George Sluizer te gast op het BIFFF

Twee jaar geleden publiceerde de Nederlandse auteur, publicist en scenarioschrijver Hans Heesen een interviewboek met de Nederlandse filmmaker George Sluizer (° 1932), getiteld “Wie zijn ogen niet gebruikt, is een verloren mens: in gesprek met George Sluizer” (uitgeverij Nijgh & Van Ditmar / Stichting Filmuitgaven, Amsterdam). Op de achterflap vat hij samen wat het boek te bieden heeft. Hij schrijft onder meer: “Joris Ivens benoemde hem [George Sluizer] tot erfgenaam en Antonioni vroeg hem als rechterhand. Hij ontmoette John F. Kennedy, kreeg het inwonerschap van Brazilië en werd ereburger van Palestina. Hij bedankte voor Schindler’s List, vocht met Klaus Kinski en was chauffeur van Mick Jagger. Hij ontving prijzen en doodsbedreigingen, ontdekte Johanna ter Steege en raakte Nastassja Kinski aan Roman Polanski kwijt. Hij maakte de thriller die Stanley Kubrick jaloers maakte en de film Dark Blood die door de dood van River Phoenix onvoltooid moest blijven.”

Dezelfde George Sluizer was tijdens het afgelopen BIFFF in Brussel een van de genodigden; hij kwam er zijn film Dark Blood (foto) voorstellen, een voor de buitenwereld vrijwel onbekende film uit 1993 die waarschijnlijk nooit zal worden uitgebracht. Toen hoofdacteur River Phoenix op 31 oktober 1993 in Hollywood overleed aan een overdosis drugs (hij was amper 23 jaar) - 11 dagen voor het einde van de opnames - was er ca. 80 percent van de film ingeblikt. Sluizer heeft nu, in de mate van het mogelijke, de film afgewerkt. Men zou het resultaat kunnen omschrijven als onafgewerkt, maar door het gebruik van onder meer voice over om de ontbrekende scènes in te vullen en te overbruggen, is het wel de meest complete versie die er ooit van Dark Blood te zien zal zijn.

De productiemaatschappij van de film was dan wel verzekerd, maar nadat de verzekering alles had uitbetaald, belandde de film wel in de handen van die verzekeringsmaatschappij. Het American Film Institute noch de filmafdeling van de UCLA waren in de film geïnteresseerd, omdat hij niet gemonteerd was en ze er niet eerst in wilden investeren om hem later te laten renderen. Na een aantal jaren besloot de verzekeringsmaatschappij om al het materiaal te vernietigen, aangezien aan de film toch nooit iets zou verdiend kunnen worden en bovendien kostte het stockeren in een loods hen veel geld. Net voordat alles zou worden verbrand (dat was in 1999), had Sluizer alles laten weghalen, ongeveer 700 kg, om het via New York naar Europa over te brengen.

Vanwege andere projecten en later ook gezondheidsredenen bleef het materiaal lange tijd onaangeroerd, tot begin 2012 toen hij besloot de film in de mate van het mogelijke af te werken, ook bedoeld als een hommage aan River Phoenix. Het eerste dat hij deed was bekijken welk materiaal hij in handen had, dat een vijftal dagen duurde, en ze vonden het de moeite om eraan te beginnen. De film werd uiteindelijk voor het eerst vertoond in september 2012 tijdens het Nederlands Film Festival in Utrecht; andere festivals volgden, waaronder Berlijn (in februari) , en nu dus het BIFFF.

De ongelukkige dood van River Phoenix kwam totaal onverwacht. Sluizer werd ervan op de hoogte gebracht in zijn hotel in Los Angeles, nadat de filmploeg vanuit Utah was teruggekeerd en een dag in Los Angeles in een studio had gewerkt. Phoenix logeerde in hetzelfde hotel en ’s avonds zeiden ze nog tegen elkaar ”See you tomorrow”. De volgende dag had de acteur overigens ook nog een afspraak met cineast Terry Gilliam, waar wie hij bijzonder veel bewondering had en waar hij enorm naar uitkeek.

