Adieu Bud Spencer (1929-2016)

Dat de Italiaanse acteur Carlo Petersoli overleden is zal weinigen wat zeggen. Maar Bud Spencer die als een punchbal vuistslagen incasseerde en die met een klinkende dreun pareerde, ja, die blijft internationaal een film-icoon. Behalve de spaghettigwesterns en de avonturen-spinoffs in duo met Terence Hill die het tweetal in de jaren ’60-’70 wereldbekend maakte, had de “gigante buono” ofte goedzakkige reus wel meer in petto.

Napolitaan van geboorte verhuisde Carlo als tiener met zijn ouders naar Rome. Daar wijdde hij zich aan zijn grote passies, het zwemmen, en studeerde er later chemie aan de universiteit. Na een familieverblijf in Brasilië en Argentinië nam hij de zwemcompetitie weer op: als 21-jarige was hij de eerste Italiaan die onder de minuut bleef op de 100 meter vrije slag. In de jaren ’50 deed hij mee aan nationale en internationale wedstrijden (o.a. de Olympische Spelen van Helsinki in 1952, Melbourne in 1956) met enkele medailles in zowel individuele als in ploegcompetities. Ook zijn tweede sport, het rugby, zorgde mee voor een uitgesproken fysiek die ook opgemerkt werd in het milieu van het Hollywood aan de Tiber, Cinecittà. Eén van zijn eerste filmverschijningen was als figurant in de peplum Quo vadis? (1951, Melvyn ReRoy). Zijn prioriteiten bleven echter in de zwemsport liggen. En al verscheen hij sporadisch al dan niet met naam in nog enkele filmproducties (o.a. A farewell to arms, 1957, Charles Vidor), dan dreef zijn “mal d’Amérique Latine” hem in die jaren terug naar Zuid-Amerika. Tussen meerdere jobs door nam hij er als piloot deel aan de toenmalige autorace Caracas-Maracaibo en zwom er competities onder Venezuelaanse vlag. Nog altijd als Carlo Petersoli teruggekeerd in Italië schreeft hij zich in in rechten en sociologie zonder de studies af te maken en nam deel aan de Olympische Spelen van Rome, 1960. Hij gaf zich echter ook over aan een nieuwe ambitie, muziek, als tekstschrijver aanvankelijk van kinderliedjes, in de volgende jaren voor Italiaanse zangers, en met enkele soundtrack-bijdragen voor latere eigen films maar ook met twee songs voor de Italiaanse versie van Cleopatra (1963, Joseph L. Mankiewicz). In enkele van zijn avonturenfilms in de jaren ’70-‘80 liet hij zich bovendien kennen als pianist, saxofonist, gitarist en zanger. Van die activiteit laat hij zowel een LP als enkele singles na. Het acteren was bij zijn terugkeer in Italië nog altijd geen echte ambitie, ondanks een vermelde acteursdeelname in de historisch neergezette Annibale (1959, C.L. Bragaglia) waarin ook Massimo Girotti (de latere Terence Hill) een rol had in aparte scènes. Na jarenlange verloving huwde Petersoli in 1960 Maria Amato, dochter van filmproducent Giuseppe Amato (o.a. Umberto D., La dolce vita), waaraan Carlo een (onvermelde) productie-assistentie overhield in Barabba (1961, Richard Fleischer). In 1964 nam hij de filmdraad weer op als producent van documentaires voor de Italiaanse omroep Rai.

