Adieu Claude Rich (1929-2017)

Voormalig bankbediende Claude Rich was als acteur een voorbeeld van Franse distinctie, een haven van rust in een turbulente filmgeschiedenis. Met een voorkeur voor bedachtzame bijrollen.

Met zijn intelligente, beschouwende blik was hij een geruststellende scheepsdokter in het koloniale epos Le crabe-tambour (Pierre Schoendoerffer, 1976). Gebogen over de reling van het mistige schip in de koude, woelige wateren op weg naar New Foundland riep hij herinneringen op aan de oorlog in Indochina en de Franse nederlaag bij Dien Phien Phu. De meditatieve, melancholieke rol in de film over het verval van de Franse grandeur was op maat geschreven van de altijd ietwat discrete en gevoelige Claude Rich (Straatsburg, 1929 – Orgeval, 2017). Met zijn evenwichtige gelaatstrekken en scherpzinnige blik overspande hij van zijn debuut in 1955 in René Clairs Les grandes manoeuvres tot zijn Césarnominatie in de zedenkomedie Cherchez Hortense (Pascal Bonitzer, 2012) en zijn laatste rol in Ladygray (Alain Choquart, 2015) precies 60 jaar Franse cinema in het brede filmspectrum tussen Truffaut (La mariée était en noir, 1968) en zijn Panoramix-rol in Astérix et Obelix: Mission Cléopâtre (Alain Chabat, 2002). “Hij is als een jazzmuzikant die in elke film nieuwe variaties speelt”, zei cineast Bertrand Tavernier, met wie hij La fille de d'Artagnan (1994) en Capitaine Conan (1996) draaide.

Zelf was hij bankbediende geweest, en vaak werd hij ook gecast in kantoor- en ambtenaarsrollen. Hij gaf vertrouwen als politiecommissaris (Alain Resnais’ Stavisky…, 1974; Robin Davis’ La guerre des polices, 1979), conservator (Philippe de Broca’s Le jardin des plantes, 1994), redacteur (Schoendoerffers Là-haut, un roi au-dessus des nuages, 2004) of rechter (Cherchez Hortense; Pierre Granier-Deferres Adieu Poulet, 1976; Bruno Podalydès’ tweeluik Le mystère de la chambre jaune/Le parfum de la dame en noir, 2003-2005). Meer dan zijn studiegenoten aan het Parijse conservatorium Jean-Pierre Marielle, Jean Rochefort en Jean-Paul Belmondo straalde hij gemoedsrust uit. Maar Rich doorzag wel de grappige kant van zijn idealeschoonzoonprofiel. Dat bevestigde hij met zijn ondeugende, schalkse blik in zijn doorbraakrol van klungelige schoonzoon van Lino Ventura in de spitse sixtieskomedie Les tontons flingueurs (1963) van George Lautner. Ook in de hectische De Funès-komedie Oscar (Édouard Molinaro, 1967) was zijn rustige uitstraling meer dan welkom. Rich’ film-DNA was de Franse versie van dat van Colin Firth: dezelfde fijne manieren, even bedachtzaam, gereserveerd en gedistingeerd.

Hoofdrollen zaten er voor de bedeesde Claude Rich nauwelijks in. Gewoonlijk speelde hij ondersteunende nevenrollen en markante bijrollen. Zijn ervaringen als Elzasser bij de bevrijding van Parijs kon hij kwijt in René Cléments veelsterrenfilm Paris brûle-t-il? (1966), waarin geacteerde scènes met documentair materiaal vermengd zijn. Hij genoot van het groepscollectief in Les acteurs (Bertrand Blier, 2000), La bûche (Danièle Thompson, 1999) en in de films van Podalydès (Bancs publics, 2008). Het had anders kunnen lopen als zijn eerste grote hoofdrol in Alain Resnais’ Je t’aime, je t’aime (1968) meer kansen en grotere bijval had gekregen. Maar de film miste zijn geplande première op het festival van Cannes toen de mei ’68-revolte toesloeg op de Croisette en de filmcompetitie stopgezet werd. Met zijn bevreemdende futuristische decors blijft Je t’aime, je t’aime een heel bijzondere Resnais. Rich vertolkte er een bescheiden werknemer in die na een zelfmoordpoging via een wetenschappelijk experiment terugkeerde naar het moment voor zijn wanhoopsdaad. In 1968 amper goed voor 150.000 tickets, maar intussen op dvd herontdekt als vergeten filmparel en mijlpaal in Rich’ carrière. “Voor ik Je t’aime, je t’aime draaide, had ik geen vertrouwen in mezelf. Ik wist niet wie ik echt was en wat ik kon”, getuigde hij over zijn samenwerking met Resnais, die hij consolideerde in Stavisky... en Coeurs (2006).

Rich’ stem klonk kalm en duidelijk. Zijn gearticuleerde Franse dictie, herkenbaar uit de duizend, was een verademing voor de kijker. Het klassieke bronzen timbre paste ook goed bij de historische rollen die hij op latere leeftijd neerzette. Vooral de gehaaide 19de-eeuwse diplomaat Talleyrand bleek een kolfje naar zijn hand. Het verbale steekspel uit Le souper (Edouard Molinaro, 1992), waarin hij aan de avonddis de toekomst van Frankrijk na de slag van Waterloo uittekende, bezorgde filmnestor Claude Rich als 60-plusser terecht de César voor Beste Vertolking.

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Claude Rich (1929-2017)

Media: 

onomatopee