Volker Schlöndorff te gast op Brussels Filmfestival

"Kunnen we niet beter televisie gaan kijken, want het Belgische elftal speelt zometeen een belangrijke wedstrijd!", grapt de Duitse meester-cineast nog voor hij de voorbije zaterdagmiddag als eregast aan een lang interview op het Filmfestival van Brussel begint. 77 jaar jong is Volker Schlöndorff intussen, maar nog zeer helder van geest; zijn antwoorden doorspekt hij met talloze anekdotes.

FILMMAGIE: Je bent niet naar een filmschool gegaan?

Volker Schlöndorff: Ik studeerde nog aan het Institut des Hautes Études Cinematographiques in Parijs, toen Louis Malle me aanbood om de coregisseur te worden voor zijn nieuwe film ZAZIE DANS LE MÉTRO (1960) en ik heb die job verkozen boven een getuigschrift. We waren een nieuwe generatie en we hadden geen zin om te wachten.

Hoezo?

V. Schlöndorff: De aanzet waren de artikels van François Truffaut die verschenen in Cahiers du Cinéma over wat hij denigrerend noemde 'le cinéma de papa', waarin alles ontbrak van wat ons boeide. Dat en de eerste kortfilms van Jean-Luc Godard natuurlijk. We zaten alle dagen in de Cinematek. Dàt was mijn echte filmschool: Le cinéma c'est la joie! Ik kende dus de mensen van de nouvelle nague, niet alleen de filmmakers, ook de technici.

Jean-Pierre Melville wou twee boeken uit elkaar scheuren om zo een scenario te vormen ?

V. Schlöndorff: Dat is intussen een hardnekkig misverstand geworden, want zo eenvoudig was het niet. Men gebruikte één boek voor de pare en één boek voor de onpare pagina's en knipte daar de dialogen uit, die men dan weer achter elkaar plakte tot een scenario...

Deed jij dat ook zo ?

V. Schlöndorff: Nee, het gebeurde veel grondiger. De basis was : hoe gaan we dat in beelden omzetten ? Niet alles wat in een boek geschreven staat, is nodig om een film te maken. Bill Wilder zei daarover : Men moet een boog vinden die ervoor zorgt dat het laatste half uur nog altijd de mensen boeit. Bij MICHAEL KOHLHAAS – DER REBELL (1969) had ik na drie opnamedagen een slecht gevoel over het geheel, maar het had al zoveel geld gekost dat we ons best deden om er toch nog iets moois van te maken. Voor DIE BLECHTROMMEL (1979) moesten we na Wereldoorlog II ophouden, met twee bogen, van het begin tot het einde van de nazi-periode. Ik zat bij de Jezuïeten op school en daar heb ik geleerd hoe men bij een groep kan horen, of juist niet.

Je schreef je eigen scenario's ?

V. Schlöndorff: Of een scenario origineel is of niet is niet zo van belang. Het uitgangspunt moet zijn: Kan het dienen als 'vehicule' om een boodschap over te brengen, dat is veel belangrijker. Wanneer ik van een boek hou, is het boeiend om met de schrijver van gedachten te wisselen. Hoe begon hij er aan ? Wat dreef hem ?

Je had veel contact met Billy Wilder?

V. Schlöndorff: Met Alain Resnais werke ik aan L'ANNÉE DERNIÈRE À MARIENBAD (1961), maar daarvan begreep ik niet al te veel. De komedies van Billy Wilder vond ik wel knap. De helft van de hoofdpersonages in Billy's films zijn journalisten. Toen ik met DIE VERLORENE EHRE DER KATHARINA BLUM (1975) in Los Angeles was, kwam hij kijken. Wilder analyseerde de film helemaal, maar hij begreep nauwelijks waar de Baltische staten lagen en verwarde het met de Balearen. Hij vond de film al te complex; voor hem was het beter om een eenvoudig verhaal op een eenvoudige manier te vertellen.

Je speelt zelf alle scènes voor?