De echte filmacteurscarrière en het bondgenootschap met de 10 jaar jongere Girotti als protagonisten begon in 1967 in het zog van de klassieke spaghetti-westerns à la Sergio Leone met Dio perdona... io no van Giuseppe Colizzi, in enkele landen gecensureerd want teveel geweld. Naar Italiaanse gewoonte in die jaren accepteerden de acteurs zich een Amerikaans klinkende naam aan te meten: Massimo Girotti werd Terence Hill, Carlo koos voor Bud Spencer, geïnspireerd op het Budweiser-bier en op Spencer Tracy, zijn geliefkoosde acteur. Colizzi liet de personages Hutch “Earp” Bessy (Spencer) en Cat “Doc” Stevens (Hill) nog opdraven in I quattro dell’Ave Maria (1968) en in La collina degli stivali (1969). Deze films waren niet meteen hoogvliegers en in tussendoorse en volgende producties ging Spencer onder zijn verworven artiestennaam een solo-carrière aan in tweedeplansrollen in o.m. “traditionele” spaghetti-westerns Oggi a me... domani a te! (1968, Tonino Cervi), Un esercito di 5 uomini (1969, Italo Zingarelli) en in het oorlogsdrama Gott mit uns (1970, Giuliano Montaldo). Het Colizzi-drieluik kwam in België pas in de bioscoop in 1973, maar met vertraging ook in andere landen, de twee laatste titels als Ace high en Boots Hill en deze laatste hier en daar onverdiend zelfs met de titel Trinity rides again. De namen Trinity of Buddy zouden in de volgende jaren trouwens wel vaker opduiken in promotieslogans of in filmtitels voor de buitenlandse markt.

Want in 1970 verscheen het duo Hill-Spencer opnieuw als hoofdrolspelers in Lo chiamavano Trinità/They call him Trinity van Enzo Barboni alias E.B. Clucher, een onverwacht en wereldwijd succes. Dit dankzij de restyling waaraan deze productie de spaghetti-western onderworp, nl. als comedy, een parodie op het originele ruwe genre, met komische situaties, zonder bloedige vuurgevechten, maar wel met uitgesponnen hilarisch luidklinkende knokpartijen – een mutatie die overigens ook al de Italiaans historisch-mythische peplumfilms hadden ondergaan. Voeg daaraan het fysieke Dikke&Dunne-effect versterkt door de rivalizerende broederband dat in hun ernstige westerns niet werd uitgebuit. Dit soort western wordt ook wel “fagioli/bonen-western” genoemd, naar de beginscène in de eerste Trinity-film waarin Trinity (Hill) zich volpropt met bonen. Alvorens overrompeld te worden door de onvoorziene bijval waren de twee acteurs gecast maar als tegenstanders in de mantel-en-degen-film Il Corsaro nero (1971, Lorenzo Gicca Palli). De eerste Trinity en de (her-)lancering van de Colizzi-triptiek had het duo Spencer-Hill tot een merknaam verheven. In 1971 draaide Clucher het vervolg ...continuavano a chiamarlo Trinità/Trinity is still my name, één van de grootste successen aller tijden aan de Italiaanse bioscoopkassa’s. Het tweetal zou over de volgende jaren heen duo-partners blijven als tegengestelde buddies in nog elf andere producties. Behalve hun laatste samenwerking Botte di Natale geregisseerd door Terence Hill himself (1994, bij ons zonder bioscoopdistributie) zijn het geen westerns meer maar wel van hetzelfde pretentieloze comedy-format bestemd voor de hele familie: eenvoudig verhaal waarin de twee in verschillende epoques en diverse plunjes de verdediging op zich nemen van bedreigde onschuldigen tegen uitbuiters of criminelen waarmee ze (vooral) op de vuist gaan. O.a. vliegtuigpiloten in Zuid.-Amerika in ...più forte ragazzi! (1972, Colizzi), gepromoot met de slogan “Those Trinity boys...” en met een Spencer die voor het eerst zelf een vliegtuig bestuurt – een nieuwe passie die hij daarna omzet in een brevet; in Porgi l’altra guancia (1974, Franco Rossi) gaat het om twee missionarissen in Centraal-Amerika einde 19de eeuw; in Io sto con gli ippopotami (1979, Italo Zingarelli) dagen ze op als safari-operatoren in Afrika; ze worden schattenjagers in Chi trova un amico, trova un tesoro/Who finds a friend, finds a treasure (1981, Sergio Corbucci); om niet te spreken van de diverse in de States neergezette (maar altijd Italiaanse) producties waarin ze nogal eens tegen wil en dank het uniform van politie-agent of CIA-er aantrekken (o.a. Miami supercops, 1985, Bruno Corbucci)...

