Adieu Ermanno Olmi (1931-2018)

In zijn thuisland Italië wordt Ermanno Olmi († 7 mei) door de een herdacht als de maestro-poëet, de cineast van de eenvoud, van de gewone man en door anderen bekritiseerd precies omwille van die begripvolle, bijna oecumenische aanpak. Zelden lopen in één figuur de parallellen tussen biografie en filmografie zo dicht naast elkaar.

Ermanno Olmi werd geboren in een buitenwijk van de Noord-Italiaanse stad Bergamo, zoon van een arbeidster en van een spoorwegambtenaar – de trein keert regelmatig terug in kortfilms, op afstand zoals in Il pensionato (1955), of als set in Il premio (2009), waarin jonge uitvinders financiering zoeken tussen reizigers op een sneltrein. Van zijn katholieke ouders erfde Olmi de christelijke waarden die zijn hele privé- en professionele leven hebben begeleid. Ze vormen de basis voor zijn portretten van kerkleiders als Sint-Antonius van Padua in 700 Anni fa (1963), paus Johannes XXIII in E venne un uomo (A Man Named John, 1965) en de Milanese kardinaal Martini in zijn allerlaatste Vedete, sono uno di voi (2017). Wat hen voor Olmi belangrijk maakt, is dat ze figuren zijn die – behalve dat ze ook buiten de katholieke kerk sympathie opwekken – idealen hadden en sterke banden onderhielden met de gewone mensen die in deze semidocumentaires evengoed protagonisten zijn met hun eenvoud, naïviteit en authenticiteit. Ook diverse van Olmi’s langspeelfilms bevatten rechtstreeks of indirect elementen van het christendom, voor hem eerder een bron van inspiratie dan een religie. Hij gebruikt het christendom als middel voor interpretatie in de Driekoningenallegorie Cammina, cammina (Walking, Walking, 1982), helend in La leggenda del santo bevitore (1988, Gouden Leeuw Venetië), ter illustratie in het luik Genesi (1993) van de internationale tv-reeks La Bibbia (The Bible, 1994-2002), en als vorm van kritiek in Lunga vita alla signora! (1987, winnaar van de Zilveren Leeuw op het filmfestival van Venetië), Centochiodi (One Hundred Nails, 2007) en Il vilaggio di cartone (2011). Hier en daar kan de cineast zich niet onttrekken aan een zeker paternalisme of een vorm van beleren. Omdat zijn fictiefilmcarrière samenviel met de ontkerkelijking van de westerse maatschappij, had de lekenkritiek het vaak moeilijk met zijn werk.

Verleden en heden

Nog heel jong verhuisde Olmi met zijn ouders naar Treviglio, toen nog een voornamelijk landelijke streek halverwege Bergamo en Milaan. Het is in deze omgeving dat de latere cineast zijn Gouden Palm L’albero degli zoccoli (The Tree of Wooden Clogs, 1978) neerzet, een kroniek van het plattelandsleven op de kering van de 19de en 20ste eeuw. Deze rustige, poëtische beschrijving stond in fel contrast (en werd daarom ook deels gecontesteerd) met Novecento (1976) die Bernardo Bertolucci in diezelfde eeuwwisseling maar een honderdtal kilometers zuidwaarts liet aanvangen om de revolutionaire strijd tegen de sociale onderdrukking op te roepen.

Afbeeldingsresultaat voor The Tree of Wooden Clogs L’albero degli zoccoli

Als 13-jarige verloor Ermanno zijn vader, antifascist, in de Tweede Wereldoorlog. Toch hebben de enige militaire films van Olmi een vroeger historisch kader en kunnen ze allesbehalve oorlogsfilms worden genoemd. Il mestiere degli armi (2001), die diverse David de Donatello-prijzen won, speelt zich af op de vooravond van de Plundering van Rome in 1527. De weinige afgebeelde veldslagen zijn gestileerde tableaus. De aandacht van de film gaat eerder naar een pausgetrouwe veldheer die in eer en geweten probeert zijn plicht te vervullen om de opmars van de landsknechten van Karel V te vertragen.

In Torneranno i prati (Greenery Will Bloom Again, 2014) verscheurt een zeldzame granaatontploffing de stilte van het desolate sneeuwlandschap in de Italiaanse Alpenhoogvlakten waarin opgeroepen Italiaanse soldaten ingegraven zitten, ongerust afwachtend, slecht uitgerust en vooal zonder goed te weten wat de inzet is. Aan deze 'niet-oorlogsfilms' kan eventueel het stilistisch buitenbeentje Cantando Dietro I Paraventi (Singing Behind Screens, 2003) worden gevoegd, een verhaal (een theatervoorstelling) in een verhaal van een piratenepisode in het Chinese keizerrijk anno 1797 met evenmin bloed- en tranen-scènes, maar wél met – uitzonderlijk – een bekende Italiaanse acteur, Bud Spencer.

