Adieu Buck Henry

Met vlotte pen toonde Buck Henry (1930-2020) in zijn scenario’s aan hoe humor en sentiment slechts door een flinterdunne grens gescheiden zijn. Zijn spitse, snerende dialogen uit ‘The Graduate’ (Mike Nichols, 1967) maakten hem op slag schrijfkoelie van de babyboomers uit de sixties. Met dezelfde flair riep hij in het knettergekke ‘What’s up, Doc?’ (Peter Bogdanovich, 1972) het verbale vuurwerk op uit de screwballkomedies van de jaren 30.

Voor Buck Henry – Hollywoodverkorting van Henry Zuckerman, van Joodse komaf – kwam het megasucces van The Graduate als een complete verrassing. Met verbazing stelde hij vast hoe het jonge publiek in de uitverkochte filmzalen flarden van de dialogen scandeerde. De Oscar won hij met The Graduate net niet. Het bleef bij een symbolische trofee van verdienste. Als vierde scenarist die de novelle van Charles Webb naar het scherm probeerde te vertalen, had hij voor een drastische ingreep gepleit. Het was zijn idee om de klemtoon te leggen op de generatiekloof tussen de idealen van de jongeren uit de Kennedy-sixties en hun materialistische ouders uit het Eisenhouwer-era. “Buck Henry made writing cool”, schreef journalist Brian Tallerico in zijn in memoriam.

De cocktail lukte iets minder goed in het overladen Catch 22 (Mike Nichols, 1970), zijn bewerking van de satirische oorlogsroman van Joseph Heller, populair in de kringen van de anti-Vietnambeweging. Henry’s counter culture-imago leverde hem wel de vaderrol op in Miloš Formans Hollywooddebuut Taking Off (1971). Als acteur leek de gebrilde Henry geschikt voor witteboordenrollen. Zo werd hij ook meestal gecast, als CEO in Nicolas Roegs The Man Who Fell to Earth (1976) of maffiaboekhouder in John Cassavetes’ Gloria (1980). Als verontruste ouder uit Taking Off geconfronteerd met de nieuwe ervaringen van de hippiecultuur kwam hij dichter bij de thematiek van het generatieconflict uit zijn eigen scripts.

Taking Off

Al van kindsbeen af had Buck Henry met film te maken. Zijn voorliefde voor de komediestijl van de vooroorlogse Hollywoodfilms erfde hij van zijn moeder Ruth Taylor, een actrice uit de periode van de stille cinema. Die oude films beschouwde hij als de beste filmcursus ooit. In zijn scripts nam hij gekende situaties uit dat patrimonium over, maar dan doorspekt met eigentijdse dialogen. Zo legde hij in de Broadwaykomedie The Owl and the Pussycat (Herbert Ross, 1970) de puriteinse Hayescode naast zich neer en dreef hij de actie op met puntige oneliners, helemaal gekneed naar de dictie en mimiek van steractrice Barbra Streisand in haar eerste niet-gezongen rol. In een periode dat lach en kolder wat uit de gratie waren, vond Henry de screwballkomedie opnieuw uit met zijn bewonderende hommage aan zowel Frank Capra, Howard Hawks als Buster Keaton en de Marx Brothers in zijn scenario van What’s Up, Doc. “There needs to be one more bag”, reageerde de scenarist toen Bogdanovich hem het basisidee van de plot – een verwarrende verwisseling van vier identieke koffers – aanreikte. Wat neerkwam op: meer cartoon, meer kolder, meer waanzin, meer anarchie. Buck ritmeerde de lachsalvo’s zoals in de stille films uit de pioniersjaren: eerst grinniken, dan schaterlachen en ten slotte bulderen van het lachen. “‘What’s Up, Doc?’ makes me totally happy in a way that the other films I’ve written don’t”, stipte Henry zelf zijn voorkeur aan.

Warren Beatty en Buck Henry in Heaven Can Wait

Ook zijn regiedebuut Heaven Can Wait (1978) was een erkenning van de Amerikaanse filmcultuur. Als frêle combinatie van komedie en fantasy was het een knipoog naar het onschuldige, vooroorlogse Hollywood. Verbale humor vulde er de visuele aan binnen het stramien van een lekker oubollig scenario waarin de misantropische grapjes onverwachts opdoken en vinnig binnen de plot werden teruggekaatst. Henry nam steracteur Warren Beatty onder zijn hoede als coregisseur, goed voor zijn tweede Oscarnominatie, nu voor regie.

Prominent aanwezig op televisie met de spionagesatire Get Smart (1965-1970) en sketches voor Saturday Night Live (1976-1980) verwerkte hij zijn tv-ervaringen in het script van de mediasatire To Die For (Gus Van Sant, 1995), een ongenadig portret van de ambitieuze yuppiecultuur. Zelfspot zat Henry in de genen. Getuige ook zijn cameo in Robert Altmans The Player (1992), waarin hij producent Tim Robbins schaamteloos een sequel van The Graduate aanpraat. Sarcasme als stijlfiguur voor verfijnde scenaristen.

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Buck Henry

Media: