosysteem. Ik wist zelf heel goed wat ik wilde en welke scenario’s ik wilde schrijven, maar in de film zitten ze niet te wachten op een filmregisseur die zijn eigen scenario’s wil verfilmen. Ze houden dat liever gescheiden, dan hebben ze er meer controle over. De combinatie van scenarioschrijver-regisseur is voor een filmcarrière met het oog op commercieel succes niet altijd even geslaagd. Voor mij is dat niet erg; ik was nooit erg geboeid door de Hollywoodcinema of - tot op zekere hoogte - de commerciële film. Daarom ben ik er ook niet lang geweest.

Housekeeping” (1987) met Christine Lahti was je eerste film met een scenario dat je baseerde op een boek. Voordien waren je scenario’s altijd ontsproten vanuit je eigen inspiratie. Was het een voordeel om nu te beginnen met een boek?
B.FORSYTH: Ah ja, maar de film was nog altijd ‘mijn’ project. Ik had de rechten van het boek zelf gekocht en ik baseerde het scenario op wat ik had gekocht. Het was geen film in opdracht van anderen, er is niemand naar mij gekomen met de vraag ‘Zullen we dit boek verfilmen?’ Toen ik het scenario klaar had, heb ik een producent gezocht en we hebben de film gemaakt. Ik vond het gewoon een zeer goed boek, te goed om het niet te verfilmen.

In een van je laatste films tot dusver, “Being Human” (1994), speelde Robin Williams de hoofdrol: vijf personages in vijf verschillende tijdperken. Hoe kijk je terug op jullie samenwerking?
B.FORSYTH: Er zijn twee Robins, vind ik: er is de komiek, zo is hij ook bekend en zo was hij een fenomeen, zéér vindingrijk; hij kon improviseren aan een hels tempo. Dat was dus de ene Robin. De andere Robin was een zeer ernstig en zeer goed opgeleid acteur, uiterst professioneel, die zich ernstige vragen stelde bij de achtergrond van zijn personage. En dat is de Robin die ik heb leren kennen, want ik maakte geen gebruik van zijn komisch talent, wel van zijn dramatische kracht. Het was een hele onderneming, want hij speelde vijf personages, we filmden zowat overal, en na enkele weken moest hij alsmaar van personage veranderen wanneer we aan een volgend tijdperk begonnen. Maar hij was zeer toegewijd en vlot om mee te werken. Tussendoor moest hij wel even uit dat strakke keurslijf kruipen en de komische toer opgaan, en begon hij spontaan te improviseren, het moest er gewoon even uit. Dan zei hij wel eens, ‘Just roll the camera.’ Hij moest dan stoom aflaten, meer niet. ‘Okay Robin, this one’s for you!’ zegden we dan. Maar niets dan lof over Robin Williams. Een zeer gedisciplineerde acteur.

Een heel ander verhaal hebben we met “Breaking In” (1989). Heb je toen geen risico genomen met Burt Reynolds in de hoofdrol, zijn eerste echte karakterrol, terwijl je hem zulke rollen niet meteen zou aangeven? Je zou hem ook nooit verwachten in jouw films.
B.FORSYTH: Neen, een risico was het niet. Hij had bijna twintig jaar lang hetzelfde personage gespeeld, en dan kom je als acteur uiteindelijk toch op een keerpunt. De klok staat niet stil, weet je. Je kan een bepaald soort van rollen wel een tijd spelen, maar bij het ouder worden, komt ook een zekere maturiteit. Bij hem was er een ‘time out’ om niet weer opnieuw en voor de zoveelste keer Burt Reynolds te moeten spelen, hij was klaar voor een nieuwe uitdaging. Bovendien was het een low-budget film, veel geld stond er dus niet op het spel. Het was gewoon een film, meer niet, het was ook niet alsof de hele wereld er ongeduldig op zat te wachten (lacht).

Heb je ooit je ideale film kunnen maken, zoals je hem bij het schrijven van het scenario in je hoofd had?
B.FORSYTH: Neen. Wanneer je een scenario schrijft en je gaat het nadien verfilmen, dan is de scenarioschrijver altijd teleurgesteld in de film terwijl als regisseur kan ik de verwachtingen van mezelf als schrijver nooit helemaal waarmaken. Wanneer je een scenario schrijft, zijn de verwachtingen zeer hoog, je kan je alles perfect voorstellen zoals het er moet uitzien, maar zo krijg je het nooit op het scherm. Er zijn altijd wel ergens beperkingen, dingen die veranderen, en compromissen die je moet sluiten. Soms wordt het dan ook beter, vanwege de inbreng van de acteurs of de cameraman bijvoorbeeld, maar het scenario blijft altijd fantasie en het is enorm moeilijk om op de set die perfectie te bereiken. Maar zo gaat het met veel dingen die we doen. En wie wil uiteindelijk die perfectie?

