Interview met Peter Greenaway over “Que Viva Eisenstein!”

Enkele weken nadat de Amerikaanse filmregisseur William Friedkin (79 jaar) tijdens het Champs-Elysées Film Festival in Parijs zijn ongenoegen uitte over de exuberante aanwezigheid en het overwicht van films zoals “Batman”, “Superman”, “Iron Man”, “Spider-Man”, “The Avengers”, “The Hunger Games” en hun bijhorende sequels komt de uit Wales afkomstige Peter Greenaway (73 jaar) voor de dag met een perfecte tegenzet: “Que Viva Eisenstein!”

In deze film brengt Greenaway hulde aan de Russische filmpionier Sergei Eisenstein (1898-1948) wanneer hij hem in 1931 in Mexico volgt waar de filmer opnames maakt voor “Que Viva Mexico!” Greenaway getuigt van zijn immens respect voor Eisenstein als filmmaker van klassiekers zoals “Battleship Potemkin” (1925) en “Oktober” (1928) op zijn eigengereide manier, als een krachtig, visueel en rijp essay met een logisch opgebouwde structuur. De veelzijdige kunstenaar, intelligente filmfilosoof en -theoreticus, en geprezen BAFTA-laureaat (2014) die in het verleden acteurs zoals Helen Mirren en Ewan McGregor mee heeft geïntroduceerd, scoort ermee bij zijn trouwe aanhang.

Peter Greenaway is een man van de ernst. Hij neemt zijn vak ernstig, en dat is de onmiskenbare ondertoon van zijn films. Op foto’s kijkt hij ook altijd diepzinnig; zelden kan er een lachje af. Zijn blitzbezoek aan Brussel om er “Que Viva Eisenstein!” te komen voorstellen, werd in de namiddag eerst stevig ingevuld door interviews. Op het zonovergoten terras van het Brusselse hotel waar hij logeerde, zat hij rustig in de zetel waar hij, aimabel en ontspannen, alle tijd nam om alle individuele gesprekken gemoedelijk af te werken. Desnoods, en graag zelfs, mét een kwinkslag.

’s Avonds stelde hij in de Brusselse Bozar zijn film voor met een beknopte inleiding, en na afloop van de vertoning volgde meer duiding met daar bovenop nog een Q&A met het aanwezige publiek waar hij zijn bewondering voor Eisenstein nauwelijks kon intomen. Eisenstein is voor Greenaway het toonbeeld van regie én montage, en ook dat laatste liet Greenaway niet onopgemerkt voorbijgaan: “Behalve de regie is de montage van een film enorm belangrijk; de monteur bepaalt mee waar de focus van het publiek naartoe gaat, welk beeld wordt benadrukt en hoe sterk het overkomt. “The editor is the gatekeeper to what the audience gets to see!” Om het met zijn woorden te zeggen.

FILMMAGIE: Je films zijn altijd krachtig, zeer persoonlijk, ze vragen een inspanning van de kijker, en wat je vertelt loont inhoudelijk en qua vormgeving altijd de moeite.
PETER GREENAWAY: Wel, ik maak ze niet doelbewust moeilijk (lacht). Misschien heeft het te maken met mijn culturele achtergrond, mijn belangstelling voor geschiedenis en mijn opleiding als schilder. Combineer je dat allemaal met elkaar, dan krijg je automatisch wat ik in m’n films breng en hoor je de taal die ik spreek. De gedachtegang waarmee ik vaak word geassocieerd, sluit ook erg nauw aan bij de Europese cultuur, denk ik.