V. Schlöndorff: Persoonlijk is het een plezier om alles voor te doen, in de eerste plaats voor de acteurs, maar dat heeft ook een bedoeling. Ik wil namelijk weten waar de camera staat. Het begon allemaal na het lezen van een interview met Isabelle Huppert; ikzelf wou uitzoeken waar de camera precies moet staan om dat speciale moment van een acteur op beeld te vatten. Het is niet belangrijk voor me om accenten te leggen voor wat een acteur moet doen, wel om dat speciale moment te vatten. Het werken met acteurs is veeleer maandenlang de teksten te herhalen. Zo valt alles op zijn plaats en beseffen we of het natuurlijker is om tijdens een scène te zitten of recht te staan. Toen ik Ingmar Bergman vroeg hoe hij met zijn acteurs werkte en op hun personagehun voorbereidde, was zijn antwoord kort : niets! Dat klopt natuurlijk niet helemaal, maar hij praat met hen over wat ze de avond voordien deden en zovoort tot ze helemaal tot rust gekomen zijn en het beste van zichzelf kunnen geven. Een film is altijd een soort documentaire over de acteur zelf. Gary Cooper in HIGH NOON is veeleer een documentaire over Gary dan zijn rol als sheriff.

Hoe ga je bij het casten te werk ?

V. Schlöndorff: Dat is intuïtie. Zelfs nu nog geloof ik dat het soms puur een mirakel is zoals het kind in DIE BLECHTROMMEL (1979, zie foto). Tussen casting en rolverdeling gebeurt er iets wonderlijks, iets zeer speciaal: tjdens het opnameproces de acteur zichzelf laten zijn in zijn spel. Een film maken vandaag is voor mij voor 90% werken met de acteurs, zodat ze zichzelf kunnen zijn.

En wat de crew betreft?

V. Schlöndorff: "Regie en scenario dienen tot niks wanneer het niet goed in beeld wordt gebracht", aldus Isabelle Huppert en daar sluit ik me volmondig bij aan.

En de montage ?

V. Schlöndorff: Is een zeer geheimzinnig iets, lijkt bijna overbodig met die 2,5-seconde-regel. Met de moderne technieken is het zeer frusterend geworden. Ik vertrok altijd van het opgenomen materiaal en koos voor het beste wat er op dat vlak was gebeurd. Soms betekende dat drie uur rushes bekijken voor een scène van zes minuten. Hoe doe je dat? Wat werkt het beste? Wat doet het meeste recht aan de acteurs? Het opgenomen materiaal vertelt wat erin hoort te blijven en wat moet verdwijnen. Door het voorbereidende werk had ik minder materiaal dan de Amerikanen en dus was de montage ook eenvoudiger. Een shot moet vanuit het standpunt van een acteur zijn gemaakt, want mooie beelden op zich zijn weinig zinvol.

Onlangs regisseerde je nog een choreografie in het Franse Verdun ?

V. Schlöndorff: Voor de herdenking van de bloedige slag daar tijdens de Eerste Wereldoorlog vroeg men me om iets apart te doen. Dat was eenvoudig dacht ik, dus zei ik tegen de organisatie : 'Geen militairen en geen speeches' maar dat heb ik niet helemaal voor elkaar gekregen. (lacht)

En daarmee is het officiële gedeelte afgerond. In de wandelgang hou ik de meester nog even staande. Ik wou nog graag weten hoe hij de duidelijk onder invloed verkerende Rainer Werner Fassbinder kon regisseren in BAAL. Schlöndorff: "Hij was echt niet onder invloed, hij dronk weinig of niks en gebruikte ook weinig drugs toen. Daar komt nog bij dat de opnames meestal 's ochtends vroeg plaatsvonden, dus nee, hij was niet gedrogeerd. Dat moet ik met klem tegenspreken."

Op 20 juni wordt BAAL (1970) vertoond als onderdeel van een retrospectieve Schöndorff in CINEMATEK.

En o ja, België 3 – Ierland 0

Foto: DIE BLECHTROMMEL (1979), Bron

Geschreven door ZENO CORNELIS
 
onomatopee