Il Cinema Ritrovato: de tragiek van keizer Caligula

Het festival Il Cinema Ritrovato in Bologna is een schatkamer die de filmbeleving van weleer in herinnering brengt. Met als gevolg hedendaagse keuzestress. Tot een tollende Stacia Napierkowska je onder hypnose brengt.

De geclusterde programmatie van Il Cinema Ritrovato zorgt voor keuzedruk en moedigt soms schijnbaar irrationele beslissingen aan: waarom zou je je bijvoorbeeld wagen aan I Fidanzati della Morte (1957), een vergeten melodrama over de liefdesperikelen van een motorcrosskampioen, wanneer er op hetzelfde moment een openlucht cineconcerto van King Vidors meesterwerk The Patsy (1928) plaatsvindt? En denk aan de ontgoocheling van zij die de Technicolorweelde van Robert Parish’ The Wonderful Country (1957) moesten missen door A Mosca Cieca (1966), een humorloze Godard-kloon.

Met restauraties van zulke verloren gewaande of nooit eerder vertoonde films speelt het festival in op het schattenjagerscomplex van bepaalde cinefielen (al voelde ik me soms eerder een voddenzoeker op la place de jeu de pellicule): de zoektocht naar een ruwe diamant heeft iets romantisch, want de leukste film is degene die nog ‘onbevlekt’ van allerlei associaties is en waar je je kinderlijke verbeeldingskracht op kunt projecteren. Dat er zich misschien nooit meer een andere gelegenheid zal voordoen om een film te zien, creëert bovendien een gevoel van urgentie en roept de cinefilie van weleer op. Voor de komst van videospelers en het internet kon een screening een magische, haast religieuze ervaring zijn: het besef dat de projector in een bepaalde zaal op een bepaald uur onverbiddelijk zou beginnen te draaien, maakte de kijker nederig. Hij onderwierp zich aan de temporele en ruimtelijke eisen van het medium.

Curiosum

Dat ik niet de enige ben die dergelijke zinloze nostalgische gevoelens koestert, bleek uit de massale opkomst voor de restauratie van La tragica fine di Caligula imperator (Ugo Falena, 1917) – allemaal mensen die de lokroep van het onbekende verkozen boven een prachtige print van Douglas Sirks Magnificent Obsession (1954). De restauratie ontsprong uit het langdurige samenwerkingsverband tussen La Cinemathèque française en het EYE Filmmuseum (Cinemathèque had alle originele negatieven zonder een aanduiding van volgorde, EYE had een print met een ontbrekend hoofdstuk) en de film kon precies een eeuw na zijn oorspronkelijke release voor het eerst opnieuw vertoond worden.

Nog frappanter dan de grote opkomst was de onwil van het publiek om na de screening hun teleurstelling toe te geven. Het enthousiasme bekoelde niet, Caligula bleef over de tongen gaan op de koer van Cinema Lumière en niemand leek de matigheid van de film te willen erkennen – ik al evenmin. Het was alsof we verblind waren geraakt door de hype rond de film en eventjes ons kritische denkvermogen verloren, in een vlaag van caligulaanse verstandsverbijstering. Maar nu de sfeer van Aperol Spritz en slaapdeprivatie achter ons ligt, kan de waarheid in alle sereniteit gezegd worden: La tragica fine di Caligula imperator is een behoorlijk zwakke film. Uit de indrukwekkend versierde decors valt dan misschien wel af te leiden dat de productiekosten hoog lagen voor de jaren 10, maar het complete gebrek aan filmische dynamiek maakt de 66 minuten speelduur een hele beproeving. De film oogt bijzonder toneelmatig: elke actie ontwikkelt zich in één onafgebroken take, steeds gefilmd vanop dezelfde hoogte en nagenoeg zonder close-ups. De decoupage heeft nergens een stilistische functie, dient louter om de overgang van de ene fysieke ruimte naar de andere te markeren en benadrukt het strikt lineaire karakter van de vertelling, met uitzondering van een parallelmontage à la D.W. Griffith in het begin van de film: terwijl een groep vervolgde christenen schuilt in een grot, krijgen we simultaan te zien hoe een in waanzin verzinkende Caligula in zijn paleis bevelen opdraagt aan de Praetoriaanse wacht.