FM: Je bent een veelzijdig kunstenaar, niet alleen ben je schilder, scenarist of regisseur, je organiseert ook tentoonstellingen, je schrijft, je houdt lezingen, enz. Wat ben je in de eerste plaats?
P.GREENAWAY: Als je mijn belastingcontroleur zou zijn, dan moest ik zeggen dat ik filmregisseur ben (lacht). Weet je, mijn uitgever gaat ervan uit dat ik een schrijver ben, van opleiding ben ik een schilder en doe ik ook nog andere dingen. Uiteindelijk ben ik nu 73 jaar en moet ik voor mezelf nog altijd uitmaken wat ik ga worden wanneer ik groot zal zijn. Dat stoort me helemaal niet, ik vind het niet erg om meerdere dingen te doen die in elkaar overvloeien. Mensen hoeven niet per se een label mee te krijgen door het beroep dat ze uitoefenen. Ik bedoel maar, een beenhouwer kan misschien gefascineerd zijn in safari’s in Afrika of iets totaal anders. De echte raison d’être moet dus niet noodzakelijk verwant zijn aan wat we doen in ons openbare leven, vind je niet?

FM: Is film dan voor jou de ideale uitlaatklep voor je creativiteit?
PG: Schilderen is voor mij veel belangrijker. Weet je, cinema sterft een langzame dood, volgens mij. De democratisering, het feit dat we geen celluloid meer gebruiken, iedereen heeft een laptop, een mobile telefoon of een camcorder… Iedereen kan nu een filmmaker zijn. Het elitaire is verdwenen, en dat is een heel goede zaak. Maar anderzijds, heel het proces van ‘een film maken’ is omgegooid. Ik vrees dat mijn achterkleinkinderen tegen hun vaders gaan zeggen, ‘Cinema, wat was dat precies?’ Geef het nog drie generaties, en het is verdwenen, vrees ik. Maar dat kan je helemaal niet zeggen van de kunstvormen zoals ze vroeger door de Grieken werden bedacht, zoals architectuur, schilderkunst, muziek of literatuur. Die bestaan al duizenden jaren en ze zijn er nog altijd; ik kan ergens in een hoek gaan staan en lachen. Dat is theater. Als ik zweet, neem ik met m’n vinger wat vocht van mijn huid en trek hier op tafel enkele strepen: ik heb een schilderij gemaakt. Die kunstvormen zijn zeer elementair en eenvoudig voor iedereen - ze zijn universeel. Cinema daarentegen is uiterst gecompliceerd. Je hebt een hele ploeg nodig om een film te maken en het is vaak een dure onderneming - ofschoon dat niet altijd zo hoeft te zijn, toch is het zo. Wil je deel uitmaken van de wereld van de cinema, dan moet je een donkere ruimte in. Maar jij en ik zijn helemaal geen nachtdieren, dus wat gaan we dan in de duisternis zoeken? Bovendien, film omvat heel wat extra’s, er zijn talloze andere externe factoren die mee bepalend zijn, en dan stel ik me de vraag of dat kan blijven duren. En (hij kijkt even rond)… ik zie geen stopcontact, maar als er een zou zijn en het wordt uit de muur verwijderd… geen cinema meer.

FM: Film is vrij jong in vergelijking met die andere kunstvormen: het zal nog blijven groeien, als dat kan?
PG: Wel, film bestaat nog maar 120 jaar; in vergelijking met schilderen, al tienduizenden jaren. Het heeft misschien extra tijd nodig, maar wat mij betreft is film zeker niet de zevende kunst. De Franse schilder Bazaire zei eens: ‘Cinema is een combinatie van theater, literatuur en, als je véél geluk hebt, een beetje schilderkunst.’ Wij kennen niet echt de beeldende cinema: bij ons is film gebaseerd op tekst, met de verhaallijnen en de storytelling. Dat is dus een literaire benadering en geen visuele benadering, terwijl schilderijen niet-narratief zijn. De beste schilderijen hebben geen verhaal nodig, ze maken zélf duidelijk waarover ze gaan, dus waarom moet een film dan een verhaal vertellen? Film is onherroepelijk verbonden aan verhalen; er zijn te veel schrijvers die film omvormen tot een soort van geïllustreerde literatuur, en dat is verkeerd. Daardoor lijkt cinema nu meer op bedtime stories voor volwassenen. Dat is de reden waarom ik heb geprobeerd om met “Que Viva Eisenstein!” een film te maken over film en over beelden.