Sluizer: “Ik was aan het slapen; ’s morgens rond 3 à 4 u rinkelde de telefoon en men vertelde me dat hij was overleden. De producent was er niet, dus moest ik als regisseur de ploeg daarvan op de hoogte brengen. Je hebt dan niet veel tijd om na te denken of om je gevoelens te uiten, want je moet snel reageren, mensen moeten meteen worden verwittigd. Die eerste twee weken had ik nauwelijks de tijd om er bij stil te staan en om triest te zijn omwille van zijn dood. Zonder overdrijven mag ik ook zeggen dat ik voor River Phoenix een soort van vaderfiguur was geworden - zijn relatie met zijn echte vader was niet zo goed. Tijdens de voorbereiding van de film hadden we zeer goede contacten, en een week voordat de opnames begonnen, waren we zelfs alleen in Utah om wandelingen te maken in de bergen, te praten over het weer en de regen, om aan elkaar gewend te geraken. Ik denk dat ik mag zeggen dat ik hem goed kende. In het begin vroeg ik op een keer: “Stoort het je om met iemand te werken die veel ouder is dan jij?” Zijn antwoord: “Helemaal niet, want jij hebt veel meer levenservaring dan ik”. Een erg ongewoon antwoord voor een jongeman van 22; op die leeftijd kunnen ze soms minder goed overweg met een oudere generatie, maar dat was bij River zeker niet het geval. Ongeveer twee weken na zijn dood begon het echt door te dringen dat er een heel sympathieke en vriendelijke man was overleden, maar anderzijds was er ook een zekere boosheid omdat we de film verloren hadden waaraan we drie jaar hadden gewerkt.”

“Ik had hem gecast voor de hoofdrol omdat hij de lieveling was van alle jonge meisjes, een leuke jongen met blauwe ogen en lang blond haar; in de film heeft hij een dubbele kant. Je weet niet precies hoe aardig of hoe lief, hoe hard of hoe kwaad hij is omdat hij zijn vrouw verloren heeft door een nucleaire test en dat ongrijpbare karakter moest hij toevoegen aan dat imago van ontzettend leuke jongen.”

De samenwerking met hem verliep dus zonder problemen. Dat kon niet worden gezegd van actrice Judy Davis; tussen haar en Phoenix verliep het heel wat moeizamer, ook Sluizer kende heel wat problemen met haar. Hij vond haar een heel goede actrice en had haar enorm geapprecieerd in David Leans A Passage to India (1984) en Husbands and Wives (1992) van Woody Allen, maar ze was zeer moeilijk om mee samen te werken. Ook anderen op de filmset hebben dat ervaren.

Een constante in Sluizers films is de zorg die hij besteedt aan de bijrollen met in het verleden sterke vertolkingen van acteurs zoals Karen Black, Pete Postlethwaite, Geraldine Chaplin, Sandra Bullock in haar beginjaren, enz. Sluizer: “Bij de tweede- en derdeplansrollen moet je inderdaad mensen nemen van wie je weet dat ze kunnen acteren. Ik heb geen moeite om een Oscarwinnares te vragen voor een kleinere rol. Als ze nee zegt, dan is het natuurlijk nee. Voor Crimetime (1995) heb ik drie Oscarwinnaressen een auditie laten doen en uiteindelijk heb ik de rol aan Karen Black gegeven, terwijl zij de moeilijkste was. Ze was een beetje ‘weg’ en had mentale problemen. Ze luisterde niet; zei ik links, dan ging ze naar rechts. Nadien ging het beter, ze was een actrice met ziekelijke kwalen van wie iedereen zei: “Je moet haar niet aannemen, want ze is gek.” Maar het was een intelligente en gevoelige vrouw, ook een ontzettend lieve vrouw, ze is een goede vriendin geworden. Je moet de jeugd een kans geven, maar ook de ouderen als je ze nodig hebt, en bij deze mensen moet je hopen dat je er nog het beste uit kan halen.”

