Adieu: Jóhann Jóhannsson

Tijdens de World Soundtrack Awards, die jaarlijks tijdens het Film Fest Gent worden uitgereikt, werd dit jaar postuum de prijs voor de Beste Componist van het Jaar uitgereikt aan Jóhann Jóhannsson voor zijn scores voor 'Mary Magdalene', 'The Mercy' en 'Mandy'. Ook vorig jaar kreeg hij al die prijs. Hij overleed in februari aan een overdosis. Uiteraard is zijn tragische overlijden niet de reden dat hij deze prijs verdiende. De unieke, minimalistische stijl van zijn soundtracks betekende een frisse wind door het landschap.

In een paar jaar tijd was Jóhann Jóhannsson opgeklommen van een goed bewaard IJslands geheim tot een van de prominentste componisten voor het witte doek, wat bleek uit een waslijst Oscar-, Golden Globe- en Grammynominaties. Het nieuws van zijn dood op 48-jarige leeftijd klonk als een donderslag bij heldere hemel.

Was het een veeg teken? Toen we Jóhann Jóhannsson vorige zomer naar aanleiding van een optreden in Brussel benaderden voor een interview bleef het eerst wekenlang stil en daarna volgde een negatief antwoord. De muzikale duizendpoot (componist, producer en vertolker) had er al een halve carrière in de alternatieve IJslandse muziekscene op zitten toen hij een grote naam werd in filmland. Hij speelde in diverse indiebands in Reykjavik en richtte vervolgens met een aantal gelijkgestemden het label/kunstcollectief Kitchen Motors op. Vanaf zijn eerste albums in eigen naam, bijvoorbeeld Englabörn (2002) en IBM 1401 – A User’s Manual (2006), stond zijn werk in het teken van de confrontatie tussen het akoestisch-analoge en het elektronisch-digitale. Zijn unieke kruisbestuiving van minimalisme, elektronica en neoklassiek was bijzonder filmisch en de eerste opdrachten op dat vlak bleven niet uit.

Na een reeks hoofdzakelijk IJslandse films, bijvoorbeeld The Icelandic Dream (Róbert Ingi Douglas, 2000), ging hij internationaal, getuige onder andere het Brits-Amerikaanse The Miners’ Hymns (Bill Morrison, 2011), het Chinese Mystery (Lou Ye, 2012) en het Hongaarse The Notebook (János Szász, 2013). Dan volgde een fortuinlijke ontmoeting met de Canadese cineast Denis Villeneuve, waardoor zijn carrière in een stroomversnelling zou raken. Voor diens ontvoeringsdrama Prisoners (2013) schreef hij ijzingwekkende muziek vol onbenoembare dreiging, met een dominant laag register. In de geromantiseerde Stephen Hawking-biografie The Theory of Everything (James Marsh, 2014) liet hij zich van een heel andere kant horen. Met onbeschroomd romantische en fraai georkestreerde muziek won hij een Golden Globe en haalde zelfs een Oscarnominatie binnen. Een tweede nominatie volgde nauwelijks een jaar later, voor de drugsthriller Sicario (Denis Villeneuve, 2015). Met een glaciale strijkerssectie en een obsederende ritmische laag creëerde hij een hallucinant klanklandschap, waarmee hij avant-gardisten als Edgar Varèse en György Ligeti opriep.

De soundtrack bij Arrival (2016), weer van Denis Villeneuve, vormde een nieuw hoogtepunt. Met een combinatie van unheimliche stemmen, ondefinieerbare klanken en gonzende ritmiek droeg hij bij tot de impact van deze atypische sciencefictionfilm. Het album kwam uit op het prestigieuze label Deutsche Grammophon, waar het aantal niet-klassieke musici bijzonder dun gezaaid is. Hij won er een Grammy mee en als ultieme bekroning werd hij op de World Soundtrack Awards in Gent uitgeroepen tot filmcomponist van het jaar. Nog in 2016 bracht hij Orphée uit, een album waarvoor hij zich liet inspireren door de Griekse god Orpheus, gedood vanwege zijn muziek. Voor de bevriende filmcomponist Ryuichi Sakamoto maakte hij ook een remix van Solari, uit diens zwaar door Andrej Tarkovski beïnvloede album Async.

Maar dan gingen er opeens valse noten klinken in de partituur van Jóhannsson. Voor de allegorische horrorfilm mother! (2017) schreef hij anderhalf uur muziek en werkte een jaar lang intensief samen met regisseur Darren Aronofsky. Tot die besloot dat hij liever een hybridische soundscape wilde en Jóhannsson doodleuk van componist tot ‘consulent’ degradeerde. Hij zou ook muziek schrijven voor het droomproject Blade Runner 2049 (2017) van zijn kompaan Denis Villenueve. Eerst kwam het bericht dat Jóhannsson wegens een al te drukke agenda hulp zou krijgen van Hans Zimmer, later dat hij vanwege ‘creatieve meningsverschillen’ niet langer meewerkte aan het project. Het is onduidelijk hoe Jóhannsson deze dubbele ontgoocheling verwerkte, feit is dat het orderboekje propvol zat en hij onverdroten bleef voortwerken, onder meer aan The Mercy (James Marsh, 2018). En dan kwam midden februari de onheilstijding vanuit Berlijn, waar de componist sinds kort woonde. Misschien klinkt in een alternatief universum wel ergens de muziek voor Christopher Robin, naar het klassieke kinderboek Winnie-the-Pooh, de laatste opdracht waar hij niet aan toekwam. † 9 februari

De laatste release waarin origineel werk van Jóhann Jóhannsson te horen is, is in Mandy van Panos Cosmatos, de One Shot Cinema van Film Fest Gent. 

Geschreven door GORIK DE HENAU

Adieu: Jóhann Jóhannsson

Media: