Erwin Provoost, nieuwe baas van het VAF

Een verrassing is het niet te noemen, de aanstelling van Erwin Provoost (°Gent, 1954) als nieuwe intendant bij het Vlaams Audiovisueel Fonds. “De continuïteit verzekeren is de eerste opdracht.”

Televisie- en filmproducent Erwin Provoost zal vanaf 1 januari 2018 Pierre Drouot opvolgen. Provoost zal als derde intendant van het VAF de voetstappen drukken van Drouot, ook hij ooit producent, die deze positie overnam na het tumultueuze ontslag van Luckas Vander Taelen in november 2005.

Provoost startte in 1981 als producent van fictiefilms (eerst Multimedia, vervolgens MMG en Eyeworks). Hij gaat er prat op zowel commerciële hits als arthousefilms te hebben geproduceerd. De Urbanus-films Hector (1987) en Koko Flanel (1990) van Stijn Coninx, en ook De zaak Alzheimer (Erik Van Looy, 2003) scoren hoog in de best bezochte Vlaamse films aller tijden. Daarnaast produceerde Provoost de eerste films van opkomende regisseurs Marc Didden (Brussels by Night, 1983; Istanbul, 1985) en Dominique Deruddere (Crazy Love, 1987; Wait Until Spring, Bandini, 1989).

Vanaf 1995 kwamen daar ook televisiereeksen bij: Windkracht 10 (1997-1998) en Flikken (1999-2009). Eyeworks groeide uit tot een van de grootste producenten in Vlaanderen, die in de VAF-periode bestendig een flink deel van de ondersteunde projecten vertegenwoordigde. Later was Provoost, als CEO van Eyeworks Belgium, ook verantwoordelijk voor programma’s als Sterren op de dansvloer en Masterchef.

Ondertussen verwierf Provoost ook de rechten op de films van het productiehuis Kunst en Kino, geleid door voorganger Jan Van Raemdonck (Mira, Pallieter, Het verdriet van België, De Leeuw van Vlaanderen enzovoort), en de films van regisseur-producent Roland Verhavert (onder meer Het Afscheid, Zaman, Rolande met de bles). Zo beschikt Eyeworks over een groot deel van de Vlaamse filmcatalogus.

In 2013 verliet Provoost Eyeworks om aan de slag te gaan als directeur media bij WPG Uitgevers. Daar moest hij de boekenuitgever uitbreiden tot een multimediaal merk. Zijn ervaring als televisieproducent kwam van pas, want met productiehuis Het Konijn – nieuw opgericht samen met zijn zoon Alexander en Cheeru Mampaey – maakte hij de kinderserie Kattenoog, gebaseerd op de gelijknamige, bij WPG uitgegeven kinderboeken van Anjali Taneja.

Ondanks het afscheid bij Eyeworks kruipt het producentenbloed dus waar het niet gaan kan. Begin dit jaar dook Provoost bovendien op bij Lecter Media, opgericht in het voorjaar van 2016 door Guy Goedgezelschap en Jan Segers, beiden jarenlang werkzaam voor Medialaan (VTM). Het nieuwe productiehuis maakt onder andere Axel opgelicht, Sofie in de keuken van … en Bartel in het wild. Lecter Media had al een sterke band met voormalige Eyeworks-sterkhouders, want medeoprichters van Eyeworks Reinout Oerlemans, Robert van den Bogaard en Ronald van Wechem besloten te investeren.

Kiezen is keuzes maken

Als intendant van het VAF zal Provoost uiteraard afstand moeten doen van zijn producentenrol. En wordt hij verantwoordelijk voor een landschap dat meer behelst dan op commercieel succes gerichte televisiereeksen. Behalve een persbericht leggen Provoost en het VAF voorlopig geen bijkomende verklaringen af over de plannen die Provoost de komende zes jaar zal uitrollen. Wel staat vast dat het VAF met Provoost heeft gekozen voor bestendige continuïteit. Al geeft hij in het persbericht wel aan oog te hebben voor het veranderende filmlandschap: “De audiovisuele sector is in volle (r)evolutie en hierop zal het VAF samen met producenten, regisseurs en auteurs in de komende jaren een antwoord moeten formuleren.” Wie antwoorden wil geven, moet natuurlijk wel vertrekken bij relevante vragen.