Aan het casten besteedt hij veel tijd, ‘denktijd’ zoals hij het noemt: “Ik maak lijstjes met bijvoorbeeld 30 acteurs, 30 actrices, jong, oud, en dan hangt het ervan af wie het wordt, want ik auditioneer niet iedereen. Er zijn er die toevallig mijn pad kruisen, maar dat is uitzonderlijk. In Twee Vrouwen (a.k.a. Twice a Woman uit 1979, nvdr.) had ik oorspronkelijk Nastassja Kinski, Anthony Perkins en Bibi Anderson in de hoofdrollen, maar Polanski wilde zelf een film met Nastassja Kinski draaien (Tess, 1979, nvdr.) en van haar een ster maken, en dus ik moest naar iemand anders op zoek. Alles was toen al klaar en ik had nog slechts enkele dagen om iemand anders te zoeken. Ik had voordien de hele wereld afgelopen, Los Angeles, New York, Londen, overal, maandenlang naar een bepaald soort meisje gezocht. En nu zat ik zonder actrice. Ik ging iets drinken in een kroeg, uit ellende gewoon een biertje drinken. En daar zat een meisje met twee jongens, van wie ik toen dacht: “Maar daar zit ze!” Ik ben twee uur en een half blijven kijken van op afstand, keek toe hoe ze praatte en hoe ze bewoog. Ik ben naar haar toe gestapt en vroeg haar: “Ik begin over enkele dagen met een film, wilt u morgen even naar het kantoor komen?” Ze keek me aan alsof ik gek was, een vieze oude man die zo’n jong meisje aanspreekt. Maar ik had haar gezegd dat ze haar vriend of vrienden mocht meebrengen, en toen ze naar het kantoor kwam, stond ze daar met haar vriend. Haar kapsel was anders, dat vond ik al aardig, nu zag ik haar al helemaal anders, ze droeg een jurkje, toen niet zo courant. Ik zei haar dat in de film een museum voorkomt met iconen ‘die je nog nooit hebt gezien, je bent een boerenmeid, je kent dat niet, en stel je voor dat je nu in het museum bent.’ Het was een oefening waarbij je niks hebt, zelfs geen stoel. Ze ging zitten op de grond, niet zo gemakkelijk met dat jurkje, maar ze deed die bewegingen met een zekere ‘élégance’ en ik heb haar prompt aangenomen. Geen gebruikelijke keuze van een acteur, ik had geen tijd en moest gokken. Als ik haar niet had, had ik niemand. Maar ze heeft het heel goed gedaan. Ze had de fysieke verschijning van de vrouw die ik zocht voor die rol, ze sprak perfect Engels - Amerikanen konden zelfs niet horen dat ze geen Amerikaanse was. Ze haalde de cover van de Amerikaanse Playboy, maar Hefner kon haar niet overtuigen om ook naakt in het blad te poseren, ze weigerde dat pertinent en toch kreeg ze het voor mekaar om de cover te krijgen zonder centerfold. Zo was zij, ze kon brutaal zijn, maar dat was haar kracht. Toen ze Perkins ontmoette, zei hij iets van, ‘You know, I played in Psycho, maybe you heard about it.’ En zij antwoordde, ‘Ik ben 20 en jij bent 46, zeker. Waarom zou ik jouw film kennen.’” ????

