Doillon, de kers op de taart in Brussel

Terwijl het snoer van knappe, intrigerende films alsmaar langer wordt op de 13de editie van het Brussels Film Festival, met ruime aandacht voor de Oost-Europese cinema, werd de Franse filmer Jacques Doillon verwelkomd in Flagey. Aan hem is een heuse retrospectieve van bijna al zijn films gewijd, tot en met zijn meest recente: het beklijvende MES SÉANCES DE LUTTE, dat vanaf deze week alvast in Brussel in de bioscoop te zien is.

Die kleine groep van hoogwaardige films is intussen uitgegroeid tot een behoorlijk lange lijst. BODY (foto) van Malgorzata Szumowska, de Poolse cineaste van het opmerkelijke 'In the Name of...” , kon vermoedelijk geen betere titel bedenken, omdat haar jongste film nu eenmaal gaat over het lijf dat soms niet volgt wat de rede ingeeft. Het drama vertrekt van een anorexia patiënt, maar blijkt al snel veel verder te gaan dan dat. De openingsscène bijvoorbeeld waar een gehangene, door het parket van de strop ontdaan terug tot leven komt en wegwandelt is een metafoor voor het leven dat verder gaat, of men er al dan niet aan deelnemen wil is bijkomstig. In Berlijn werd de film begin dit jaar nog met de Zilveren Beer bekroond.

THE REAPER van de Kroaat Zvonimir Juric waarin een vrouw met autopech geholpen wordt door een boer die in het verleden iemand verkrachtte is minimal cinema. Die stijlfiguur biedt de mogelijkheid om een en ander grondig te bestuderen en tevens een idee te ontwikkelen over deze ambigue figuur. Zijn gedrag wordt nooit uitge- of verklaard, al hoeft dat ook niet, zo is het leven nu eenmaal. Helaas is de veroordeling van de goegemeente voor een misstap van een individu dat ook.

In KOZA van Slovaak Ivan Ostrochovsky speelt een voormalige bokser zichzelf. Het is evenwel geen documentaire. Opmerkelijk toch wel dat op traningsvest van de sportman 'Slovakia' prijkt. Is elke sportfiguur van een internationaal gerenommeerd sportevenement niet het uithangbord van het land dat hij vertegenwoordigt? Een geslaagde metafoor bijgevolg van landen uit het oosten van Europa, die weliswaar deel uitmaken van het grotere Europese geheel intussen, maar waar het individu er stapsgewijs op achteruitgaat, hoezeer hij ook zijn best doet.

Begin deze week waren alle ogen in Brussel gericht op eregast Jacques Doillon die een masterclass verzorgde, gemodereerd door de Waalse filmmaker Fréderique Fonteyne, en 's avonds ook nog even langs ging in de Cinematek om het er even over zijn werk(wijze) te hebben én om zijn jongste film MES SÉANCES DE LUTTE even in te leiden. Hierbij enkele uittreksels uit het vraaggesprek.

FF: Wie heeft je als filmmaker beïnvloed ?

JACQUES DOILLON: Robert Bresson een beetje, maar in feite niet zo veel filmers ... Weet je, de financiering is verantwoordelijk voor veel vervelende films op tv. Er is hooguit één percent dat me boeit en de cinema vandaag in is hoge mate verwaarloosbaar geworden.

– Hoe schrijf jij jouw dialogen ?

J.DOILLON : Aanvankelijk zijner zelfs geen dialogen, die komen pas veel later in het filmproces. Het grappige is dat de personages zich gaan ontwikkelen na een openingsscène. Wat doen ze en hoe verhouden ze zich met elkaar? Ik ken die personen niet eens echt misschien maar ze boeien me wel. In 'La drolesse' bijvoorbeeld herken ik niet het geheel, wel nogal wat faits divers, die deel uitmaakten van het tot stand gekomen geheel.

– Is je manier van filmen verandert in de loop der jaren ?

JD : Nee, ik voel me in een soort mist, dat is altijd al zo geweest en zal ook niet meer veranderen. Het is niet omdat een scène goed werd voorbereid dat ze ook werkt. Dat is niet de schuld van de crew of de acteurs, het gebeurt en voelt niet goed aan. De plaats van handeling kan zich ook verplaatsen van een tuin naar een huis of een woonkamer. Alles kan veranderen tijdens de opnames.

– Hoe evolueert de opbouw van een scène dan ?

J.DOILLON : Intuïtief bijna, ik heb nooit andere cineasten zien filmen. De werkwijze van Jacques Rivette is me niet onbekend, dat kan men afleiden wanneer je naar zijn films kijkt (lacht)

– Wat vind je van de films van iemand zoals Mike Leigh ?

JD : Hou ik daarvan? Dat is de eerste vraag... Ik weet het niet, dat soort cinema maakt me ongerust.

– Alles verandert in cinema, hoe ga jij daarmee om ?

J.DOILLON : In de jaren 80 was het eenvoudiger dan nu in hert begin vd 21ste eeuw, de jongste 15 jaar zeg maar. Ondanks alles blijven we toch altijd nog een manier vinden om onze films te kunnen blijven maken.

– Moet je als filmmaker tijdens de opnames verrast worden?

J.DOILLON: Ik ben huiverig voor films met 900 of meer uitgeschreven scènes. Met die werkwijze ontbreekt het verrassingselement.

– Wat kan een montage bijdragen ?

J.DOILLON : Wij nemen altijd een film op in chronologische volgorde. Dus de montage is veeleer een logisch gevolg van wat er werd opgenomen. Het is een manier om de film levendig te houden.

– Wat geeft je het meeste plezier bij het films maken ?

J.DOILLON: Ik droom ervan om films te maken. Houdt dat ooit eens op dan word ik tuinier of zo. Eén van de drie films die John Cassavetes nooit maakte, daar droom ik dus van, maar ik vergat de droom te noteren helaas. Men moet blijven zoeken naar de beste scène, het juiste ritme, de correcte belichting... het blijft een zoektocht naar de meest geloofwaardige, realistische scène. Wanneer de camera draait leeft er iets.

– Hoe kies je de acteurs ?

J.DOILLON : Dat is een moeilijke vraag. Het is een budgetkwestie geworden en bijgevolg wordt het soms de 5de of 6de keuze, maar ik ben nooit in een finale keuze teleurgesteld. Tegenwoordig is het moeilijk omdat de lange – 8 à 10 minuten durende – takes niet door gelijk wie kunnen gespeeld worden. Theateracteurs kunnen die scènes wel aan, maar dat moeten ze ook nog willen doen. Daarbij komt nog dat een film al vlug 1 miljoen euro kost; dan kan je met onbekende theateracteurs werken maar wie wil dat financieren. De tv is een grote producent van films maar helaas primeert voor hen niet kwaliteit. Het lijkt wel of ze vulling zoeken tussen de reclameboodschappen.

In het filmmuseum loopt tot eind augustus een retrospectieve van het oeuvre van Jacques Doillon.

Geschreven door ZENO CORNELIS
 
onomatopee