Filmmagie op setbezoek bij de tv-serie In Vlaamse Velden

Veurne. Hartje winter. Zo lijkt het wel. Een ijzige wind en een wat killige sneeuwregen dwarrelt over het West-Vlaamse landschap. We hadden beter de slee genomen om een bezoekje te brengen aan de set van de nieuwe prestigieuze Vlaamse fictiereeks voor Eén: IN VLAAMSE VELDEN. De serie speelt zich af in het begin van de Eerste Wereldoorlog en volgt de Gentse familie Boesman, waarvan de twee zonen naar het front trekken – de ene vol patriottisch enthousiasme, de andere met pacifistische tegenzin. Centraal in het verhaal staat echter de vijftienjarige dochter Marie (debutante Lize Feryn), die dokter wil worden, maar het moet doen met een job als verpleegster. Vier jaar Groote Oorlog zal ook bij haar littekens achterlaten, maar als volwassen vrouw zal ze in 1918 de toekomst rooskleurig tegemoet zien.

Het fictieve verhaal komt van Mark De Geest, als het ware begeesterd door WOI. “Hij weet er echt alles van,” vertelt producent Dirk Impens (Menuet). “Uiteraard is het verhaal sterk aangepast, maar de kern, de invalshoek is van hem.”

De serie kadert in de 100-jarige herdenking van de Groote Oorlog, waarvoor Eén een crossmediaal project heeft opgericht om de herinnering aan deze verschrikking levend te houden. De laatste oorlogsveteraan, Florence Green, is vorig jaar gestorven. Het Canvas-programma ‘De Allerlaatste Getuigen’ laat een twintigtal hoogbejaarde Vlamingen aan het woord die de oorlog als kind hebben meegemaakt. Canvas zendt in de aanloop van 2014 overigens de documentaire ‘Niets is zwart-wit’ uit, Eén pakt uit met de ook al prestigieuze WO I-serie Parade’s End, gevolgd door de 10 afleveringen van IN VLAAMSE VELDEN vanaf januari 2014.

Ook al verwelkomt producent Dirk Impens ons met de spijtige mededeling dat er geen topacteurs meespelen in de reeks, IN VLAAMSE VELDEN kan wel rekenen op de Gentse Schone, Barbara Sarafian in de rol van moeder Boesman en op Wim Opbrouck, papa Boesman en gynaecoloog. Bovendien is na de tv-serie Quiz me Quick Wietse Tanghe ook geen nobele onbekende meer bij de Vlaamse kijker. In zijn soldatenkostuum, middenstreep en woeste snor is hij evenwel onherkenbaar gemaakt om de rol van idealist Guillaume perfect te kunnen neerzetten.

We belanden op het verlaten terrein van een voormalige suikerfabriek, waar al snel een hoop – letterlijk – zand opdoemt. Aan de hand van foto’s en archiefmateriaal reconstrueerde artdirector, Bart Van Loo, een authentieke loopgracht van toen, inclusief de obligate 30 cm modder. De meute journalisten ploetert samen met ons door de loopgracht, de gouden raad van Impens indachtig: “Doe uw botten aan!” Iedereen staat versteld van de omvang (60 op 50 meter) en het beklemmende gevoel dat de muren van zand, modder en hout geven. Het lijkt onwerkelijk dat er ooit soldaten, jonge knapen van 18 jaar en jonger zelfs, in zulke claustrofobische mollengangen hebben geleefd, overleefd in feite, bij dezelfde temperaturen als vandaag, dag en nacht, sommigen vier jaar lang. Een rilling overvalt me.

De loopgracht is aangelegd in zeven weken door vijftien decoropbouwers, één aannemer en …400 vrachtwagens zand. Het terrein is zo twee meter verhoogd. Nog eens een 180-tal leerlingen uit verscheidene technische scholen uit de buurt hebben meegeholpen met onder meer het vullen en opstapelen van 6000 zandzakjes. Behalve op deze site wordt er ook gefilmd in Diksmuide, op het strand van Oostduinkerke, langs de Frontzate in Nieuwpoort, in Poperinge en in Ardooie. Van augustus-september vorig jaar al tot in mei dit jaar.

We zetten onze tocht doorheen de loopgracht en het artificiële niemandsland verder. Zonder de horde journalisten en fotografen die van elke inslagkrater, stuk afgebrand hout en prikkeldraad een foto willen maken, zou het écht aanvoelen als het niemandsland uit ’14-‘18. Iets verder zijn nog extra zandhopen gemaakt om het zicht op de huizen erachter te ontnemen. De gure wind snijdt in het gezicht, onze tenen verliezen elk gevoel wegens de caoutchouc botten veel sneller dan gehoopt en het warm blazen van onze handen helpt ook al niet meer.