“Bibi Anderson had twintig minuten nodig om twee bladzijden tekst te leren, of een half uur, terwijl Sandra héél snel was. Twee keer lezen en ze kende het. Tegen Bibi zei ze: “Ik dacht dat je een professionele actrice was, je hebt al met Bergman gewerkt, maar ik ken mijn tekst in twee minuten.’ Het klopte wel niet, want puntje bij paaltje was Bibi beter dan zij, als je het totale plaatje bekijkt. Maar Sandra was ook heel goed. Ze werd de nieuwe Audrey Hepburn genoemd in een Amerikaanse krant, een nieuwe ster, en vele Amerikaanse acteurs gingen achter haar aan. Ze had eens een afspraak met Dustin Hoffman in Beverly Hills [voor de rol in Tootsie die Jessica Lange uiteindelijk speelde, nvdr.]. Daar was ze precies zoals ze is. Hij zat daar, zij komt daar aanzetten en toen hij opstond, zei ze: “You’re just as tiny standing up as sitting down.” Het was afgelopen. Hij haat het om als klein te worden aangesptoken. Ze was een harde tante. In Cannes kwamen Francis Ford Coppola en schrijver Mario Puzo met hun producent naar ons toe, ze wilden een film maken en zochten zo’n meisje voor een hoofdrol, en vroegen me of ze haar konden ontmoeten. We maakten een afspraak in een hotel om 7 uur. Wij zaten te wachten en er komen daar drie heren aan, beetje transpirerend van het tennis, in korte broek met de handdoek om de nek, beetje dikke buiken en zeiden tegen elkaar: “What do you think? She’s cute, she’s okay, she’s thin enough, she’s long, could you turn around?” Op een bepaald moment vroeg ze: “Hoelang duren de opnames van de film?” “Ongeveer 10 à 12 weken.” Was het antwoord. Waarop zij zonder verpinken zegt: “Gentlemen, you don’t believe that I want to spend 10 or 12 weeks with three such ugly gentlemen as you are with your beer bellies. No way, goodbye.” En daar stonden de heren voor noppes, ze waren een beetje onbeleefd geweest. De volgende dag belden ze terug: “Ja, we waren stom, hebben haar bekeken als vlees, dat gebeurt, dat was niet okay. We willen het goedmaken, we komen terug als ze wil, we gaan dineren, en als ze zin heeft kan ze ook nog mee naar het casino.” Ze had geen agent en vroeg me: “Wat denk je, zou ik terugkomen?” Ik antwoordde: “Het zijn drie heel grote Amerikanen, ze bieden je meer dan een miljoen en je hebt bij mij 3000 gulden verdiend. Je bent een meisje pas van school, je moet maar overwegen of dat iets is. Ze zijn best aardig, ze deden wat vervelend, maar daar moet je overheen.” Ze kwamen terug, waren heel vriendelijk, heel beleefd. We gingen eten en toen zei ze tegen hen: “Gentlemen, once a pig, always a pig. Goodbye.” Weg, afgepoeierd. Zo was ze, Sandra Dumas. Ik heb dat onthouden, heb het gebruikt in The Commissionner (1998) waarin John Hurt tegen zijn vrouw zegt: “Once a liar, always a liar.” Niet helemaal hetzelfde, maar wel hetzelfde idee, dat was van haar opmerking blijven hangen.

Wanneer hij een scenario schrijft, heeft hij dan meteen ook al bepaalde acteurs in het achterhoofd? G. Sluizer: “Niet alle acteurs, maar wel voor de gekke rollen, de extreme rollen. Je weet natuurlijk nooit vooraf wie je vindt, er is maar een beperkt aantal mensen voor zulke rollen, wel heb ik ze in m’n hoofd ofschoon ik ze niet altijd kan betalen. Als er eentje is die sterk is, die benader ik dan, want ik weet dat die een steun kan betekenen voor andere acteurs. Toen ik The Vanishing voorbereidde, had Fox tegen me gezegd: “Je moet eens kijken naar Kiefer Sutherland.” Ik had eerst een andere acteur in mijn hoofd, maar Sutherland heeft er alles aan gedaan om me uit te leggen waarom hij deze rol wilde en dat hij er alles voor wou doen. Hij bevond zich in een situatie waarin hij al die gevoelens kon begrijpen. Hij zei: “Je weet toch dat Julia Roberts me heeft verlaten, enkele dagen voordat we zouden trouwen.” Dus hij zat vol droefenis en treurnis over het feit dat het huwelijk niet was doorgegaan, dat zeker acht weken vooraf al was opgezet. Hij was down, en daarom vond hij dat hij die rol goed kon spelen. De jongen is zijn vriendin kwijt en kan het niet loslaten. Hij voelde het echt aan. De andere acteur [Jeff Bridges, nvdr.] heb ik wel getest - dunnetjes - en ik kreeg het gevoel bij Sutherland dat het verlies van zijn vriendin wel zou werken in de film. Zelfs wanneer hij grapjes maakte voelde je dat er veel verdriet in zat. Voor de film heeft het gewerkt. Ik ga niet zeggen dat een andere acteur het ook niet had kunnen spelen, maar hij heeft het wel goed gedaan.”

