Adieu Franco Zeffirelli (1923-2019)

De 97ste editie van het Arena Operafestival van Verona opent vrijdagavond 21 juni met ‘La traviata’ van Giuseppe Verdi, geënsceneerd door Franco Zeffirelli. Het was een lang gekoesterde droom van de regisseur om in de antieke Arena gestalte te geven aan zijn lievelingsopera, die hij al in elf versies in operahuizen over de hele wereld had opgevoerd. Het gebeurt zelden dat een première tegelijk een postume eer wordt aan een artiest.

De opera werd Zeffirelli met de moedermelk ingegeven, want bij zijn geboorte als onwettig kind wilde zijn moeder hem als familienaam ‘Zeffiretti’ geven, naar het liefdeslied dat een personage uit Mozarts Ideomeo toevertrouwt aan de wind. De burgerlijke stand van Florence had haar misverstaan en het werd ‘Zeffirelli’. Tea with Mussolini (1999) is deels geïnspireerd op Zeffirelli’s kinderjaren. Zijn moeder, een kleermaakster, stierf aan tuberculose toen Franco zes jaar was. Hij werd opgevoed door familieleden van zijn vader, een stoffenhandelaar, die zijn zoon pas erkende toen die negentien was. De naam werd voluit Gianfranco Corsi Zeffirelli, met een bijkomende verrassing: uit een historische studie in 2016 bleek dat Zeffirelli, aan vaders kant en net als 34 andere hedendaagse Italianen, een afstammeling was van Leonardo da Vinci of tenminste van diens vader Ser Piero.

Vorming

Tijdens zijn middelbare school werd zijn culturele bagage gevormd door de lectuur van Shakespeare tijdens de les Engels en de lessen over kunst en kunstenaars uit het verleden. Zijn geestelijke vader tijdens die jaren in het college was de latere katholieke politicus en burgemeester van Florence Giorgio La Pira, die de jonge Franco ook in het partizanenmilieu betrok. Zeffirelli vervolgde zijn opleiding in de architectuurafdeling van de Florentijnse Academie voor Schone Kunsten. Na die studies werd hij acteur bij een universitaire toneelgroep, maar hij begon ook decors te tekenen voor een theatergezelschap in Siena.

De ontmoeting met regisseur Luchino Visconti drukte een stempel op Zeffirelli’s leven. Zij leerden elkaar kennen in 1945 toen Franco een auditie deed voor een rol in de toneeladaptatie van Erskine Caldwells roman Tobacco Road. Als acteur werd hij toen afgewezen wegens zijn Toscaanse accent. Visconti was echter wel geïnteresseerd in de schetsen die de jongeman bij zich had. Zo werd hij assistent-decorateur voor Visconti’s toneel- en opera-ensceneringen en verhuisde hij naar Rome. Zeffirelli ontwierp zijn eerste eigen decor in 1949 voor Visconti’s toneelregie van Tennessee Williams A Streetcar Named Desire. In zijn latere carrière zou hij decors en kostuums blijven uitwerken voor podiumproducties van anderen en van zichzelf, zoals zijn La traviata-verfilming uit 1982 waarvoor zijn decorontwerp hem een Oscarnominatie en een BAFTA-prijs opleverde.

La traviata (1982)

Via Visconti leerde Zeffirelli de filmwereld kennen. Hij werd regie-assistent voor diens La terra trema (1948), Bellissima (1951) en Senso (1954). Die eerste was gebaseerd op een roman van de Italiaanse auteur Giovanni Verga, wiens werken Zeffirelli later zouden inspireren tot de operafilm Cavalleria Rusticana (1982) en het historische drama Storia di una capinera (1993). In 1996 bewerkte hij nog een literaire klassieker, Charlotte Brönte’s Jane Eyre.

Hoewel Visconti lid was van de Italiaanse Communistische Partij en Zeffirelli niet alleen katholiek maar ook anticommunistisch, had het tweetal begin jaren 50 een tumultueuze liefdesgeschiedenis, waarin Franco eerder de minnaar dan de geliefde was van de oudere Luchino. Decennia later zei Zeffirelli daarover: “Op Luchino was ik verliefd als in de antieke Griekse traditie. Een diepgewortelde en intense liefde. Ik werd doordrongen door zijn grootsheid en zijn arrogantie, en als tegenprestatie bood hij mij zijn toewijding aan. Hij was fijn van geest, trots, driftig, gecompliceerd. [...] Tussen ons bestond er een communicatie.” Zeffirelli heeft zijn homoseksualiteit nooit ontkent, maar ook niet tentoongespreid. Hij wilde absoluut niet verbonden worden aan de homocultuur, die hij afschuwelijk vond. Het speet hem dat hij geen eigen kinderen had en compenseerde dat door in de jaren 70 twee broers te adopteren, Luciano en Pippo, die toen al over de 30 waren.

Renaissancekunstenaar en Shakespeare-ridder

Zeffirelli debuteerde als filmregisseur in 1957 met de Italiaanse komedie Camping over liefde en jaloezie tijdens een zomervakantie aan zee. Met deze in de hedendaagse tijd neergezette film gooide hij geen hoge ogen. Tot de enkele andere films die zich afspelen in het heden, behoren de Amerikaanse The Champ (1979) en Endless Love (1981; met in een bijrol een debuterende Tom Cruise). Ze werden minder gewaardeerd door de kritiek, maar groeiden wel uit tot kaskrakers, vooral in de VS.

