Adieu Jean-Pierre Mocky (1929-2019)

Met zijn boosaardige komedies schopte snelfilmer Jean-Pierre Mocky meerdere heilige huisjes omver. Gewapend met anarchistische humor provoceerde deze cineast van Pools-Joodse afkomst decennialang de Franse republiek, die hij in ‘Une nuit à l’Assemblée nationale’ (1988) in een subversieve nachtmerrieachtige scène ook letterlijk in haar blootje zette.

Mocky’s films stonden bol van uitzinnige dialogen en vinnige woordspelingen. “Een kalasjnikov van verbale uitbarstingen”, zo omschreef Cannesdirecteur Gilles Jacob de cineast en zijn oeuvre. Tussen Jacob en Mocky was het water erg diep. “C'est un lâche qui m'a toujours boycotté”, verbeet de productieve cineast de teleurstelling dat zijn auteursfilms altijd buiten de Cannesselectie vielen, ondanks hun eigen receptuur.

Mocky (een gepaste afkorting van Mockiejewski) was een hybride figuur. Hij draaide lowbudget, maar werkte volledig binnen het Franse sterrensysteem. Voor vele gevierde Franse sterren was de samenwerking met deze dissident een artistieke must. Zo schreef chansonnier Léo Ferré de titelsong voor L’albatros (1971) en componeerde Georges Moustaki de soundtrack van Solo (1969). Naast zijn mascotte-acteurs Bourvil (vier films samen) en Michel Serrault (meer dan tien films) tekenden ook Jeanne Moreau (Le miraculé, 1987), Catherine Deneuve (Agent trouble, 1987), Jane Birkin (Noir comme le souvenir, 1995), Stéphane Audran (Les saisons du plaisir, 1988) en Philippe Noiret (Le témoin, 1978) voor een filmuitstap met Mocky. Hun drukke agenda moesten ze er nauwelijks voor aanpassen. De opnamen van een ‘Mocky’ namen doorgaans amper twintig draaidagen in beslag! “Het was Hitchcock die me de zin gaf om snel te filmen. Toen ik hem in 1962 in Los Angeles ontmoette, vertelde hij me dat twaalf tot vijftien dagen genoeg waren om een film in te blikken”, getuigde Mocky in zijn memoires Je vais encore me faire des amis! uit 2015.

Misdaadfarce en politieke satire
Als beeldenstormer ontzag Mocky niets of niemand en praatte hij de kijker nooit naar de mond. Hij trok fel van leer tegen de malafide politieke cultuur en de morele richtsnoeren door kerk en burgerij. Met grof geschut draaide hij films over hooliganisme (À mort l’arbitre!, 1983), politieke fraude (Une nuit à l’Assemblée nationale) of chantage (Y-a-t-il un Français dans la salle?, 1982), terrorisme (Solo), homofobie (Bonsoir, 1992), de bedevaartcultus (Le miraculé) en kerkcollecte (Un drôle de paroissien, 1963), al te complexe echtscheidingsprocedures (Les compagnons de la marguerite, 1967), het falende kredietwezen (Crédit pour tous, 2011), pedofilie (Le témoin; Un linceul n'a pas de poches, 1974; Les ballets écarlates, 2005), het stockholmsyndroom (L’albatros), de invloed van televisie op het onderwijs (La grande lessive!, 1967) en intimidatie door de farma-industrie (Ville à vendre, 1991). Een film over de gele hesjes stond bovenaan op zijn to do-lijstje. Mocky’s gevoel voor actualiteit was altijd scherp, wat een meerwaarde verleende aan zijn dik aangezette maatschappelijke komedies en film noirs. De post-mei ’68-triptiek Solo, L’albatros en L’ombre d’une chance (1973) stak er bovenuit door een broeierige en nerveuze stijl, verwant met de Amerikaanse paranoiathrillers uit de jaren 70.

De laatste anarchist
Dat de stout gebekte en eigengereide Mocky geregeld botste met het filmmilieu was onvermijdelijk. Als selfmade cineast volgde hij niet het geijkte pad en verkoos hij een ambachtelijke aanpak boven de directieven van de industrie. Na onenigheid over de verdeling van de opbrengsten van zijn debuut, de culthit Les dragueurs (1960), richtte hij zijn eigen productiehuis Balzac Films op. Conflicten over de eindversie van zijn Jean Ray-verfilming La cité de l’indicible peur (1964) mondden uit in een eigen director’s cut in het Parijse filmmuseum in 1972. In 1965 ging hij scheep met Columbia Pictures voor het Fernandelvehikel La bourse et la vie, maar hij verwierp al snel het al te commerciële eindresultaat. In 1978 betichtte hij Claude Zidi’s La Zizanie van plagiaat. Mocky kreeg zijn gelijk, maar het proces maakte hem persona non grata bij de producenten. Om zijn films verdeeld te krijgen kocht hij noodgedwongen zelf mythische Parijse art et essai-bioscopen op. Eerst Le Brady op de Parijse rechteroever, later in 2011 Le desperado op de rive gauche. “Aangezien geformatteerde onzin succesvol is, komen er dertien in een dozijn uit, terwijl mijn films in de koelkast belanden”, verzuchtte hij.

De plagerijen van de filmwereld leverden hem alvast het respect van Jean-Luc Godard op. De generatiegenoten koesterden meermaals plannen om samen te werken. Dat lukte uiteindelijk in 1986 voor de zelfreferentiële televisiefilm Grandeur et décadence d'un petit commerce de cinéma, waarin Mocky zelf een filmproducent speelt. Alhoewel zijn debuut Les dragueurs over rokkenjagers langs de oevers van de Seine zich kon meten met de beste nouvellevaguefilms, heeft Mocky nooit deel uitgemaakt van de beweging. Liever bleef hij los van elke filmstroming zijn onafhankelijke trotse zelf: scenarist, regisseur, monteur, producent, distributeur en vaak ook acteur. Met zijn vele cameo’s trad hij in het spoor van zijn idool Hitchcock, aan wie hij de televisiereeksen Myster Mocky présente (2007-2009) en Hitchcock by Mocky (2013) wijdde, gebaseerd op oude Hitchcockverhalen. “Hoewel ik mijn carrière als filmmaker meer dan een halve eeuw geleden begon, acht ik me minder goed dan Fritz Lang, Luis Buñuel en Orson Welles, die me hebben geïnspireerd. Maar mijn opvolgers zijn aanwijsbaar slechter”, gaf Jean-Pierre Mocky zijn weerbarstige oeuvre van meer dan zestig ondeugende films een plaats in de filmgeschiedenis. † 8 augustus

Beeld: Myster Mocky présente

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Jean-Pierre Mocky (1929-2019)

Media: