Interview: Matteo Simoni Master Filmfestival Oostende 2018

Filmfestival Oostende 2018 krijgt een Italiaans tintje. De Master, die het festival jaarlijks zijn eigen kleur geeft met een zelf gekozen programmatie, is dit jaar acteur Matteo Simoni, die vanwege zijn roots enkele Italiaanse klassiekers heeft uitgekozen om te vertonen. Met zijn 30 jaar is hij de jongste Master in de geschiedenis van het festival. Peter Craeymeersch, artistiek directeur van FFO: "Simoni is voor mij een van de boegbeelden van het aanstormende talent dat Vlaanderen rijk is en die alles in zijn mars heeft om internationaal door te breken.” Filmmagie vroeg aan de kersverse Master hoe hij zijn taak zal invullen.

“Een klein maar fijn festival”, zo omschrijft Craeymeersch het Filmfestival van Oostende (FFO). Toch oogt het programma allesbehalve klein. Ten eerste worden er Lifetime Achievement Awards uitgereikt aan drie grote namen van de Belgische film: Raoul Servais, Robbe De Hert en Harry Kümel. Daaraan worden langverwachte premières gekoppeld zoals Servais (Rudy Pinceel) en Hollywood aan de Schelde (Robbe De Hert). Harry Kümel wordt geëerd met een projectie van zijn bekendste film Les lèvres rouges (Dorst naar bloed in het Nederlands), de allereerste Vlaamse vampierenfilm, die ondertussen de status van cultfilm heeft bereikt.

De twaalfde editie van FFO opent met Engel van Koen Mortier, naar de roman van Dimitri Verhulst. Mortier gaf op de persconferentie van het festival aan dat het niet gemakkelijk was om het boek – dat bestaat uit een lange monoloog – te verfilmen. De rest van het programma oogt indrukwekkend. Matteo Simoni mocht als master van FFO dit jaar een tiental films uitkiezen. Gezien zijn afkomst koos hij voor enkele Italiaanse klassiekers zoals La meglio gioventù, La vita è bella en Cinema Paradiso. Ook Nebraska (2013, Alexander Payne) en Le fils (2002, broers Dardenne) staan op zijn lijstje, waardoor de relatie tussen vader en zoon loopt als rode draad. 

FILMMAGIE: Waarom heb je gezegd op de vraag om master van het FFO18 te zijn?

MATTEO SIMONI: Mijn voorgangers zijn niet van de minsten en ik ben zeer vereerd om mee in dat rijtje te staan. Ik heb vooral ja gezegd omdat ik het enorm tof vind om aan het publiek te laten zien waar ik mijn inspiratie vandaan haal. Mensen kennen me alleen maar van de rollen die ik speel. Ik vind het ook belangrijk dat mensen niet te veel van mij weten, dat ik niet te veel als mezelf – de persoon Matteo Simoni – op tv kom. Toch vind ik dat het publiek mag zien waar ik mijn mosterd haal, dat ze zien wat ik interessant vind en wat mij inspireert. Samen met Peter (Craeymeersch, nvdr) heb ik naar een thema gezocht. Ik wou iets over familie doen en nadien hebben we ingezoomd op de vader-zoonrelatie, een universeel gegeven. Mensen zien dat graag, de onvoorwaardelijke liefde die je voor je familie hebt of voor je vader in dit geval. Het is iets waar alle mensen over kunnen meespreken. En ik hoop dat het mensen ook naar de zalen trekt!

Wat zit er zoal in het takenpakket van de Master?

M. SIMONI: Een programma maken van tien films die allemaal een bepaald thema hebben en die mij inspireren en tegelijkertijd een beetje het uithangbord van FFO18 zijn, zodat mensen die alleen al voor mijne kop naar de cinema zouden komen ook films ontdekken die ze niet kennen. En natuurlijk ook een beetje de man zijn die vriendelijk mensen begroet en hen welkom heet. Ik ga niet altijd aan de deur staan, maar ik ga wel proberen iedereen met een Limburgse glimlach te ontvangen, hier in West-Vlaanderen.

Heb je alle tien films zelf gekozen?

M. SIMONI: Alles heb ik zelf gekozen. In totaal heb ik dertig films opgeschreven die ik goed vind. Vandaaruit begon ik een selectie te maken waarin het thema 'familie' terugkomt. Er zijn nog duizenden films die ik goed vind en die niets met dat thema te maken hebben, soms was dat een moeilijke afweging. Er was één film die ik er graag in wou en die het thema niet had, maar ik ben streng geweest!

Dus je had eerst die dertig films opgelijst en toen ben je pas naar het vader-zoonthema gaan zoeken?