Bud Spencer slaat tussendoor ook eigen filmwegen in. Aanvankelijk verandert hij van toon: Dario Argento (o.a. scenarist van Un esercito di 5 uomini) cast hem voor zijn horror Quattro mosche di velluto grigio (1971), en Carlo Lizzani kiest Bud in de geëngageerde policier Torino nera (1972). Het Trinity-succes bepaalt evenwel zijn verdere carrière als onverstoorbare uitdeler van opdoffers in hoofdzakelijk story-variaties op de Hill-Spencer-producties: policier, fantasy, maffia... Ook de promotie van zijn eerste solo in die reeks doet daarop beroep met de affiche-slogans “Trinity’s lad is back” voor Si può fare... amigo (1972, Maurizio Lucidi) waarin hij een goedhartige Amerikaanse vagebond vertolkt. Tot halfweg de jaren ’90 blijft hij hoofdrolvertolker of co-protagonist in een vijftiental films. Het grote succes Anche gli angeli mangiano fagioli (1973, .E.B. Clucher) lijkt wel een (niet van de grond gekomen) poging om een nieuw duo te lanceren met Giuliano Gemma (tot dan toe held in peplums en westerns) in de plaats van Terence Hill in een Amerikaanse maffia-setting jaren ’30. Met Piedone lo sbirro (1973) lanceert regisseur Steno de acteur in een fortuinlijke filmserie als Napolitaanse politie-inspecteur die op alle continenten harde klappen uitdeelt aan de plaatselijk maffia: Piedone a Hong Kong (1975), Piedone l’africano (1978) en Piedone in Egitto (1980). De fantasy-productie The sheriff and the satellite kid (1979, Michele Lupo) – een sheriff die een E.T.-tje verdedigt tegen slechtmenende Amerikanen - blijft het internationaal doen. Maar in België geraakt een variatie op de wonderlamp van Aladin Superfantagenio (1986, Bruno Corbucci) niet in de bioscoop. Ook in het buitenland lijkt de goedzakkige puncher weg te deemsteren. Spencer stapt dan grotendeels over van film- naar tv-set voor tv-series in Italië, Duitsland (Big Man, 1987), de V.S. (Detective Extralarge, 1991-1993), Australië (3 – 4 ever, 2002) waarin hij het vertrouwde karakter verder vertolkt. Dan is er echter het buitenbeentje in zijn loopbaan Cantando dietro i paraventi (2003) waarin Ermanno Olmi hem in een opmerkelijke en kleurrijke fabel de rol toevertrouwt van een oude zeilschipkapitein die het verhaal vertelt van Ching,  piraatster tijdens het Chinese keizerrijk, een film die jammer genoeg weinig verspreid is.

Bud Spencer komt nog in het nieuws in 2005 voor een nieuwe uitdaging: kandidaat voor de regionale verkiezingen in Latium voor Berlusconi’s partij - zonder verkozen te worden. Maar wanneer hij zich terugtrekt als acteur in 2010 komt hij op de proppen als schrijver met zijn autobiografie in drie delen die vooral in Duitsland verkopen als zoete broodjes: “Bud Spencer: Altrimenti mi arrabbio” (2010)/”Mein Leben, meine Filme. Die Autobiografie” (2011), “Ottant’anni in giro per il mondo – la seconda parte della mia autobiografia”/”Bud Spencer: In achtzig Jahren um die Welt. Der zweite Teil meiner Autobiografie” (2012), “Mangio ergo sum” (2014)/”Was ich euch noch sagen wollte...” (2016). Want in dat land (en in Hongarije) is hij een held gebleven in de bioscoop (in de jaren ’90 zelfs in kleine bijrollen) en op tv, met zijn eigen fanclubs.

Tijdens de rouwwake in het stadhuis van Rome herdachten bewonderaars hun idool niet alleen met bloemenkransen, ze zetten ook blikjes bonen rond de kist... († 27 juni 2016)

(foto: Terence Hill & Bud Spencer in Trinity)

Geschreven door MARCEL MEEUS

Adieu Bud Spencer (1929-2016)

Media: 

onomatopee