Als adolescent verhuisde Olmi naar Milaan en schreef zich in voor een (niet afgeronde) acteeropleiding aan de Academie. Hij voorzag in zijn eigen onderhoud met een baantje als loopjongen bij de energie-onderneming Edison, waar ook zijn moeder werkte. Die eerste stappen in het arbeidsmilieu weerspiegelen zich in Olmi’s eerste langspeelfilm Il posto (1961), waarin een prille liefde verweven zit. Milaan, grootstad in volle ontwikkeling, is niet slechts een achtergrond maar (ver)leidt de mensen die er verblijven, van anonimiteit tot ontmoetingen vol verwachtingen. Op de set leerde Olmi zijn toekomstige echtgenote kennen, actrice Loredana Detto. Van hun drie kinderen werkten Fabio als fotografieleider en Elisabetta als producer later voor hun vader. De vele facetten van de eerste liefdeservaringen worden het onderwerp van I fidanzati (The Fiances, 1963) en van Racconti di giovani amori (1967).

Gerelateerde afbeelding I fidanzati 

De leerschool

In de naoorlogse periode van het ‘Italiaanse (economische) mirakel’ hadden de ondernemingen nood aan bekendheid bij het grote publiek. Dat gebeurde via de zogenaamde bedrijfsfilms, korte documentaires als voorprogramma in de bioscoop. Na zijn promotie tot organisator van ontspanningsactiviteiten voor de werknemers (onder andere filmvoorstellingen en enkele toneelscripts en -vertolking) belastte Edison Olmi met de realisatie van dat type film. Zonder opleiding kreeg hij de stiel snel onder de knie. Tussen 1953 en 1961 draaide hij 31 industriële documentaires en docudrama’s voor het energiebedrijf. In die producties is de onderneming meestal alleen onrechtstreeks aanwezig door haar grote werken: watercentrales, kabelnetwerken, dijkenbouw, machines die de energie moeten kanaliseren, en de alledaagse toepassing van deze structuren.

De soms vulgariserende technische invalshoek (L’energia elettrica nell’agricoltura, 1955, Costruzioni mecchaniche del Riva, 1956) laat nooit na af en toe de landbouwers of arbeiders in close-up in beeld te brengen. De stadsverlichting in onder andere Dialogo di un venditore di almanacchi e di un passeggiere (1954) is een voorwendsel om in de Kerstperiode een verlegen filosofische uitwisseling neer te zetten over toekomst en geluk tussen een straatventer en een middenklasser. Al verspreid aanwezig in de vorige films omvat het halflange docudrama Il tempo si è fermato (Le temps s’est arrété, 1959) alle karakteristieken van Olmi als gerijpte cineast: de natuur (het gebergte dat plaats moet laten aan de moderniteit: de bouw van een dijk), de belangstelling voor de gewone man, vertolkt door gelegenheidsacteurs (de werfbewaker en de hem tijdelijk als assistent toegewezen student), de verzoening tussen traditie en vooruitgang (de plaatselijke dialectsprekende opzichter die ’s avonds een populaire klassieke roman leest en de Italiaans sprekende jongeman die zijn grammafoon heeft meegebracht met een single van Adriano Celentano, de Italiaanse Johnny Hallyday), de samenhorigheid (de zorgen van de oudere voor de zieke jongen), de wijsheid van de voorgaande generatie getemperd door de nieuwe ideeën van de volgende.

Deze kenmerken blijven aanwezig in Olmi’s meer dan dertig volgende documentaires (meestal in opdracht van de Italiaanse omroep RAI) en in zijn fictiefilms. Daarin blijft hij qua stijl een documentarist, met een lichte neorealistische touch. Hij plaatst zijn personages – bijna altijd niet-professionele acteurs – tegen een herkenbare achtergrond en blijft beschrijvend in de wisselwerking tussen omgeving en de mensen die er deel van uitmaken, zonder veel actie-impulsen.

  ll posto

De voorliefde voor de natuur is de inspiratie voor serene documentaires over Italiaanse gebergten en rivieren, maar ook over de internationale ecologische bedreigingen, waarvan de documentaire Terra Madre (2009) getuigt. Ter verdediging van de natuur realiseerde Olmi Il segreto del bosco vecchio (The Secret of the Old Woods, 1993) met – tegen zijn gewoonte in – een alombekende Italiaanse (bovendien komische) acteur, Paolo Villaggio, als hoofdacteur. Begin jaren 80 verhuisde Olmi trouwens van Milaan naar Asiago, een bergstadje in de Venetiaanse Alpen niet ver van het buitenverblijf van Celentano. In 1982 zet hij in het nabije Bassano di Grappa zijn Ipotesi Cinema neer, een filmlaboratorium voor toekomstige filmmakers, onder wie Francesca Archibugi. In 2002 werd het labo overgeplaatst naar Bologne. Niet te vergeten is Olmi’s eigen productiemaatschappij 22 settembre, met vrienden opgericht in 1961 na het succes van Il posto, en waar onder anderen Lina Wertmüller debuteerde met I basilischi (1963) en Roberto Rossellini zijn tv-miniserie L’età del ferro (1964) realiseerde.

In 2008 huldigde het festival van Venetië Ermanno Olmi met de carrièreprijs. Hij overleed op 7 mei 2018 aan de gevolgen van een ernstige spierziekte.

(Beeld boven: Olmi tijdens het draaien van Gouden Palm-winnaar L'albero degli zoccoli, 1978)

Geschreven door MARCEL MEEUS

Adieu Ermanno Olmi (1931-2018)

Media: 

onomatopee