FM: Als filmmaker kan je worden vergeleken met een Pedro Almodovar of een Lars von Trier. Jullie hebben een uitgesproken visie, kunnen autonoom de films blijven maken die jullie willen maken. Is het moeilijk om keer op keer zulke persoonlijke films te financieren, zorgen voor de final cut, enz.?
PG: Dat is een strijd. Àltijd een grote strijd. Het is niet gemakkelijk om de filmwereld duidelijk te maken waar cinema in wezen over gaat. Ze hebben meestal de neiging om de gemakkelijkste uitweg te kiezen: films maken voor het publiek en niet in functie van de filmmaker. Hetzelfde geldt voor bepaalde critici: ze schrijven voor de lobby, voor het publiek, en niet voor hem die het werk heeft gecreëerd, want ze hebben liever waardering voor hun werk, ze willen hun band met het publiek niet verliezen. Maar dat is net gevaarlijk, want wil je over cinema wil blijven schrijven, moet je er wel voor zorgen dat diezelfde cinema ook gezond blijft, dat hij lang kan blijven meegaan. Daar wringt het schoentje; er zijn nu zoveel films waarvan we van bij het begin al weten, ‘dat hebben we al gezien.’ Dan is het niet interessant meer, na vijf minuten weet je al wat er gaat gebeuren, je weet wie het gedaan heeft, je weet welke humor of ironie je kan verwachten. De regisseurs die je vermeldt, Almodovar of Von Trier, blijven zichzelf heruitvinden. Dat is wat film, net zoals eender welke kunstvorm, moet doen: zichzelf alsmaar opnieuw uitvinden. Zoniet wordt het saai en vervelend.

FM: Dat is een enorme uitdaging. Hoe pak je dat aan?
PG: Weet je, in “Que Viva Eisenstein!” komt er een anekdote ter sprake over journalisten die Eisenstein op de luchthaven van Rotterdam opwachtten, terwijl ze niet eens wisten wie hij was, ze dachten dat Einstein uit het vliegtuig zou stappen. Je hebt daar af te rekenen met onwetendheid. En dat terwijl we met z’n allen net hoog opgeleid zijn tot ver óver de taalgrenzen heen. We springen allen behendig om met taal en met teksten omdat we veel lezen, maar op visueel vlak velen ongeletterd. Dat begint wanneer we een jaar of tien zijn, er wordt ons dan gezegd, ‘De kroontjes leggen we weg, de verf wordt opgeborgen, want nu wordt het ernstig. Nu ga je leren hoe je de rekeningen moet betalen, hoe je de afbetaling moet aanpakken,’ en het enige dat we dan nog doen, is tekst-tekst-tekst. De levensverwachting nu is 80 jaar, maar tussen de leeftijd van 10 en 80 wordt er aan beeldvorming nauwelijks nog aandacht besteed. We denken er niet meer aan, we stimuleren het niet en we doén het zeker niet meer. En dat terwijl kinderen van nature uit absolute grootmeesters zijn in visuele kunst, ze zijn voortdurend aan het tekenen. Ons opvoedingssysteem wist die spontane drang om te communiceren via beelden gewoon uit. Dat vind ik tragisch. En dan zou je denken dat cinema het ideale medium is om mensen te léren kijken. Rembrandt heeft eens gezegd: ‘Omdat je ogen hebt, wil dat nog niet zeggen dat je kan zien. De ogen moeten geoefend worden.’

