Cannes 2019: trans-Atlantische trance

Iggy Pop en de andere ondoden uit openingsfilm THE DEAD DON’T DIE waren slechts een voorsmaakje van de zombies die Bertrand Bonello en Mati Diop op het scherm loslaten. Met heel wat meer scherpzinnigheid.

Voor zijn ZOMBI CHILD, deel van de 50-jarige Quinzaine des Réalisateurs, gaat Bonello terug naar de roots van de zombie in Haïti. Inspiratie vond hij in het waargebeurde verhaal van Clairvius Narcisse, geboren in 1922, gestorven in 1962, maar opnieuw deel van zijn familie begin jaren 80 tot hij opnieuw stief in 1994. Een medicijnman die zich bezighield met eeuwenoude voodoo zou Narcisse kort na zijn begrafenis uit het graf hebben gelicht en met poedertjes van zijn eigen wil en geheugen beroofd hebben om hem zo te kunnen inzetten als gewillige werkkracht. De connectie met slavernij is duidelijk aanwezig en speelt ook een rol in ZOMBI CHILD.

Bonello verwijst immers naar het duistere verleden van Frankrijk: voor de Franse kolonisator was Haïti een bron van grondstoffen én slaven, tot het land na een strijd tegen de Napoleontische troepen zijn onafhankelijkheid verwierf. Die geschiedenis trekt Bonello door naar vandaag. “Ik kende het bestaan ervan niet, maar toen ik voor het hedendaagse, Franse deel van ZOMBI CHILD een door Napoleon opgerichte internaatschool vond, kwam alles samen: Frankrijk, Haïti en slavernij”, zei de cineast na afloop van de wereldpremière. Die school is enkel bestemd voor leerlingen van wie de (groot)ouders mogen pronken met een légion d’honneur, de hoogste door de Franse staat verleende erkenning. Bonello laat een Haïtiaanse wees op het internaat terechtkomen. Daar krijgt ze les van onder anderen Patrick Boucheron, een Franse historicus die in ZOMBI CHILD de kans krijgt om een deels geïmproviseerde geschiedenisles te geven over het revolutionaire Franse liberalisme. “Hij vertelt over geschiedenis als een continu en discontinu proces”, geeft Bonello aan. “Dat past bij deze film, die gaat over het doorgeven van vrijheid.”

De cineast die in L’apollonide en Nocturama al de zucht naar vrijheid binnen een groep Franse jongeren onder de loep nam, zet zijn verkenning van de hedendaagse Franse cultuur en haar wortels voort in ZOMBI CHILD. Hij heeft daarbij oog voor zowel jeugdige energie als puberale lethargie. In Nocturama deed de terugtocht van de revolterende jongeren in het warenhuis al aan Romero’s Dawn of the Dead denken (in Frankrijk uitgekomen onder de titel Zombie). Nu plaatst hij de elitaire opleiding in Parijs in contrast met Haïtiaanse voodoo. Heden en verleden, (ex-)kolonisator en voormalige slavenstaat alterneren. Voor een internaatmeisje is het afspringen van een liefdesrelatie evenzeer een rede om een beroep te doen op voodoo (vergeet vooral de poppetjes-en-naaldenversie die de westerse populaire cultuur ervan maakte) als de historisch beladen invulling die zombies hebben in de Haïtiaanse cultuur. Bonello knoopt zo aan bij een andere zombietraditie dan die loopt van Romero over Evil Dead tot Jarmusch’ softe zombiesatire THE DEAD DON’T DIE (zie ons eerder verslag). Tijdens de Q&A verwees hij zelf al naar Wes Cravens The Serpent and the Rainbow uit 1988, ook een film gebaseerd op het verhaal van Clairvius Narcisse, en voeg daar gerust nog oudere zombieklassiekers als Jacques Tourneurs I Walked With a Zombie (1943) aan toe.

Overzees onbehagen

Het politieke potentieel van de niet-doden gaat evenmin verloren aan de Frans-Senegalese Mati Diop, die nu al de geschiedenis ingaat als de eerste vrouwelijke cineast van Afrikaanse afkomst in de hoofdcompetitie van het festival. Ook zij bouwt op fundamenten van het filmverleden, al gaat het bij haar minstens evenveel om de films van haar oom Djibril Diop Mambéty als om genrefilms. Haar middellange film Mille soleils onderzocht al de erfenis van Mambéty’s Touki bouki (1973). De koeien die in Diops ATLANTIQUE over de stoffige straten van Dakar kuieren doen opnieuw aan die klassieker denken, zelfs met meer bescheiden horens dan de iconische exemplaren op de motor van het hoofdpersonage uit haar ooms film. Verder speelt vooral een thematische echo: net als Touki bouki houdt ATLANTIQUE het verlangen naar de Europese wereld/arbeidsmarkt tegen het licht. In beide films lonkt een jongeman naar het westerse continent, terwijl hij een aan lokale gebruiken gekluisterde geliefde naast zich heeft. De precieze dynamiek (wie ontkomt waaraan) verschilt en ook de toon is anders: voor humor is er weinig plaats in ATLANTIQUE.

Diop start haar film met contrasten die wel vaker te zien zijn in wat we gemakshalve wereldcinema noemen: lokale ontbering steekt schril af tegen blitse uitingen van voortschrijdend kapitalisme. Hard labeur in schrijnende omstandigheden staan er naast een pronkerige glazen toren. Dat de arbeiders hun salaris al enkele maanden niet betaald hebben gekregen, zal de nouveau riche die hen heeft aangenomen worst wezen. Eigen gewin eerst.

Een van de miskende arbeiders is Souleiman, die zijn heil zoekt via een bootje op de oceaan. Hij laat zijn vriendin Ada achter, die een groep vriendinnen treft in een nachtclub. Economische uitdagingen en een onmogelijk gemaakte liefde zijn vaak de ingrediënten van migratieverhalen. Diop maakt daar in haar langspeeldebuut een intrigerende mix van ongrijpbare sfeerzetting (dankzij de stemmige fotografie van Claire Mathon en de gelaagde muziek van Fatima Al Qadiri) en sociaal-economische analyse. Zelf beschrijft de cineast de dynamiek onder de jonge vrouwen als “afrokapitalistisch neofeminisme”. Onbeschaamd materialistisch zoeken ze een betere toekomst voor zichzelf, nu heel wat jonge mannen de oversteek naar Europa hebben gewaagd, al dan niet succesvol. Het oord van die overtocht, de oceaan, wordt in terugkerende vignetten weergegeven met evenveel dreiging als stilistische idealisering.

ATLANTIQUE onderscheidt zich ook door heel onnadrukkelijk het bovennatuurlijke op te roepen. De geesten van overleden arbeiders en vrienden laten de ‘achterblijvers’ niet met rust. Hun stoïcijnse houding en witte bezeten blik doen aan de starende spiegelbeelden in Jordan Peeles Us denken, maar Diop slaat nooit de weg naar horror (of komedie) in. Wel is een geheimzinnige brand slechts het begin van de boodschap die de overledenen de levenden willen inpeperen. Gerechtigheid is hun vraag, de toekomst heeft hun antwoord.

Zowel ATLANTIQUE als ZOMBI CHILD werkt toe naar een finale die jonge vrouwen de sleutel voor de toekomst geven. Die toekomst is verankerd in het verleden. Tweemaal komt er een einde aan een slavenbestaan. Tweemaal richten ze hun blik naar de kijker.

Voor meer verslaggeving uit Cannes, zie filmmagie.be/nieuws.

Beeld: Atlantique

Geschreven door BJORN GABRIELS