“Het is een fictiereeks” antwoordt Impens op de vraag waarom ze het niet in een studio opnemen, “we kunnen het ons niet permitteren om een serie met dat onderwerp niet zo waarheidsgetrouw mogelijk te maken en dat gaat onmogelijk in een studio. Bovendien hebben we uitzichten nodig om inslagen te kunnen filmen. Daarvoor heb je wel een hele grote studio nodig en dat is duur”, voegt hij er nog veelbetekenend aan toe. Dat de productie van IN VLAAMSE VELDEN veel geld kost kan je raden. Zo verleent de provincie West-Vlaanderen onder meer bijna anderhalf miljoen euro aan financiële en materiële, logistieke steun.

Dirk Impens begeleidt ons naar het kostuumdepot. Belgische legeruniformen uit WOI zijn moeilijk te vinden bij verhuurders, omdat er meestal in films en series geen Belgische soldaten te zien zijn. Daarom zijn vele uniformen nieuw gemaakt moeten worden. “Het pasmodel werd hier vervaardigd, dan naar China gestuurd en daar werd dan de rest gemaakt”, aldus Kristin Van Passel en Chantal Willems. Een verslijttechniek die Van Passel en Willems gebruikten, is die van de betonmolen. Ze gooiden de pas afgewerkte kleren samen met enkele stenen in een molen en lieten die maar draaien. “Net zoals bij jeans die een stonewash krijgt.” In het kostuumdepot vertellen ze dat de leerlingen van de technische scholen ook hen hebben geholpen: “Om de uniformen er versleten te laten uitzien, hebben de decoropbouwers ze al gedragen. Dat leidde bij de jongeren al snel tot een moddergevecht,wat natuurlijk niet echt de bedoeling was.” Later zien we haar met een medewerker een broek bewerken met een staalborstel om ook die er verweerd te laten uitzien.

In het depot hangen naast de uniformen ook riemen, tassen, helmen, handschoenen, windels en zelfs lange onderbroeken, in deze temperaturen geen overbodig stuk textiel. We ontmoeten twee figuranten in vol ornaat; even lijkt het alsof we in een museum zijn terechtgekomen met re-enacters waar je tegen betaling mee op de foto mag. “De meeste rekwisieten die je hier en in de loopgraven ziet, zijn authentiek”, benadrukt Bart Van Loo. Van Passel vult aan: “De rugzakken uit vier stukken leer, komen uit Zwitserland. We hebben veel gezocht op internet.”

Dat blijkt ook uit de wapens. Rick Wiessenhaan, tevens verantwoordelijk voor de special effects, heeft met heel veel moeite dertig Belgische wapens uit die tijd bij verzamelaars gevonden. Een medewerker haalt er enkele uit een container en toont ze. “Kostprijs? 10 000 euro!” zegt hij. “Deze noemen ze de Belgian Rattlesnake”. Hij wijst naar een enorm aftands machinegeweer. “Ze zijn allemaal authentiek, al hebben sommigen een ander onderstel gekregen”, aldus Harry van de Nederlandse special effect crew. “Ze zijn allemaal omgebouwd en werken alleen maar op losse flodders. Als je er een echte kogel zou insteken, zou het hele ding ontploffen.”

We slenteren verder naar de tweede loopgraaf die de twee linie moet voorstellen. Daar wordt de scène opgenomen waarin Guillaume met zijn vriend Jos arriveert en meteen wordt geconfronteerd met de barre leefomstandigheden. Normaal gezien zou vandaag een zomerscène worden gedraaid, maar de sneeuw heeft…euh…sneeuw in het eten gegooid. “Op zich kunnen we de sneeuw wegblazen,” stelt de producent, “maar wanneer het blijft sneeuwen, is het hopeloos. Dat zie je in het beeld. Vorige week toen de zon scheen hebben we dan weer voor een scène sneeuw moeten maken”, zucht Impens.

Opnamedag 69 van de in totaal 150 draaidagen (tot eind mei) zal er dus ietsje anders uitzien. De acteurs staan tot over hun enkels in het slijk en de crew probeert de kabels uit de bruine brij te vissen. Na de opname komen enkele figuranten voor de middagpauze de tent wat verderop binnen, rillend van de kou. Ik krijg prompt medelijden met die arme stakkers, vooral ook met de echte soldaten van toen en voel me schuldig dat ik mijn voeten voor een warmteblazer kan laten ontdooien.

Geschreven door ELKE RAMSDONCK
 
onomatopee