Dit povere gebruik van visuele grammatica is echter niet altijd even storend en de bedoelde grandeur van de film komt vooral goed tot zijn recht in de tableau-achtige momenten, zoals de scène van de keizerlijke orgie. Verder is La tragica fine di Caligula imperator op zijn minst een interessant curiosum te noemen. De door tinting oranje gekleurde pellicule maakt de film een bevreemdend historisch artefact en het statische, onversneden karakter van de beelden zorgt voor een voyeuristische inkijk in een obscuur wereldje dat tot de verbeelding spreekt, alsof er op een of andere manier groezelige amateurbeelden zijn opgedoken van het Romeinse Rijk.

Onder hypnose

Niet dat La tragica fine di Caligula imperator een realistische weergave is van zijn tijdperk, voor zoverre dat überhaupt mogelijk zou zijn bij een verfilming van de klassieke oudheid. Een historisch epos zegt altijd meer over de periode waarin de film gemaakt werd dan over de periode die de film moet uitbeelden. Samen met een paar andere spektakelfilms, zoals het thematisch en stilistisch verwante Quo Vadis (1912) en het op alle vlakken superieure Cabiria (1914), wist La tragica fine di Caligula imperator in de nasleep van de Italiaanse kolonisatie van Libië in 1911 het nationalistische denken te versterken met een hulde aan het historisch-culturele patrimonium. Het legde ook de fundamenten van het peplumgenre, swords & sandals-films die de Italiaanse markt zouden domineren tot in de jaren 60 en populaire exportproducten bleken.

Fascinerend is ook hoe er in historische films soms een onmiskenbaar anachronistisch element komt binnengeslopen, hier aanwezig in het personage van Stacia Napierkowska. Zij speelt de jonge Eglea die als gevangengenomen slavin verplicht wordt keizer Caligula te behagen met een lust opwekkende dans. Haar dansopvoering – een combinatie van ballet en moderne dans – past stilistisch perfect in de tijdsgeest van de jaren 10 en ook qua uitdossing lijkt Napierkowska eerder een mode-icoon uit de belle époque dan een vrome christen. In het echte leven was de Frans-Poolse Napierkowska een spraakmakend figuur in de artistieke beau monde: ze belandde na een exotisch optreden in New York eventjes achter de tralies wegens ontucht en fungeerde als muze van avant-gardecineasten zoals Louis Feuillade, Jacques Feyder en Germaine Dulac. In L’Atlantide (Feyder, 1921) bijvoorbeeld speelde ze als koningin van de verzonken stad Atlantis een even bezwerend personage in een geheel andere context, wat veel reveleert over de heersende divacultuur van toen en laat vermoeden dat La tragica fine di Caligula imperator misschien gewoon een showcase was voor Napierkowska’s danskunsten. Dat uitgerekend die scène er door de calvinistische censuur was uitgeknipt bij de Nederlandse release, een lange tijd spoorloos bleef en pas nu voor het eerst opnieuw te bewonderen valt, verstrekt het idee een verborgen parel te hebben ontdekt. De uitgesponnen take waarin een angstige Eglea enkele voorzichtige pasjes zet, zich een paar keer lijkt te laten vallen en vervolgens driftig in het rond tolt, werkt hypnotiserend en het zijn dit soort briljante opflakkeringen die een filmhistorische voetnoot als La tragica fine di Caligula imperator toch de moeite waard maken. Of misschien probeer ik mezelf gewoon iets wijs te maken, aangezien ik de film wegens plaatsgebrek rechtopstaand moest zien en een verantwoording zoek voor die uitputtingsslag.

Beeld: La tragica fine di Caligula imperator

Geschreven door TOBIAS BURMS
 
onomatopee