Charlie Chaplins ‘The Tramp’ is een eeuweling

Een onopvallende, maar gedenkwaardige dag in de filmgeschiedenis: 7 februari 1914, precies honderd jaar geleden. In de VS wordt op kleine schaal (zoals toen gebruikelijk), de Keystone comedy short KID AUTO RACES AT VENICE uitgebracht. Op zich niks bijzonders, ware het niet dat in deze film Charlie Chaplin het personage van de tramp, de zwerver, de vagebond aan de wereld introduceert. Uitgegroeid in zijn latere films tot een onmiskenbaar en terugkerend fenomeen, is ‘The Tramp’ vanaf nu een volwaardige eeuweling geworden. Tijd voor de kaarsen.

Opgenomen op de zeedijk van Venice Beach, badplaats nabij Los Angeles, vertelt de film het verhaal van een cameraman die een kiddy-car race wil filmen en waarbij een komisch personage Charlie genaamd, er uit het niets opduikt, de kinderen nabootst en de cameraman stoort door voortdurend in beeld te komen. Hilariteit alom. Opgenomen in slechts drie kwartier, kreeg de film in ‘The Cinema’ honderd jaar geleden een lovende kritiek: “KID AUTO RACES struck us as about the funniest film we have ever seen. (…) Chaplin is a born screen comedian; he does things we have never seen done on the screen before.” Poëtische en profetische woorden uit de pioniersdagen die uitzonderlijk het buitengewoon en unieke talent van de man zouden blijven typeren.

Het was Chaplins tweede short, nadat hij precies een week eerder debuteerde in MAKE A LIVING, maar daarin was van het personage van de tramp nog geen sprake. Charlie Chaplin behoeft geen enkele introductie. Als privépersoon was hij niet onbesproken, maar als artiest, in de hoedanigheid van acteur-regisseur-scenarioschrijver-producent-filmcomponist-studiobaas was hij uniek, streefde de perfectie na en was een van de weinigen die er ook in slaagde om dat doel ook te bereiken. Ook al kostte het hem eindeloos veel takes, zoals in de slotscène van CITY LIGHTS (1931) waarin hij het geduld van actrice Virginia Cherrill, het blinde meisje uit de film, eindeloos op de proef stelde door de scène keer op keer vanuit dezelfde ‘angle’ te blijven filmen, het resultaat moést zijn zoals hij het in het hoofd had. Chaplin werkte heel autonoom, onafhankelijk, vastberaden, met de filmset als exclusief werkterrein: Chaplin was ‘the boss’.

Toen de Britse filmhistoricus Kevin Brownlow begin jaren tachtig van vorige eeuw zijn driedelige tv-documentaire UNKNOWN CHAPLIN (1983) maakte en van de familie uitzonderlijk toegang kreeg tot Chaplins privé-archief in de kelders van zijn landgoed in het Zwitserse Corsier-sur-Vevey (vanaf 2016 overigens officieel een Chaplin museum), werd hij met verstomming geslagen toen hij zag hoe Chaplin al zijn opnames, inclusief eindeloze retakes, nauwgezet had bijgehouden. Maar ook zijn oorspronkelijke scenario’s met talloze kanttekeningen, nota’s, memo’s, foto’s, home movies gedraaid op de set, enz. Het lag er allemaal voor het grijpen, zij het wel erg netjes geordend en geklasseerd. Heel Chaplins geniale manier van werken werd door Brownlow met kennis van zaken en bijzonder veel respect voor de man en zijn werk opgenomen in de documentaire.

Chaplin was in de eerste plaats een uitzonderlijk creatief en begenadigd artiest met een ongekende mimiek waarmee hij eindeloos veel emoties en gevoelens wist op te roepen die het publiek naar de keel grepen. Op het scherm was hij een man van weinig woorden maar van daden, en het was dan ook geen probleem toen hij zich niet overhaast liet meeslepen bij de opkomst van de geluidsfilm, eind jaren twintig. Hij bleef gewoon stomme films maken, tot en met MODERN TIMES (1936), met Chaplin wel niet langer als the tramp, maar wel als fabrieksarbeider. Vanaf THE GREAT DICTATOR (1940), zijn eerste geluidsfilm, kreeg hij een stem; enkele films en enkele decennia later zette hij met THE COUNTESS FROM HONG KONG (1967, met Marlon Brando en Sophia Loren, en Chaplin slechts in een kleine rol) een punt achter zijn illustere loopbaan.