M. SIMONI: Ja, inderdaad. We zijn begonnen met Le meglio gioventù, een familiekroniek over 37 jaar Italiaanse geschiedenis. De film volgt  een familie door de jaren heen. Dat was de film waarvan ik wist ‘wow, die moet er sowieso in zitten’. Die film gaat specifiek over broers, de vader-zoonrelatie zit er van alle geselecteerde films het minste in, denk ik. Als ik één film meeneem in mijn graf is het die. Daar zit op artistiek vlak alles in dat een familie te bieden heeft, van opvoeding tot eerste liefdes tot tegenstrijdigheden en meningsverschillen. Hoe je elkaar kent, hoe je botst met elkaar, hoe je met elkaar moet leren samenleven onder één dak, hoe je moet overleven als er iemand sterft – dat zit allemaal in die reeks. Ik dacht, dat is mijn uitgangspunt. De vader-zoonrelatie is er bijgekomen door de vele Italiaanse films in de selectie. Als voorbereiding op Marina heb ik naar tal van Italiaanse films gekeken. Dan is Ladri di biciclette erbij gekomen, net zoals La stanza del figlio, films die ik toen heb leren kennen en nu voor mijn taak als Master heb teruggezien en waarvan ik dacht, ja, die passen heel mooi in die selectie. Voor ik het wist, had ik een selectie die heel verschillend is en dat vind ik goed.

Voor Marina heb je Italiaans moeten leren. Ben je daardoor het meeste beïnvloed, een beetje zoals Marcello Mastroianni?

M. SIMONI: Ja, met Mastroianni mag je me vergelijken, dat vind ik een mooi compliment. (lacht) Elke rol heeft mij beïnvloed. Zo is in Marina er een Italiaanse wereld voor mij opengegaan, hoe het was om Italiaan te zijn in het België van de jaren 50, 60, 70 en hoe het toen zat met het immigratiebeleid. Bij Patser ging er een wereld over de islam open, hoe het is om Marokkaan te zijn, de toewijding aan het geloof. Als ik dat met alle rollen kan doen, maakt mij dat rijker als mens. Dat is het interessantste. Daarom word ik ook kritischer en doe ik alleen maar rollen die een reactie zijn op de vorige. Ik wil zo lang mogelijk meegaan. Ik hoop dat mijn houdbaarheidsdatum als acteur niet 30 jaar maar 80 jaar is. En dat wanneer ik dood ben, mensen mij nog steeds graag zien spelen. En dus moet ik kritisch zijn. De laatste tijd heb ik mezelf beter kunnen definiëren, weet ik wie ik ben, waarvoor ik sta, wat ik goed vind en wat ik niet goed vind. Dus ja, het Italiaans heeft me beïnvloed, maar niet alleen dat.

De affiche van FFO18 is duidelijk geïnspireerd op Cinema Paradiso. Hebt u dat beeld zelf gekozen?

M. SIMONI: Het Cinema Paradiso-idee komt – eerlijk is eerlijk – van de regisseur van de FFO-spotjes, Henry Disotuar. De zes spotjes geïnspireerd op Nebraska komen van mij. Een maand op voorhand zijn we samen gaan schrijven, las ik alles, belde ik naar Henry, gaf mijn feedback … Zo hebben we dat uitgezuiverd tot deze zes filmpjes. Het zotte is dat het eerste scenario eigenlijk een langspeelfilm van een halfuur was, waar keiveel inzat. Dat hebben we uitgezuiverd naar de pure essentie, namelijk het zorgende, het verrassende, de schaamte voorbij. Dat vind ik zo fijn, het is echt iets van ons twee geworden. We hebben er elk keihard aan gewerkt. Cinema Paradiso is een film die perfect naast La vita è bella kan staan, maar te weinig mensen kennen hem, zeker jonge mensen. Terwijl het een film is die je ogen kan openen en de liefde voor de cinema kan opwekken. Het hoofdpersonage Toto leert de vaderliefde, de liefde voor een vrouw en de liefde voor de cinema kennen. Hij groeit op zonder vader, in een dorp in Sicilië, met een gast die hem de wereld van de film laat ontdekken. Als kijker kijk je mee vanuit de ogen van een kind naar het ontdekken van de cinema. Daarom is Cinema Paradiso zo mooi, daarom moest hij in mijn selectie zitten. De affichefoto is er inderdaad op geïnspireerd. Wel schoon, nu ik hem zie, ja, daar ben ik blij om.

Het festival wil meer inzoomen op jongeren. Hoop je dat ze dankzij je programmakeuzes die films gaan ontdekken?