Ooit heb ik een artikel over je gelezen, waarvan de titel luidde: “Success came just in time for the award-winning director of “Gregory’s Girl”, but then he walked away from filmmaking and never looked back’. Is dat een accurate omschrijving van je carrière en van de persoon die je bent?
B.FORSYTH: Ik kan die titel wel begrijpen, maar het klopt niet. Zo creëer je een stereotiep beeld van een filmmaker die dit wel en dat niet heeft gedaan. Ik kan me er in alle geval niet mee identificeren, want ik heb een carrière nooit vergeleken met een berg die je beklimt tot je de top bereikt. Films maken is iets dat ik doe, maar niet iets dat ik moét nastreven. Ik ben zelfs gelukkiger als schrijver, het leven is veel gemakkelijker als je uitsluitend maar moet schrijven. Ik heb in het verleden veel dingen geschreven die over voldoende potentieel beschikken om er een film van te maken. Altijd ben ik blijven schrijven want ik doe het graag, en het is niet echt moeilijk om nieuwe ideeën op papier te zetten. Misschien komt er nog wel eens een scenario uit mijn kast dat er al een hele tijd ligt, omdat er mogelijk iemand op me toe stapt en vraagt, ‘Waarom maken we daarover niet een film, en doen we het zus en zo?’ Ik ga ervan uit dat er altijd mogelijkheden zijn. Ik ben nog lang niet aan het einde van mijn Latijn, ik schrijf nog alle dagen, ben voortdurend bezig om iets op het getouw te zetten. Omdat ik nu ook ouder ben, ben ik ook meer relaxed. Ouder is beter (lacht), want je hebt een aantal vaardigheden ontwikkeld die je in je jonge jaren nog niet helemaal onder de knie had, en je kan je werk beter indelen: leven en werken zijn beter te combineren.

Wat heeft film je op persoonlijk vlak meegegeven, welke voldoening hou je eraan over?
B.FORSYTH: Mijn ouders behoorden tot de working class; zij bepaalden hoegenaamd niet hoe hun leven is verlopen. Ze moesten elke dag gaan werken, en moesten ervoor zorgen dat ze hun werk altijd konden behouden - zo gaat het overigens bij de meeste mensen. Bij mij is het anders verlopen; ik had mijn leven onder controle, ik had mijn werk onder controle, ik heb altijd voor mijn eigen werk gezorgd en dat - zo bekijk ik het althans - terwijl ik nooit echt heb moeten werken. Het filmproces even buiten beschouwing gelaten, moest ik nooit ’s morgens vroeg mijn woonst opstaan om te gaan werken. Ik moest nooit naar een werkplaats gaan om mijn boterham te verdienen, omdat ik de kans heb gekregen mijn creativiteit te kunnen uiten op een manier zoals ik het graag wilde. Wat een voorrecht. Omdat ik op mijn 17de ben gaan werken, heb ik nooit hogere studies gedaan. Dat vind ik wel een minpunt, maar film heeft me heel veel geleerd en heeft me ook geleerd om creatief te zijn. Het leerproces gebeurde dan niet op de gebruikelijke manier, zoals bijvoorbeeld bij mijn kinderen die aan de universiteit hun diploma hebben behaald, maar toch heb ik de neiging om ook te denken dat ik afgestudeerd ben, zij het dan op een andere manier. Elke film is als een research project, en daar hoort een uitgebreid leerproces bij. Wanneer je aan een scenario begint, raak je slechts de oppervlakte, maar dan ga je dieper graven, in de personages, de verhaallijn, enz. Neem nu “Being Human” met Robin Williams. Vooraleer ik aan het scenario begon, had ik een fantastisch jaar, want ik heb toen niets anders gedaan dan de periodes bestudeerd die in de film voorkomen, zoals de Romeinse periode, de koloniale periode, enz. Voor het ontwerpen van de sets en de kostuums werden historici ingeschakeld. We hadden het scenario naar vijf historici gestuurd, voor elke periode deden we een beroep op de meest aangewezen specialist ter zake, en zij verrijkten ons met hun kennis, hun bevindingen en hun expertise. Zoiets geeft je een ‘boost’, en na al die research kom je in de volgende fase: het uitwerken van het scenario, ‘the dramatizing and the fictionalizing’ om alles in de juiste plooien te krijgen. Dus als antwoord op je vraag, dàt is wat de filmbusiness me heeft gegeven: tijd, een leven en voldoende ruimte om te leren en iets creatiefs op te bouwen.

Antwerpen, Cinema Zuid – 26 juli 2015

Geschreven door LEO VERSWIJVER
 
onomatopee