Cannes 2019: Jeannette wordt Jeanne

Wie geboeid en verbaasd heeft gekeken naar Bruno Dumonts eerste film over Jeanne d’Arcs jeugd, zal ook het vervolg JEANNE appreciëren, nog steeds met de nu 12-jarige Lise Leplat-Prudhomme in de titelrol. En nog steeds gebaseerd op Charles Péguys 'Le Mystère de la charité de Jeanne d'Arc' uit 1910.

Dumont gaat verder met het verhaal van 'la pucelle d’Orléans' na haar vertrek uit Domrémy. Nadat Jeanne in 1429 Orléans heeft bevrijd, lijdt ze haar eerste nederlaag in Parijs, wordt ze gevangengenomen in Compiègne en in Rouen door de rooms-katholieke bisschop Pierre Cauchon veroordeeld voor ketterij. Ze is 19 wanneer ze sterft op de brandstapel, verzwolgen door de vlammen.

Het eerste deel van Dumonts diptiek, Jeannette, werd vertoond tijdens de Quinzaine in 2017. Wie toen halverwege is opgestapt, zal dat nu in JEANNE, geselecteerd voor Un Certain Regard, al vlugger opgeven. Ofwel, vermoed ik, net nadat de protagonist plots met een falsetstem “la douleur d’être chef de bataille” begint te zingen, een compositie van de Franse zanger Christophe, bekend van de song ‘Aline’. Ofwel nadat een elegant paardenballet een bloederige veldslag moet suggereren. Ofwel nadat de ridders in de Noord-Franse duinen aantreden à la Monty Pythons Holy Grail. Enkel de kokosnoten ontbreken.

Met JEANNE brengt Dumont wel een erg bizarre, maar uiterst interessante versie van Frankrijks meest geliefde heldin, diepgeworteld in het collectieve geheugen van de Fransen. Een film over Jeanne d’Arc is een film over Frankrijks grootste mysterie. Dat kan enkel via muziek, want alleen die is in staat om weer te geven wat er in haar ziel omging, beweert Dumont. Over de jeugd van het jonge plattelandsmeisje dat goddelijke stemmen hoort, is weinig geschreven. "Ik wil dat mysterie niet uitleggen, maar filmen. Mysteries moeten mysteries blijven", aldus de cineast, die in zijn elf films vaak extreem geweld en seksualiteit opvoerde, "gevangen in een zinderende esthetiek". In contemplatieve films als Hadewijch, L'humanité en La vie de Jésus koos hij voor niet-professionele acteurs, net als in JEANNE, met de uitzondering van Fabrice Luchini als Charles VII.

Klein hoopje hoop

Heel wat beroemde actrices hebben de rol van de jonge maagd van Orleans vertolkt, met als uitschieters de 35-jarige Franse toneelactrice Renée Jeanne Falconetti in Dreyers La Passion de Jeanne d'Arc (1928) en de 39-jarige Ingrid Bergman in Rossellini’s versie uit 1954. Verder nog door Michèle Morgan, Jean Seberg, Sandrine Bonnair en Milla Jovovich, maar nog nooit door zo’n piepjong meisje, symbool van onschuld en schoonheid, dat haar blik steevast naar de hemel of naar het spitsgewelf van de kathedraal van Amiens richt.

Als overtuigd atheïst is Dumont gefascineerd door het sacrale. En net als Buñuel en Pasolini kan een ongelovige blijkbaar de essentie van het geloof beter vatten: Nazarin, hier vertoond tijdens de Cannes Classics, over de ideale priester, en in Het evangelie volgens Mattheus, over Christus zelf. Sommigen vinden dat blasfemisch voor religie én voor de Franse geschiedenis. Maar naast de erg absurdistische benadering van het sacrale is er ook het elegische, de tristesse en de melancholie. Eigenlijk herleidt de atheïst de religieuze boodschap tot de essentie. Dumont vat het zo samen: “Jeanne d’Arc recouvre les grandes contradictions de la pensée française, elle tire dans tous les coins. Elle est pour le roi, contre le roi, elle critique l’Eglise qui en fera une sainte ! Toute la complexité de la pensée française, universaliste, catégorique, logique, est couverte par elle.

Als jong meisje van eenvoudige afkomst speelde Jeanne d’Arc een beslissende rol in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Vijfentwintig jaar na haar dood werd het proces tegen haar herzien. Ze werd onschuldig bevonden en kreeg de titel van martelares. In 1920 volgde de heiligverklaring.

In de eerste plaats was ze een symbool van de hoop. Dichter Charles Péguy – een inspiratiebron voor Dumont – maakte zelf een innerlijke groei door van atheïsme over katholicisme naar mystiek. Misschien was het aan dit icoon uit de Franse geschiedenis dat Péguy dacht toen hij ‘La petite espérance’ schreef, waaruit hier een strofe vertaald: “Maar wat me verwondert, zegt God, is de hoop. Daar ben ik van ondersteboven. Ze zien toch wat er in de wereld allemaal omgaat, en ze geloven, dat het morgen allemaal omslaat. Wat een wonder is er niet voor nodig, dat zij dat kleine hoopje hoop, nooit als overbodig ervaren, maar met voorzichtige gebaren in hun hand en in hun hart bewaren, een vlammetje dat keer op keer weer wankelt en dreigt neer te slaan, maar altijd weer weet op te staan, en nooit wil doven. Soms kan ik mijn eigen ogen niet geloven.”

Voor meer verslaggeving uit Cannes, zie filmmagie.be/nieuws.

Geschreven door KAREL DEBURCHGRAVE & FERNANDA OPDENACKER