De hoogtepunten van zijn carrière zijn talrijk, té talrijk om ze even op te sommen; werkelijk élke film tot en met LIMELIGHT (1952) is een absoluut meesterwerk dat nu nog altijd met open mond en immense verbazing kan worden bekeken en bewonderd, films die na al die jaren niet of nauwelijks voor enige verbetering vatbaar zijn. Zijn verhaallijn, timing en komisch vernuft waren van zo’n hoogstaande kwaliteit dat je ze kan vergelijken met de partituren van Mozart: de absolute perfectie. A DOG’S LIFE (1918), THE KID (1921), THE GOLD RUSH (1925), THE CIRCUS (1928), noem maar op, ze hebben alle hun eigen originele en weldoordachte spitsvondigheden en ze worden gekenmerkt door Chaplins unieke touch. De schrijnende dramatiek in THE KID (foto), de ludieke dans met de vorken in THE GOLDRUSH, de magistrale boksscène in THE CIRCUS, en van de (reeds vermelde) slotscène van CITY LIGHTS tot de onderdrukte melancholie in LIMELIGHT, de lijst van hoogtepunten is echt eindeloos.

Heel uitzonderlijk nam hij naast zijn feilloze en kenmerkende komische signatuur een zijspoor, zoals met A WOMAN OF PARIS (1923), een drama met Chaplin slechts in een onopvallende figurantenrol (als pakjesdrager in een station), en met voor het laatst in de hoofdrol Edna Purviance, gedurende pakweg 8 jaar en in ruim 30 films zijn vaste leading lady. Zij speelde nadien alleen nog in A WOMAN OF THE SEA (1926, a.k.a. THE SEA GULL), Joseph von Sternbergs onuitgebrachte film voor rekening van Chaplin, om nadien quasi spoorloos van het toneel te verdwijnen tot haar dood in 1958 (ze bleef wel nog al die jaren haar maandelijkse paycheck van Chaplin ontvangen).

Nog vóór 1920 was Chaplin een steenrijk zakenman met eigen filmstudio en -imperium, hij werd als een God vereerd en aanbeden, maar bijwijlen ook verketterd. Zijn zwak voor jonge vrouwen bezorgde hem meer dan eens negatieve publiciteit. Marlon Brando ergerde zich openlijk aan de brutale manier waarop hij zijn zoon, acteur Sidney Chaplin, behandelde op de set van A COUNTESS FROM HONG KONG. Toen hij op een dag op de set ook Brando hard wilde aanpakken, repliceerde Brando meteen: “Don’t you ever speak to me in that tone of voice.”

Bij zijn promotie voor LIMELIGHT in Londen kreeg hij te horen dat hij in de VS tijdelijk persona non grata was en dat Uncle Sam hem eerst aan de tand wilde voelen betreffende zijn communistische sympathieën. Dat schoot Chaplin in het verkeerde keelgat. Gevolg: hij keerde niet meer terug naar de VS, zou zich voortaan in Zwitserland vestigen en maakte nog slechts twee minderwaardige films. In 1972 keerde hij nog even naar Hollywood terug om er een ere-Oscar op te halen; zijn zonden werden hem vergeven, aangezien de filmstad zich unaniem achter de grootmeester schaarde, de veteraan die zijn navolgelingen leerde filmen. Ironisch genoeg won hij een jaar later nóg een Oscar, voor de filmmuziek van LIMELIGHT, die vanwege zijn verbanning uit de VS twintig jaar eerder pas in het begin van de jaren zeventig in de VS werd uitgebracht.

Behalve een overgetalenteerd en veelzijdig artiest hield hij als komiek ook wel van een ludieke en frivole uitdaging; zo deed hij begin jaren twintig incognito mee aan een Chaplin imitatiewedstrijd, gehouden in Hollywood. En ja hoor, hij eindigde …derde - verkleed als tramp, natuurlijk.

Geschreven door LEO VERSWIJVER
 
onomatopee