M. SIMONI: Ja, natuurlijk. Ik weet zelf heel goed wat is het om die drempel van oude klassieke films, met een zwart-witcover, over te stappen. Maar die filmmakers waren ook mensen die iets wilden maken over hoe zij dachten. Het gaat over meer dan louter het verhaaltje, ze hebben ook een maatschappelijk draagvlak. De drempel is vaak hoog, maar daarom hoop ik er echt aan bij te dragen. Ik wil zeggen: "Zet dat op, want ik weet zeker dat je na een uur denkt: 'Wat een schoonheid zit er in die films!'"

Behalve in film en op tv ben je ook te zien in het theater, wat velen niet weten. Hoe zie je de ideale verhouding tussen film, tv en theater?

M. SIMONI: Dat is een moeilijke afweging. Mijn theaterprojecten worden de komende jaren alsmaar minder. Film leg je vast, theater komt op het laatste moment pas. Leuk vind ik het niet om mensen teleur te stellen, het is een afweging van: wanneer ga ik nu echt voor een theaterstuk en wanneer is het echt de moeite om een film te maken. Het spelen op zich is ook totaal anders. Dora van der Groen, mijn docente, zei altijd dat als je op het theater staat, dan moet je je emoties uitzenden tot aan de laatste rij in de Bourla. Al moet je wel klein spelen wanneer je verdrietig bent, dan kan je niet zitten bleiten. Bij film komt de camera de ziel wel uit je ogen halen en moet je kleiner spelen. Theater is in mijn ogen een apart vak, dat is volkomen anders. Voor mij is het altijd essentieel om na lang te filmen even weer in theater te duiken omdat het mij wakker schudt. Theater is erg kwetsbaar. Het is bijna onmogelijk om elke dag dezelfde zinnen uit te spreken, zestig keer na elkaar, alsof het de allereerste keer is. Bij film heb je de luxe om die ene dag op de set, tussen actie en cut in, de zinnen uit te spreken en nooit meer zo te hoeven uitspreken. Die ene keer dat je hem uitspreekt is het moment dat je denkt: Zo goed ga ik hem nooit meer zeggen als nu. Dat is een verantwoordelijkheid, een onsterfelijkheid die je hebt. Op dvd kan iedereen een film altijd zien. Als ik dood ben, kunnen mijn kleinkinderen die film bekijken. Dat moment, het filmen, dat houdt me scherp en creatief.

Welke van de drie doe je het liefst?

M. SIMONI: Film. De cinemaboog van drie maanden is voor mij persoonlijk houdbaar. Drie maanden kan ik mij concentreren op een rol, acht maanden (voor een tv-serie bijvoorbeeld) vind ik te lang. Dat heb ik gaandeweg ontdekt. Zo’n boog van dertig dagen, in één ruk, thuis weg zijn en in die rol duiken, dat doe ik het liefst. Als het vrijblijvend is, vind ik het niet zo interessant.

Heb je tijd nodig om na het einde van de opnames uit je rol te groeien?

M. SIMONI: Het moment van de laatste opnamedag is altijd raar. Dat is een mix van geluk en gemis. Aan de ene kant ben je blij dat het gedaan is, dat je de rol achter je kan laten, aan de andere kant voel je ook dat het snel is gegaan. Het enge is dat je er dan niets meer aan kan doen. Als acteur ben je zo’n klein onderdeel van een grote film, van een regisseur en zijn visie. Hoe ouder ik word, hoe meer ik de visie nodig heb van een regisseur. Als die er niet is, kan ik het niet. De regisseur kan mij alleen maar grootser en rijker maken. Alleen kan ik dat niet. Maar ik sta graag ten dienste van de regisseur. Ik ben graag de speelbal van de fantasie van iemand of ik kleur graag de fantasie van iemand anders in. Ik probeer mijn ego thuis te laten wanneer ik op de set sta.

Hoe groot is jouw bijdrage aan een rol?

M. SIMONI: Een regisseur kiest je omdat hij je fysiek interessant vindt, de manier waarop je spreekt, de globale kleur die je uitstraalt. Wanneer iemand anders zou worden gekozen, dan is het een volledig andere film met dezelfde tekst. Niemand zal die rol ooit zo spelen als ik, maar ik zal ook nooit spelen zoals iemand anders speelt. Dat is allesbehalve pretentieus, maar we zijn nu eenmaal allemaal uniek. Als regisseur en acteur moet je elkaar ergens in het midden vinden. Uiteindelijk is het die gemeenschappelijke noemer tussen de visie van de regisseur en acteur die overblijft. En vaak is dat iets meer van de regisseur dan van mij, maar dat verschilt. Dat is een interessant gegeven: waar vind je elkaar?

Oostende, 12 juni 2018

Geschreven door LEEN REYNAERTS