Vooraf gaven critici aan weigerachtig te staan tegenover een intendant uit een van de grote productiehuizen in Vlaanderen. Met Provoost aan het roer blijft de vraag hoe het kleinere, meer gedurfde producties zal varen. Na zijn lange carrière bij slokop Eyeworks verklaarde Provoost bij de oprichting van Het Konijn in De Morgen: “Het Konijn is een zeer klein productiehuis en dat is een bewuste keuze na de grote machines die ik gekend heb. Die grootte maakt het sommige productiehuizen zeer moeilijk: als de kosten almaar stijgen, ben je verplicht te produceren. De machine moet draaien.”

Zal het VAF in de toekomst, met de beperkte middelen, keuzes kunnen maken die verder kunnen reiken dan ‘grote machines doen draaien’ omdat ze nu eenmaal bestaan? Met producties die au fond rekeningen moeten doen kloppen eerder dan het hart van de kijker sneller doen slaan?

Hoe dan ook moet het VAF zich buigen over de hoeveelheid Vlaamse films die uitkomen. Tot nu toe focust de discussie daarover vooral op kwantiteit – zie bijvoorbeeld dit Terzake-item uit het najaar van 2015 – en nauwelijks op kwaliteit. In een enigszins vergelijkbaar debat over het aantal boeken dat in Vlaanderen verschijnt, verklaarde Provoost op Radio 1 kort na zijn aanstelling bij uitgeverij WPG: “We gaan zeer bewust iets minder uitgeven. In een uitgeefcomité gaan we een strengere selectie maken en langer praten over de vraag of het [boek] zin heeft. Er is geen genre waar we in gaan snijden, maar we willen kijken waar we naartoe willen. Vergeet niet dat WPG staat voor schoonheid, inzicht en relevantie, en daar moeten we ons aan houden.”

Krijgen we ook “schoonheid, inzicht en relevantie” in de Vlaamse film, met minder producties? In het eerder aangehaalde interview met De Morgen legde Provoost, gevraagd of er in Vlaanderen niet te veel fictie wordt gemaakt, enkele verschillende opties voor, evenwel zonder een keuze te maken: “In Denemarken hebben ze meer middelen, maar maken ze minder dan wij. In Vlaanderen maken we misschien de meeste fictie van West-Europa. Het is moeilijk die balans te vinden, maar er valt voor de twee iets te zeggen. Hoe meer je produceert, hoe groter de kans op kwaliteit. Zo kunnen mensen ook ervaring opdoen. Zouden Matthias Schoenaerts of Michaël Roskam in de Verenigde Staten zitten als we minder geproduceerd hadden? Maar je kunt evengoed zeggen dat we nu naar de toekomst moeten kijken met de middelen die er zijn. Moeten we niet minder produceren, maar bijvoorbeeld één keer per jaar een groot project? Maar als we minder gaan produceren, creëer je wel drama’s omdat er nu zoveel mensen in deze sector werken. Dat is dus geen simpele discussie. Wat ook meespeelt, is dat mensen vandaag veel fictie zien dankzij de Netflixen van deze wereld. Daardoor hebben ze een bepaald referentiekader. Als Vlaamse producer zul je daaraan moeten beantwoorden.” Nu hij intendant wordt, zal Provoost andere antwoorden moeten bedenken dan die hij als producent naar voren schoof. Eén prangend voorbeeld: produceren is één zaak, distribueren een andere. Pas onlangs heeft het VAF een bescheiden steunprogramma voor (Vlaamse) arthousefilms op poten gezet.

In het persbericht van het VAF stelt Jeroen Depraetere, voorzitter van de Raad van Bestuur van het VAF: “Niet alleen heeft Erwin een innemende persoonlijkheid, hij beschikt ook over de nodige kwaliteiten om het VAF te leiden in een sector die turbulente tijden meemaakt. De Raad van Bestuur steunt Erwin in zijn ambitie om het VAF verder uit te bouwen en nieuwe innovatieve stimulansen te geven aan ons groeiend Vlaams audiovisueel talent.”

Want ook dit is een relevante vraag: hoe geven we naast de kwalitatief stagnerende en kwantitatief geplaagde fictie ook de Vlaamse talenten in animatie, experimentele film en documentaire een kans? De groep talentrijke, net afgestudeerde makers groeit alsmaar aan. Het budget neemt niet toe. Er moeten keuzes gemaakt worden.

Beeld: Erwin Provoost (fotograaf: Stefan Temmermans)

Geschreven door BJORN GABRIELS