In memoriam regisseur Francesco Rosi (1922-2015)

Op de dag van het overlijden van Francesco Rosi zei een commentator op de Rai-tv dat de deze nobele filmmaker “zeker gemist zal worden”. Nu, diens laatste artistieke creatie dateert van 2008: de regie van een theaterstuk van de Napolitaanse theaterauteur Eduardo De Filippo.

Zijn laatste film nam Francesco Rosi in 1998 op. Maar op z’n 90ste werd Rosi op het Festival van Venetië in 2012 wel gelauwerd met de carrièreprijs; hij werd niet vergeten. Voor bijna al zijn nationaal en internationaal opgemerkte films zal hij herinnerd wordeen als de cineast van het politiek-sociale enquête-genre, paladijn op zijn manier van de persvrijheid, dezer dagen zo hoog in het vaandel van tallozen.

De levensweg van de in Napels geboren Francesco Rosi liep over meer dan één artistiek pad. Na de middelbare school tijdens de jaren van het fascisme toen hij bevriend was met de huidige president van de Italiaanse Republiek, Giorgio Napolitano, studeerde hij in zijn geboortestad Rechten maar gaf die studies kort voor zijn afstuderen op om kinderboeken te gaan illustreren. Van medewerking aan een lokale radio onmiddellijk na de Bevrijding stapte hij (als hulpje) over naar het theater in Rome.

Zijn eerste schreden in de wereld van defilm zette hij als assistent van Luchino Visconti voor LA TERRA TREMA (1948). Voor Visconti schreef hij mee aan BELLISSIMA (1951) en assisteerde bij SENSO (1953). Vòòr Rosi in 1958 zijn eerste eigen film regisseerde, LA SFIDA, had hij al 101 ervaringen opgedaan in “het spektakel”, de Italiaanse verzamelnaam voor podiumkunsten: theater- en film-assistent, affiche-ontwerper, acteur, zanger en scenarioschrijver van onder meer RACCONTI ROMANI (Gianni Franciolini, 1955) en (gedeelde) filmregies voor LE CAMICIE ROSSE (Gioffredo Alessandrini, 1952) en KEAN – GENIO E SREGOLATEZZA samen met Vittorio Gassman (1956).

Rosi rijpte in de periode van het neorealisme. Als filmauteur hield hij daar een sterke band aan over met de realiteit, met een geëngageerde inzet en met het werken met niet-professionele acteurs,al nam hij wel niet de afstandelijke documentaire stijl over. Na LA SFIDA over de Napolitaanse landbouwmaffia (goed voor de Juryprijs in Venetië 1958) had ook zijn volgende I MAGLIARI (1959, over de ook door de maffia gemanipuleerde Italianen die naar Duitsland waren uitgeweken) al die aandacht die dieper graaft dan wat er aan de oppervlakte te zien is. Vanaf de jaren ’60 wordt Francesco Rosi met SALVATORE GIULIANO (1961) de onderzoeker van sociaal-politieke gebeurtenissen/situaties. Aan de hand van een historisch feit uit 1950 legt deze Zilveren Beer-winnaar van de Berlinale anno 1962 via een flashbackstructuur voor het eerst in Italië de verwevenheid van de georganiseerde misdaad met de politiek bloot en ontrafelt sz band tussen verleden en heden.

Dat Rosi er geen doekjes windt maakt hij duidelijk in de generiek van zijn volgende LE MANI SULLA CITTA’ (1963): «De personages en de feiten die hier worden verteld zijn verzonnen; authentiek daarentegen is de sociale en omgevingsrealiteit die ze voortbrengt.» De actualiteitsfictie over de politiek-economische speculatie en corruptie bij de heropbouw van Napels werd bekroond met de Gouden Leeuw in Venetië 1963. Na het Spaanse drama IL MOMENTO DELLA VERITA’ (1964) en de fabel C’ERA UNA VOLTA (1967, met Sophia Loren en Omar Sharif), keert Rosi in 1970 terug naar het engagement met de anti-militaristische en anti-oorlogsfilm UOMINI CONTRI, gesitueerd tijdens de Eerste Wereldoorlog, die heel wat moeilijkheden kende bij de realisatie en bij de distributie in Italië. Hoofdacteur is Gian Maria Volonté die ook in de volgende vier Rosi-films de hoofdrol zal vertolken.

