Adieu Albert Finney (1936-2019)

Met zijn stevige postuur en schalkse blik typeerde Albert Finney in de jaren 60 de ruwe, non-conformistische Britse arbeider die in een opwelling van verzet de ouderwetse truttigheid van de Britse samenleving afzwoor. Het ‘kitchen sink’-realisme uit zijn debuutfilms heeft hij nooit afgezworen. Ook in zijn succesrol in Steven Soderberghs 'Erin Brockovich' (2000) legde hij op sociaal vlak de lat gelijk.

Niettegenstaande zijn klassieke Shakespeare-opleiding vormden de sociaalkritische angry young men Finneys voedingsbodem. Zelf opgegroeid in het arbeidersmilieu van de Noord-Engelse industriestad Salford, voelde hij zich inhoudelijk verwant met deze naoorlogse generatie van jonge Britse toneelschrijvers van proletarische afkomst. Het liefst speelde hij antihelden die de gevestigde orde voor schut zetten. In zijn doorbraakfilm Saturday Night and Sunday Morning (Karel Reisz, 1960) vertolkte hij een working class hero die gebukt ging onder het dagelijkse labeur en het dronken weekend als enige verzet had. In het historische Tom Jones (Tony Richardson, 1963) trok een ondeugende Finney als landelijke schelm van leer tegen het ancien régime. De film werd alom gezien als een metafoor voor Swinging London, de culturele ommezwaai van de Britse samenleving in de sixties. Deze verrassende hit bood de jonge acteur voldoende financiële armslag om zelf filmprojecten te ontwikkelen.

A working class hero … is something to be

Ook als workingclassidool van het modieuze Londense publiek bleef Finney trouw aan zijn volkse afkomst. Voor zijn regiedebuut Charlie Bubbles (1968) keerde hij terug naar zijn grauwe geboortestreek. Als portret van een schrijver die door zijn succes zijn roots dreigde te verliezen, had Charlie Bubbles duidelijk een biografisch kantje. Met zijn productiehuis Memorial Enterprise investeerde hij in nieuw filmtalent. Zo debuteerde Stephen Frears in 1970 onder het Finney-label met Gumshoe, een misdaadkomedie met Finney als een Bogartachtige speurder. Ook Tony Scott (Loving Memory, 1971) en Mike Leigh (Bleak Moments, 1971) behoorden tot zijn ontdekkingen. Kleine producties met sociaal realistische impact genoten zijn voorkeur. Finney keek achter de façade van de prachtige decors en de dure kostuums van de traditionele Pinewood Studios. De hoofdrol in David Leans Lawrence of Arabia (1962) wimpelde hij na twee proefdagen af uit onvrede met de pedanterie op de klassieke Britse filmset.

Toen de vernieuwende Britse filmimpuls van Swinging London eind jaren 60 veramerikaniseerde, kreeg zijn talent minder armslag. In Stanley Donens speels vertolkte Two for the Road (1967) moest hij zijn arbeidersimago bijschaven naast steractrice Audrey Hepburn. In de jaren 70 ruilde Finney zijn natuurlijke présence voor vermommingsrollen zoals Poirot in Sidney Lumets Murder on the Orient Express (1974) of Napoleons gevreesde minister Fouché in Ridley Scotts debuutfilm The Duellists (1977). Blockbusters op Hollywoodmaat liep hij straal voorbij. Pas op zijn 70ste liet hij zich verleiden voor een rol in de Bourne-reeks (2009-2012) en de Bondfilm Skyfall (2012). “I’ve always thought that my career was in England, really. I used to do more in the theatre, and I felt that I should be there.” De planken van Old Vic en de theaters van West End kraakten onder zijn talent. Met plezier bracht hij ook toneelsuccessen naar het witte doek zoals The Dresser (Peter Yates, 1983), Orphans (Alan J. Pakula, 1987) en The Browning Version (Mike Figgis, 1994).

Altijd Shakespeare

Dat de Britse stormram uit Saturday Night and Sunday Morning opdook in de miljonairsrol in de musical Annie (1982) deed de wenkbrauwen van cinefielen fronsen. Maar uitgerekend John Hustons Annie dreef Finneys carrière in de jaren 80 naar nieuwe hoogtepunten. De invloed van zijn Shakespeare-opleiding werd met de jaren dominanter. In Alan Parkers echtscheidingsdrama Shoot the Moon (1982), het Shakespeariaanse The Dresser en John Hustons literatuurverfilming Under the Volcano (1984) investeerde hij heel wat persoonlijke herinneringen en eigen ervaringen. “To be a character who feels a deep emotion, one must go into the memory's vault and mix in a sad memory from one's own life”, verklaarde hij zijn keuze voor fysiek uitputtende karakterrollen doordrongen van diepe gevoeligheid. Met zijn massaal doorgezakte gestalte zette hij in The Dresser een oude, vermoeide en van zijn kostuumassistent afhankelijke Shakespearevertolker neer tijdens de oorlogsjaren. In Under the Volcano speelde hij met enorme monumentaliteit een gedeprimeerde Britse consul met drankverslaving. “Huston gaf me nauwelijks nog regieaanwijzingen in Under the Volcano. Mijn hele jeugd lang had ik Hustonfilms gezien en sinds Annie begrepen we elkaar zonder te praten”, zei de acteur over zijn unieke samenwerking met de Amerikaanse filmveteraan.

Zowel met The Dresser als met Under the Volcano was Albert Finney in de run voor een Oscar, na eerdere nominaties voor Tom Jones en Murder on the Orient Express. Hij zou nog een vijfde keer naast het beeldje grijpen met Erin Brockovich, waarin hij als oude brompot overstag ging voor Julia Roberts. Ook zijn zinderende présence in de misdaadthrillers Miller’s Crossing (1990) van de Coen Brothers en Before the Devil Knows You're Dead (2007) van Sidney Lumet had best een prijs verdiend.

Eigenlijk trof Finneys Churchillportrettering in de televisiefilm The Gathering Storm (2002) raker dan die van Gary Oldman in het met een Oscar bekroonde Darkest Hour (2017). Alleen al omdat Finney louter steunde op zijn mimiek en karakterspel en niet op gezichtsprotheses om de staatsman zo gelijkend mogelijk neer te zetten. Een Churchill met Shakespeare-allures, dat wel!

Zie ook het Finney-portret in ‘Film en Televisie’ nr. 371.

Beeld: Saturday Night and Sunday Morning

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Albert Finney (1936-2019)

Media: 

onomatopee