Welke filmregisseurs hebben hem geïnspireerd? “Het is zeer gevarieerd, en als ik me moet beperken tot drie, zou ik zeggen: Antonioni, Eisenstein en Godard, aldus Sluizer. Ik ken er nog wel een paar anderen (lacht). Ik heb Hitchcock niet genoemd, hij is wel heel belangrijk; in die zin zou ik Godard misschien wisselen voor Hitchcock, zeker in de meer klassieke zin. Dan heb ik een samenraapsel (lacht). Antonioni heb ik zelfs geassisteerd toen hij niet meer kon praten, ik zou een film voor hem draaien die hij zelf niet meer kon maken, omdat hij bijna verlamd was. Het zou zijn laatste film zijn, maar het is uiteindelijk niet doorgegaan. Ruim een week ben ik bij hem thuis geweest en ik heb daarna besloten dat hij te ziek was, het had geen zin. Hij wilde absoluut op de set, maar hij liep zo langzaam dat het onmogelijk werd. In plaats van twee maanden zou je dan bijna zes maanden draaien, en dat kon niet. Hitchcock heb ik ook ontmoet, maar dat was zeer oppervlakkig bij een gelegenheid waar ik even zijn handje heb geschud, maar geen gesprek met hem gehad. Heel veel dingen hebben mij beïnvloed. Toen ik Spoorloos maakte, heb ik al zijn films nogmaals bekeken: waar zit de spanning, waarom is er dààr spanning, hoe komt het dat je daar ‘oooeeee’ doet, terwijl het niet allemaal gewelddadige bing-bang-boem is. Hoe kun je mensen een zekere angst bezorgen door het niét te tonen en niet te laten zien wat ze eigenlijk vrezen. ‘Pas op meisje, straks doet ie dit of dat met zijn hand of zo.’ Als je dat denkt, en het gebeurt helemaal niet, begrijp je? Suspens creëren, daar was Hitchcock zeer goed in, en hij wist zijn kijkers daarin mee te krijgen. Dat boeit me, ik houd niet van platte troep of beelden die niets zeggen, ik breng graag iets waar mensen over kunnen nadenken.”

Met twee verfilmingen van Spoorloos op zijn actief, de Nederlandse versie uit 1988 met Bernard-Pierre Donnadieu, Gene Bervoets en Johanna ter Steege, en de Amerikaanse remake vijf jaar later als The Vanishing met Jeff Bridges, Kiefer Sutherland, Nancy Travis en Sandra Bullock, kan hij goed vergelijken wat het verschil is tussen een film maken in Europa en op Amerikaanse bodem: “Het begint bij de financiële situatie. Nadat Spoorloos het goed deed, werd ik door verscheidene maatschappijen gevraagd of ik ook de rechten voor de remake had. Toen ik stilaan genoeg had van al deze potentiële gegadigde maatschappijen, dacht ik: Ik heb deze film nu gemaakt met een onafhankelijke filmproducent in Nederland, nu doe ik het liever met een ‘major’, dan heb ik in één klap 180 of 200 landen in plaats van de distributie voor elk land stuk per stuk te moeten verkopen. Bij grote maatschappijen zoals Fox of Sony heb je alles, want daar hebben ze 500 miljoen klaarstaan van Wall Street. Met enkele vrienden die het filmmilieu goed kenden, heb ik contact gelegd met Universal, Sony en Fox. Ze waren alle drie hebberig om de film te krijgen; Sony en Universal lagen me uiteindelijk niet zo, Fox was voor mij de beste partner. We hadden echter een meningsverschil over het slot van de film. Maar ik had geen weerwoord, ging ik niet akkoord, dan hadden ze gezegd: “Volgende vliegtuig met KLM morgenmiddag om 12 u. Ik ben dus gebleven.”

“Het was mijn bedoeling dat we het verhaal van de originele versie zouden behouden en de slechterik eeuwig gestraft zou worden op een andere wijze. Maar ik heb het slim gespeeld, denk ik, want ik had me al verzet tegen seksscènes die ze erin wilden hebben - in elke film willen ze zoiets, net zoals een auto-ongeluk en een paar schietpartijen, maar het ging wel. Werken in Hollywood is vooral leuk omdat je meer verdient en meer respect krijgt. Men respecteert een goede regisseur. Kubrick wordt gerespecteerd, ook al was hij lastig, Hitchcock ook. In Amerika heb je goede dingen en slechte dingen; er zijn dingen die ik niet elke dag zou willen meemaken. Na negen jaar was het voor mij wel genoeg; ik moet dikke muren van de kathedralen hebben, ik moet traditie hebben, en niet enkel benzinestations en vieze restaurants, bij manier van spreken. Los Angeles is goed te doen als je werkt, maar wanneer je toevallig niets te doen hebt, is het niet zo’n leuke plek.”

BIFFF (Brussels International Fantastic Film Festival), Bozar, Brussel
Q & A, 12 april 2014
Interview, 13 april 2014

Geschreven door LEO VERSWIJVER