Meer dan ogenschijnlijke biografieën zijn IL CASO MATTEI (1972) en LUCKY LUCIANO (1973) opmerkelijke politiek-economische enquêtes. De eerste over de mysterieuze dood bij een vliegtuigongeval in 1962 van de grote baas van de openbare Italiaanse petroliumindustrie Enrico Mattei, gëensceneerd als een soort Panorama-reportage. In de tweede wordt de hypocrisie op de korrel genomen van de Italiaanse ondernemers die, gedekt door de politiek, achter de schermen ongestoord zaken doen met de New Yorkse Italo-Amerikaanse gangster Lucky Luciano, in 1946 uitgewezen naar zijn geboorteland.

De Italiaanse communistische partij PCI was een belangrijke factor in de bevrijding (cfr. SALVATORE GIULIANO) en in de ontwikkeling van het naoorlogse Italië. Zoals vele jongeren werd ook Rosi in de tweede helft van de jaren ’40 lid van de PCI. Hij was echter een kritische, geen ortodokse kameraad. De Gouden Leeuw aan LE MANI SULLA CITTA’ werd destijds bijvoorbeeld niet goed verteerd door de partij. In CADAVERI ECCELLENTI (foto, 1976), een thriller spelend in de “Loden Jaren” van het Italiaanse linkse terrorisme (1970-’80) - met de moord op enkele Zuid-Italiaanse magistraten waarvan het onderzoek leidt naar de Romeinse politiek – krijgt de toenmalige PCI een stevige veeg uit de pan wegens haar gebrek aan engagement in de strijd tegen dat terrorisme. Maar Rosi’s hart blijft kloppen voor linkse idealen en bijhorende ontgoochelingen. CRISTO SI E’ FERMATO A EBOLI (1979), geïnspireerd op het gelijknamige werk van de linkse schrijver Carlo Levi, tijdens het fascisme verbannen naar een onderontwikkelde regio in het zuiden van Italië.

Met TRE FRATELLI (1981) – het portret van drie broers - maakt Rosi de balans op van het actuele Italië vol sociaal (nog niet economisch) onrecht en geconfronteerd met de uitlopers van het linkse terrorisme. De cineast gunt zich nadien even een intermezzo met de filmadaptatie van Bizets opera CARMEN (1984), die een voorloper blijkt van zijn blijvend maar minder geaccentueerd engagement. In CRONACA DI UNA MORTE ANNUNCIATA (1983) naar Gabriel Garcia Marquez keert hij deels terug naar zijn roots, LA SFIDA, waarin een om geld scheefgelopen liefdesrelatie naar moord leidt maar ook naar een (pseudo-)verzoening. Een optimistisch interval is Rosi's bijdrage aan de sketch-documentaire 12 REGISTI PER 12 CITTA’ (1989) waarin de Italiaanse gaststeden van de Wereldbeker Voetbal 1990 in de kijker worden gezet. Zijn volgende DIMENTICARE PALERMO (1990) herneemt het thema van de politiek en de internationale maffia. Maar dan wel gesitueerd in Sicilië met als protagonist een Amerikaanse politicus van Italiaanse afkomst, kandidaad burgemeester voor New York, wiens idealen niet overeenkomen met de belangen van de maffia.

DIARIO NAPOLITANO (1992) is LE MANU SULLA CITTA’ revisitred in documentaire vorm over de diepgaande veranderingen die Napels in de voorbije drie decennia heeft ondergaan. Zijn laatste film LA TREGUA (1997) is een project dat Rosi bijna zijn leven lang heeft meegedragen, de omzetting van de gelijknamige roman (1963) van de Italiaanse auteur Primo Levi waarin die als joodse krijgsgevangene zijn terugkeer vanuit Auschwitz had neergeschreven, een roman- en filmwerk tussen verlies van idealen en hoop, met John Turturro in de hoofdrol, een erg gewaardeerde film maar geen commercieel succes.

In afwachting van betere dagen wijdde Francesco Rosi zich aan het theater en was hier en daar raadgever bij filmrealisaties van vrienden. Op 85-jarige leeftijd besliste hij definitief te stoppen met film en nog uitsluitend theaterproducties te doen. († 10 januari 2015)

Geschreven door MARCEL MEEUS