FM: Vandaar je passie voor de schilderkunst?
PG: Schilderen is voor mij veel belangrijker. Je zou film kunnen bestempelen als een medium waarin veel gebruik wordt gemaakt van kunstlicht. Wel, de allereersten die dat deden, waren vier schilders die allen rond 1600 hebben geleefd: Caravaggio [1571-1660], Pieter Paul Rubens [1577-1640], Diego Velázquez [1599-1660], en Rembrandt [1606-1669]. Wat dus ook impliceert dat zij de eerste grote filmmakers zijn geweest. Ik heb mijn hele leven lang kunst bestudeerd, er zijn vele schilders die ik bewonder, zoals Picasso die zichzelf voortdurend opnieuw uitvond, of de Belgische surrealisten. Vanuit de schilderkunst heb ik veel opgestoken en daardoor is de structuur van mijn films vaak erg symmetrisch en strak. Bovendien kun je in “Que Viva Eisenstein!” ook het gebruik van architectuur gemakkelijk herkennen: het architectonisch benutten van de beschikbare ruimte, da’s erg belangrijk.

FM: Je werkt vaak met dezelfde mensen, zoals de Franse cameraman Sacha Vierny van onder meer “Hiroshima mon amour” en “Belle de Jour” tot aan zijn dood in 2001, en nadien met Reinier van Brummelen die ook de opmerkelijke fotografie van “Que Viva Eisenstein!” verzorgde.
PG: Ze kunnen bijna raden wat je gaat doen, want je kent elkaar erg goed. Tijdens de opnames van “Nightwatching” [2007] wilde ik wat uitproberen, een beetje experimenteren, maar Reinier van Brummelen - net zoals ik een leerling van Sacha Vierny - zei meteen, ‘Nee, dat gaat zeker niet werken.’ Ze weten perfect wie ik ben en wat ik doe, ze kennen mijn ‘woordenschat’ en mijn filmtaal, dat zorgt voor een zeer vlotte samenwerking.

FM: Even opmerkelijk als het camerawerk in “Que Viva Eisenstein!” is de hoofdrolspeler Elmer Bäck. Hoe en waar heb je hem precies gevonden?
PG: Dat was een lànge zoektocht. Aangezien ik in de film ook footage en foto’s van Eisenstein wilde gebruiken, moest ik iemand hebben die op hem geleek. Ik had casting directors in Californië, New York, Rome, Moskou, Sint-Petersburg, Londen en Amsterdam. Ik moest een acteur vinden die het taalgebruik aan kon en die over voldoende taalgevoel beschikte. In Moskou waren er acteurs die zegden: ‘Please, cast me as Eisenstein.’ Maar bij de meeste Russische acteurs is Engels een minpunt. Sommigen vroegen zes maanden om Engels te leren, maar zo werkt het niet echt. Het moest ook iemand zijn die Eisenstein met zijn hart, zijn ziel, zijn verstand en zijn lichaam zowel emotioneel als anatomisch kon incarneren. En liefst ook een acteur van 33, de leeftijd van Eisenstein toen hij in Mexico was. Uiteindelijk kwam ik terecht bij de Finse acteur Elmer Bäck; hij begreep de taal van de film. Qua ritmiek, alliteratie, woordspelingen, enz. voelt het scenario erg Angelsaksisch aan, dus moesten we ook iemand hebben die goed Engels sprak. Hij heeft een goede mimiek en zijn Finse tongval klinkt een tikkeltje exotisch voor West-Europeanen, terwijl hij ook een goed Russisch accent heeft. Misschien zijn de inwoners van Vladivostok het daar niet mee eens, maar het is zeker overtuigend genoeg voor West-Europa of voor Californië. Dat was dus een belangrijke stap: de geschikte hoofdrolspeler vinden. Herinner je je nog “Prospero’s Books” [1991]? Dat is een film die ik heb gemaakt met John Gielgud. Vooraleer we met de opnames begonnen, vertelde hij me: ‘Als je me zegt welke schoenen ik moet dragen, dan weet ik hoe ik aan mijn personage kan beginnen.’ Voor hem waren de schoenen heel belangrijk; zo zit er allicht voor elke acteur wel iets in de trukendoos om met zijn rol aan de slag te kunnen.

Brussel, 6 juli 2015

(Foto: © Leo Verswijver)

Geschreven door LEO VERSWIJVER
 
onomatopee