Voor zijn debuut als filmmaker was Zeffirelli zich in de jaren 50 gaan toeleggen op toneel- en operaregie. Hij maakte nationaal en internationaal naam met eerst en vooral zijn opera-ensceneringen van Italiaanse klassieke grootmeesters: Rossini, Verdi, Puccini ... Daardoor kwam hij in contact met vooraanstaande dirigenten zoals Herbert von Karajan en zangers zoals Maria Callas, die zijn muse werd. Samen veroverden ze in 1958 de VS met La traviata en hij aan haar wijdde hij zijn laatste fictiefilm Callas Forever (2006).

Als zelfstandige artiest voelde Franco Zeffirelli zich bovenal thuis in de wereld van het cultureel erfgoed. Daarin gaf hij ook het beste van zichzelf. Door die band met het cultureel erfgoed en zijn brede artistieke talent werd hij ook wel een moderne renaissancekunstenaar genoemd.

Elizabeth Taylor, Franco Zeffirelli en Richard Burton op de set van The Taming of the Shrew

Zijn Shakespeareverfilmingen maakten Zeffirelli bekend bij het brede publiek: The Taming of the Shrew (1967), met het gossipkoppel Elizabeth Taylor en Richard Burton in onvergetelijke vertolkingen, en vooral Romeo and Juliet (1968), met de jonge Leonard Whiting (aanwezig op Zeffirelli’s begrafenis in Florence) en de toen minderjarige Olivia Hussey. Beide films waren cinematografisch weelderige en historisch geloofwaardige omzettingen van de Bard. Hun internationale succes dankten beide films allicht aan een al dan niet gewilde afspiegeling van de contestatie eind jaren 60. De maestro van Stratford-upon-Avon keert ook terug in Hamlet (1990), met Mel Gibson – destijds in volle Mad Max-faam – als getormenteerde maar overtuigende Deense prins en Glenn Close als zijn tegenspeelster.

Als waardering voor zijn toneelopvoeringen van Shakespeare in het Londense Old Vic werd Zeffirelli in 2004 door Queen Elisabeth II verheven tot Knight Commander of the Order of the British Empire. Minder bekend, maar wel gelauwerd, waren de door hem geregisseerde opvoeringen van 20ste-eeuwse toneelauteurs als Luigi Pirandello, Edward Albee, Eduardo De Filippo en Arthur Miller.

Met de film Fratello Sole, Sorella Luna (1972), een vrij sobere interpretatie van de levens van Sint-Franciscus van Assisi en de heilige Clara van Assisi, behaalde hij geen internationaal succes, maar hij is wel een uitdrukking van Zeffirelli’s Italiaanse, katholieke wortels. Daarbij aansluitend, maar wél een van Zeffirelli’s mediatieke hoogtepunten, was de miniserie Jezus of Nazareth (1977), ook omgezet in een bioscoopfilm. Paus Paulus II zelf had hem gevraagd het Christusverhaal om te zetten nadat Zeffirelli de televisie-uitzending van de opening van jubileumjaar 1974-1975 had geregisseerd.

Het is moeilijk een onderscheid te maken tussen Zeffirelli’s artistieke werk voor het podium en voor film en televisie. Want in al die omstandigheden bleek hij de onderlinge verschillen te negeren: zijn overdadige podiumadaptaties van toneelklassiekers (vooral die van Shakespeare) herinneren aan Hollywoodspektakels, terwijl zijn film- en in het bijzonder meerdere tv-omzettingen van opera’s de beweeglijkheid hebben van het filmmedium. Maar dan wel zonder de (filmische) dramatische concentratie, omdat Zeffirelli de operapartituur wilde respecteren.

Geen sant in eigen land

Het is algemeen geweten dat Zeffirelli een veel grotere waardering vond in het buitenland dan in Italië. Misschien wijdde hij daarom met Il giovane Toscanini (1988), waarin Liz Taylor na tien jaar afwezigheid opnieuw op het scherm verscheen, een film aan de destijds ook in Italië ondergewaardeerde orkestleider Arturo Toscanini. Zeffirelli heeft nooit de Florentijnse stadsprijs Fiorino d’oro ontvangen, ondanks de tv-documentaire Per Firenze, die hij in 1966 maakte over de overstroming van Florence dat jaar, of de hulde aan zijn stad in de sketchfilm 12 registi per 12 città (1989), waarin hij de band tussen de renaissance en zijn eigen tijd naar voren schuift. Beter laat dan nooit ondersteunde het Florentijnse stadsbestuur in 2017 wel de oprichting van de Fondazione Franco Zeffirelli met museale en didactische doelstellingen. Zijn vriendschap met Silvio Burlusconi en zijn rechtse politieke ideeën leidden tot zijn verkiezing als senator van 1994 tot 2001. En in april dit jaar ontving hij in de Italiaanse senaat de Prijs ‘Italiaans genie en excellentie in de wereld’. Tekenend was echter dat Berlusconi en een groot deel van de Italiaanse artistieke wereld ontbraken op Zeffirelli’s begrafenis in Florence.

Zijn niet aflatende activiteiten, de laatste jaren vanuit een rolstoel, hielden Zeffirelli ondanks een recente tumor vitaal. Naast La traviata in de Arena van Verona werkte hij ook nog aan een opvoering van een Rigoletto-opera van Verdi in het Royal Opera House in Masqat, Oman, in 2020. † 15 juni

Geschreven door MARCEL MEEUS

Adieu Franco Zeffirelli (1923-2019)

Media: