Il Cinema Ritrovato: bezeten door Ninón Sevilla

Aan heupwiegende deernen geen gebrek op het festival Il Cinema Ritrovato in Bologna. Het leek wel alsof je dit jaar geen screening kon binnenwandelen zonder getrakteerd te worden op de podiumkunsten van een schaars geklede starlet.

Louise Brooks in Prix de beauté (1930), Mae West in She Done Him Wrong (1933), Simone Berriau in Divine (1935), Hildegard Knef in La fête à Henriette (1952) … De drang van het publiek naar wulpse uitspattingen leek onverzadigbaar: een kwartier voor de start van Ich küsse ihre Hand, Madame (1929) verzamelde er zich al een hijgerige mensenmassa aan de deuren van Sala Mastroianni en iedereen brandde van verlangen voor Marlene Dietrichs eerste grote rol: een acteerprestatie die naar verluidt zo zinderend is dat het nitraatmateriaal van de film er spontaan van zou ontvlammen!

Toch zou het onfair zijn om de bezoekers van het festival weg te zetten als oude viespeuken die de cinefiele natte dromen uit hun jeugd willen herbeleven of om artistiek directeur Gianluca Farinelli een ordinaire vrouwenzot te noemen – al lijkt hij met zijn felgekleurde broeken en opvallende brilmonturen wel op de archetypische Italiaanse playboy en houdt hij zijn mondhoeken steeds plagerig omhooggetrokken, alsof hij elk moment in een ‘Angelina’ zou kunnen losbarsten tegen toevallige passanten.

De vrouwelijke muze is immers zo oud als de (film)kunst zelf. De elegantie van de vrouwelijke geste kan cinematografisch een leidende rol spelen en als katalysator werken. In El rebozo de Soledad (1952) – een in flashback verteld melodrama over een dokter uit de grootstad die zich inzet voor een rurale paupergemeenschap – zien we hoe een simpel boerenmeisje een doek in haar haren vlecht, een actie die symbool zal staan voor de melancholische weltschmerz van het hoofdpersonage. “La morale est affaire de travellings”, schreef Luc Moullet ooit in Cahiers du Cinéma, suggererend dat een loutere (camera)beweging het morele spectrum van een film kan vastleggen. Maar wanneer zelfs een bescheiden gebaar als het aanbrengen van een haardoek levensgrote gevolgen kan hebben, wat dan met het frenetiek op en neer zwaaien van een welgevormd, in netkousen gehuld dijbeen? La morale est aussi affaire de jartelles.

Lokroep van de sirene

Het dartelende vrouwenlichaam kan de filmische orde verstoren en ontwrichting is altijd te verkiezen boven inertie – zowel in cinema als in het echte leven. Onze natuur is immers op een cyclische, zelfherstellende manier opgebouwd zodat chaos en vernietiging uiteindelijk zullen leiden tot de creatie van nieuwe vormen. Een zandlopervorm, in het geval van Ninón Sevilla: de voluptueuze ster van Aventurera (1950) is het typevoorbeeld van een disruptieve, scheppende kracht. Tijdens de inleiding bij de vertoning op Il Cinema Ritrovato vermeldt curator Daniela Michel dat de film behoort tot het Mexicaanse Rumberas-genre, een mengelmoes van film noir, melodrama en Busby Berkeley-musicals, wat de indruk wekt dat Aventurera een inwisselbaar product zou zijn, een semantisch lappendekken van tropes en clichés. Maar elk verwachtingspatroon wordt met de grond gelijk gemaakt. Geen enkele narratieve conventie is veilig voor de genadeloosheid van orkaan Ninón.

Als een wervelwind raast ze door elke scène en de film moet zich schikken naar haar speelse, idiosyncratische ritme. Haar personage – een door het leven getekende cabaretsensatie – is een archetype dat normaal gepaard gaat met een zweem van sensualiteit en mysterie: het beeld van een onderbelichte cantina, waar een sierlijke diva in een zwarte strapless jurk van een sigaret ligt te lurken. In deze suggestief-erotiserende omgeving gedraagt ze zich als een controleerbaar seksobject en wekt ze een schijn van conformisme. Maar elke bevalligheid wordt gevolgd door een transgressie. Een uitbarsting van rauwe dierlijke lust. Sevilla slaat als een bezetene met haar ledematen in het rond, maakt primaatachtige kaakbewegingen en steekt ostentatief haar kin naar voren. De plechtigheid van de Spaanse taal, het Mexicaanse eergevoel, de accumulatie van pathos door nieuwe plotonthullingen … Sevilla toont enkel haar diepste misprijzen voor zulke tradities. Met slechts één omhooggetrokken wenkbrauw weet ze een hele cultuur belachelijk te maken.

Tijdens de screening krijg ik het plots benauwd. Er is geen airconditioning in Cinema Jolly en het Caraïbische temperament van de in Havana geboren Sevilla brengt me in vervoering. Mijn hart is haar trommel en ze bespeelt me volgens het pulserende tempo van de conga, de rumba, de chachacha. Mijn ademhaling gaat staccato. Tijdens het hoogtepunt van deze zinsverbijstering, net wanneer ik mezelf dreig te verliezen in de broeierige sfeer van tutu’s en castagnetten, brengt ze mij in trance met een treurige melodie, gezongen in alleenspraak. De personages om haar heen lijken het niet te horen. Is dit lieflijke sirenegezang speciaal voor mij bedoeld? Wie kan er weerstaan aan deze Ophelia van het cabaret?

Regisseur Alberto Gout alvast niet. Hoewel hij enkele films met Sevilla maakte – Sensualidad (1951), No niego mi passado (1952), Aventura en Río (1953) –, zou het naïef zijn om te denken dat hij als cineast zijn stempel heeft kunnen drukken op zijn eigen oeuvre. Geen enkele regisseur is namelijk opgewassen tegen een ongeleid projectiel als Ninón Sevilla. Zelfs de strengste, meest formalistische auteursvisie zou uit haar voegen barsten door de aanwezigheid van deze turbogedreven pelvis. Truffaut schreef over Sevilla dat ze een welkome bedreiging vormde voor de burgerij, het katholicisme en de moraliteit. In zijn opsomming is hij de cinema zelf vergeten.

Beeld: Franse poster van Aventurera (Maison de rendez-vous)

Geschreven door TOBIAS BURMS
 
onomatopee