Het Far East Filmfestival 17 – publiek bekroont Zuid-Korea

De voorkeur van de FEFF 17-festivalgangers in Udine ging naar dramatische films. Behalve THE ROYAL TAYLOR van Lee Wonsuk werden twee andere producties uit Zuid-Korea bekroond. ODE TO MY FATHER van Jk Youn (foto, 2014) is een fresco van de recente Zuid-Koreaanse geschiedenis vanaf de Koreaanse Oorlog (1950-1953), een filmtype van epische en patriottische inslag dat in dat land vooralsnog een constante is – wat ook wil zeggen dat de voortdurende scheiding tussen de twee landsdelen nog een open wonde is. ODE TO MY FATHER vertelt het verhaal van Duk-soo die via flashbacks zijn leven oproept.

Als kind vluchtte hij begin jaren 50 met zijn familie uit de noordelijke zone, waarbij hij zijn vader verloor en zich diens morele opvolger voelde, verantwoordelijk voor de toekomst van het overgebleven gezin. De melodramatische trekjes doen niet echt afbreuk aan de soms indrukwekkende scènes zoals de vlucht en de mijnwerkersjaren van Duk-soo in West-Duitsland. Voor ons westerlingen is het een revelatie dat in de jaren 60-70 duizenden Zuid-Koreanen in Duitsland aan de slag gingen als mijnwerkers (of verpleegsters); maar het feit dat deze film voor het eerst hulde brengt aan die tot voor kort genegeerde uitgeweken handarbeiders – ondanks hun belangrijke bijdrage tot de groeiende welvaart van een destijds lage-lonen-Zuid-Korea – is zeker niet vreemd aan het kassucces in het moederland.

De derde winnaar, MY BRILLIANT LIFE van E J-yong (2014), heeft de invalshoek van THE CURIOUS CASE OF BENJAMIN BUTTON, een geval van verouderingsziekte. Hier echter geen dramatische levensoverspannende vertelling zoals die van David Fincher met Brad Pitt, maar een meer intieme schets, een momentopname, over hoe een middenweg vinden tussen het leven van niet eens veertigjarige ouders en dat van hun zestienjarige zoon met het lichaam van een tachtigjarige. Als mainstreamfilm beroert de productie traangevoelige snaren, maar plaatst op het eerste plan toch de calvarie van met elkaar verbonden personen die meer dan eens gedwongen worden om mentaal en praktisch om te schakelen van jongere naar volwassene en vice versa.

De keuze van de beroepsfilmvertegenwoordigers ging naar het Cambodjaanse THE LAST REEL van Sotho Kulikar (2014). Volgens mij meer een hulde aan de moed van de cineaste om de confrontatie aan te gaan met het Rode-Khmerregime (1975-1979) in een poging om verleden en heden te verzoenen (een artistiek Cambodjaans alternatief voor de Zuid-Afrikaanse Verzoeningscommissie?). De film is meer een getuigenverklaring dan een filmisch indringend drama over dat recente verleden. Het niet altijd samenhangende scenario vertelt hoe een meisje ontdekt dat haar moeder kort vóór de machtsovername van de Khmer een opkomende filmdiva was.

Die dochter heeft er alles voor over om die afgebroken en daarna ontkende filmcarrière naar boven te halen om ook haar moeder (uit overlevingsredenen destijds gehuwd met een Rode Khmer) opnieuw met haar voeten op de hedendaagse grond te zetten. Voor buitenlandse toeschouwers verschaft de eindgeneriek veel meer opheldering dan de filmstory, met de opsomming in foto’s met tekst van de rijke Cambodjaanse filmcultuur in de filmperiode vóór 1975, verwoest door het schrikbewind van de Rode Khmer.

Maar ook dramatische producties uit andere Zuid-Oost-Aziatische landen blijven bij. Met haar CART (2014) mag Boo Ji-young gerust als de Zuid-Koreaanse Ken Loach worden bestempeld. De film doet hier en daar denken aan “Bread and Roses” vanwege de historische actie/staking van de (inheemse) caissières van een grootwarenhuisketen in 2007-2008 als protest tegen hun ongemotiveerde ontslag. Zoals bij de Engelse veteraan ligt de kracht in de vermenging van sociaal engagement en de handige vormgeving van het conflict die het grote publiek kan aanspreken.

West-Europeanen associëren Thailand meestal met prostitutie. Het Hongkongse SARA (Herman Yau, 2015) gaat daar met zijn meerdere plotlijnen op in: een Hongkongse journaliste, als kind misbruikt door haar stiefvader, wordt geconfronteerd met de Thailandse kinderprostitutie, die in de meeste gevallen het enige alternatief is om te overleven, als individu, maar ook om je familie in leven te houden. Minder bekend is de (homo-)prostitutie in Indonesië om dezelfde redenen waarover HOW TO WIN AT CHECKERS (EVERY TIME) van Josh Kim (2015) het heeft, een sober maar efficiënt drama over de groeipijnen van de ouderloze jonge Oat die opkijkt naar zijn oudere broer die een vaste relatie heeft met een leeftijdgenoot, maar heimelijk ook callboy is en op een dag opgeroepen wordt voor legerdienst.

Uit de Filippijnen zijn de donkere drama’s van Lino Brocka en de observerende non-ficties van Lav Diaz tot bij ons doorgedrongen. WHERE I AM KING van Carlos Siguion-Reyna (2014) verzoent thematische en filmische ingrediënten van de populaire cinema met sociale aandacht: om het failliet van zijn onderneming te vermijden laat de magnaat Ricardo toe dat zijn kinderen tot verkoop van zijn imperium overgaan, behalve van een appartement in een sloppenwijk van Manilla waar hij opgroeide. Daar trekt hij zich terug samen met zijn twee kleinkinderen van rond de twintig die nog het echte leven moeten leren kennen: rijkdom versus armoede, corruptie en misdaad versus hoop, liefde versus rivaliteit, doorzettingsvermogen en rechtvaardigheid die uiteindelijk zegevieren op onrecht.

Het 17de FEFF sloot zijn gala-avond af met de overhandiging van de carrièreprijs door Marco Muller, de Italiaanse specialist van de Chinese cinema, aan Shi Nansun (*1951), de Hongkongse producente van vooral martial arts-actiefilms (o.a. veel van haar echtgenoot Tsui Hark), maar ook van enkele intimistischer producties zoals “A Simple Life” (An Hui, 2011).

In onze bioscopen of op tv krijgen we nog altijd te weinig te zien van het hedendaagse commerciële filmaanbod uit het Verre Oosten. Daarom blijft het festival in Udine – het enige in Europa met die uitgesproken focus – een belangrijk venster op de Zuid-Oost-Aziatische mainstreamcinema, maar niet minder een mogelijkheid om ook de geschiedenis en het hedendaagse leven en de cultuur van die landen te leren kennen.

Geschreven door MARCEL MEEUS