Het 18de Far East Filmfestival in Udine, Italië (deel 2)

Het Far East Film Festival is geen weerspiegeling van de jongste commerciële filmactiviteiten in Zuidoost-Azië, wel – zoals de meeste business-filmfestivals – een weergave van onze westerse smaak met betrekking tot die filmindustrieën, met eventueel een touch of originality. Op het scherm van het Udinese Teatro Nuovo kwam met een 50-tal films trouwens niet eens 3% aan bod van de productie 2015-2016 uit die regio. Dus zeker niet genoeg om tendenzen naar voor te halen. Wel om verschillen op te merken ten opzichte van de voorgaande festivaleditie. En, ondanks de omweg via fictie, om altijd iets meer te weten te komen over de culturen uit die ver-van-ons-bed-landen waarover onze nieuwsmedia zelden melding maken tenzij er politieke spanningen en conflicten opduiken.

Dit jaar volledig afwezig waren realisaties uit de kleine filmlanden Indonesië en Singapore. Cambodja was wel vertegenwoordigd door de Australisch-Britse The Cambodian Space Project – Not Easy Rock ’n Roll (2015) van Marc Eberle, een middelmatige documentaire over de opkomende rockscene in het land in de nasleep van de volkerenmoord van de Rode Khmers in de jaren ‘70. Het document is verhelderend wanneer er (vaak) verwezen wordt naar de bijdrage van koning/premier Norodom Sihanouk aan de culturele ontwikkeling van Cambodja tussen de jaren ’60-‘70, hijzelf voor de gelegenheid filmregisseur, acteur en componist. Slechts één productie uit het buurland Vietnam, van Ham Tran, vorig jaar aanwezig met de ghoststory Hollow. Met Bitcoin heist (2016, foto) gooit hij het op de suspense, origineel qua onderwerp: een roofoverval op de virtuele bitcoin-deviezen, narratief iets te voorspelbaar en in kleurgebruik wat de virtuele realiteit betreft ruikend naar Tron (1982), maar vol adrenaline.

Ook weinig policiers. Maar het Chinese The Dead End van Cao Boaping (2015) is de moeite waard omwille van zijn meerdere door elkaar geweven plotlijnen: een cold case over een uitgemoorde familie waarvan de daders niet alleen spoorloos zijn gebleven maar zelfs een onverdachte maatschappelijke positie hebben ingenomen, tot in het politie-apparaat toe. Alleszins mijn verrassing was dat de ontdekte moordenaars de doodstraf ondergaan via dodelijke inspuiting (blijkt dat het hoog aantal executies in China voor een groot deel door de kogel en voor een ander aandeel door chemische injectie wordt uitgevoerd); en ondanks het feit dat homoseksualiteit er geen misdrijf meer is, blijft er nog altijd een negatieve houding bestaan – vandaar dat de film de twijfel hoog houdt over de geaardheid van de chef-detective ten opzichte van zijn even seksueel twijfelachtige medewerker/verdachte.

Opvallend dit jaar was het aantal films over kinderen, vaak van Zuid-Koreaanse makelij. Erg overtuigend en helemaal vanuit het standpunt van pubers is The world of us van de vrouwelijke regisseur Yoon Ga-eun die de pesterijen tussen meisjes in het lagere schoolmilieu oproept als een bijna onvermijdelijk stadium in de groeipijnen. In Making Family (2016) van Cho Jin-mo gaat een proefbuiskind met een sterrenhoog IQ op zoek naar zijn roots in China en verovert hij met (melo)dramatische en humoristische zetten het weerstandbiedende hart van zijn biologische vader. In The Fourth Place ondergaat een jongen uit de lagere school mentaal en fysiek de spanning tussen zijn ambitieuze moeder die hem als een toekomstig zwemkampioen ziet, en zijn trainer - een voormalig zwemwonder - die de harde manier hanteert om het beste te halen uit de jongen. Die extreme prestatiedwang, niet alleen in het al geweten Japan maar ook in Zuid-Korea, wordt ook neergezet in de documentaire Reach for the sky (2015) van de Zuid-Koreaanse Choi Woo-young en de Vlaamse Steven Dhoedt: de tot het uiterste gedreven voorbereidingen voor het Zuid-Koreaanse maturiteitsexamen om een plaats te veroveren aan een gerenommeerde universiteit. De film werd ook vertoond tijdens het Leuvense DOCVILLE.

Ook het Thaise The Forest (2015) van Paul Spurrier heeft kinderen als protagonisten. Al hangt er een vleugje ghoststory over de plot dan zijn de thema’s marginaliteit, overleving, solidariteit, ecologie zonder nadruk ingeplant in het verhaal van een gepest schoolmeisje in een vergeten plattelandsdorp, dat in de jungle een jongetje ontdekt die zich als de meester van die tot dan ongerepte natuur beschouwt en waarmee zij verbroedert. Het Chinese Destiny (2016) van Zhang Wei pakt het onderwerp van autisme aan, minder geconcentreerd op het zoontje dat erdoor getroffen is dan wel op zijn moeder die kost wat kost en tegen alle tegenstand en vooroordelen in haar kind een normale opvoeding wil geven in plaats van hem in een speciale school te zetten en daardoor nog meer af te zonderen van de maatschappij. In dit drama speelt bovendien het contrast tussen de plattelandsachtergrond van de moeder en de succesdrang die het leven in een economisch ontwikkelde stad als Shenzen bepaalt.  

Opvallend in dit 18de FEFF is ten laatste de aandacht voor sport, zoals in het al vermelde The Fourth Place. In het rijtje zou je ook de paar maar niet talrijke hedendaagse karate- en kungfu-producties kunnen zetten – hoewel ik die technieken eerder als gevechts- dan wel als sportpraktijken beschouw. Onder andere de Hongkong-Chinese sequel Ip Man 3 (2015) van Wilson Yip over de legendarische Chinees-Hongkongse meester in gevechtskunsten, loopt zoals in de twee succesrijke voorlopers van training uit op gevecht tegen hier de bende van een corrupte Amerikaanse bouwondernemer. Er stonden echter twee films op het programma over sport(competitie). In de Maleisische Ola bola (2016) evokeert Chiu Keng Guan in een flash-back de legendarische Aziatische kwalificatie voor de Olympische Spelen 1980 waarbij Maleisië de match won maar afzegde voor Moskou als boycot voor de Russische invasie van Afganistan. Voor een natie nog gecompliceerder dan België wegens geografische verdeling, meerdere ethniën en talen -  weerspiegeld in de afkomst van de spelers waarvan enkelen in het bijzonder worden gevolgd - heeft de erg geritmeerde film soms een expliciete nationalistische inslag; maar alleen al de enscenering van de finale wedstrijd is het kijken waard.

Het scenario van het Hongkongse Weeds on Fire (2016) van Chan Fat Chi vertoont gelijkenissen met Ola bola, ook een terugblik op het ontstaan van de eerste baseballploeg van Hongkong in de jaren ’80, opgehangen aan en als leidraad de vriendschap tussen twee teamspelers en -voortrekkers. Zonder opvallend nationalisme sluipen ook enkele verwijzingen naar de actuele gespannen sfeer in de enclave de film binnen. De matchen op zich hebben geen hoge dramatische waarde maar zijn afwisselende actiemomenten in een vlot verteld verhaal over individuen en hun achtergrond.

(Foto: Een still uit Bitcoin Heist van de Vietnamese Ham Tran)

Geschreven door MARCEL MEEUS
 
onomatopee