Adieu Jean Rochefort (1930-2017)

Zijn karakteristieke snor liet hij aanvankelijk in de jaren 50 groeien om er ouder uit te zien. Maar op den duur ging die als vast rekwisiet bij zijn personages horen. Jean Rochefort (Parijs, 1930-2017) schoor de snor zijn carrière lang niet af, behalve als komisch contrast in Patrice Lecontes ‘Ridicule’ (1996).

Met zijn smalle gezicht, die dunne snor en een altijd wat meewarige, gedesoriënteerde blik was Rochefort bijzonder geknipt voor karakterrollen van gedesillusioneerde veertigers. Die speelde hij ook in zijn late doorbraakperiode in de seventies. De openingsscène uit Yves Roberts Un éléphant ça trompe énormément (1976), waarin hij in kamerjas met sigaret op de balkonrand van zijn Parijse flat staat en terugblikt op zijn potsierlijke verliefdheid op een mooie vrouw in opwaaiende rode jurk, is intussen verplichte Franse filmvoer. Verliefd op de aantrekkelijke uitbaatster van een kapsalon, deed hij de rol in Patrice Lecontes Le mari de la coiffeuse (1990) in een meer melancholieke versie over.

Met zijn luie oogleden accentueerde Jean Rochefort in Roberts tweeluik Un éléphant ça trompe énormément en Nous irons tous au paradis (1977) de komische verwarring van de midlifecrisis in een genre dat in de Franse filmindustrie ‘comedie dramatique’ heet. Films in een komische verpakking, maar met een ernstige ondertoon. Rochefort werd in 1961 ontdekt door Philippe de Broca, een meester in dit filmgenre. Samen draaiden ze fijnzinnige, een tikkeltje gesofistikeerde avonturenfilms en romantische komedies zoals Cartouche (1962), Les tribulations d’un Chinois en Chine (1965), Le diable par la queue (1968) en Le cavaleur (1979).

Rochefort beste filmrollen (Que la fête commence, 1975, Le crabe-tambour, 1977, Il faut tuer Birgitt Haas, 1981, L’ami de Vincent, 1983 en Ridicule) waren doordrongen van mild sarcasme. Met zijn ietwat verbaasde, afstandelijke blik evoceerde hij de onzin van maatschappelijke regels en etiquette. Door die kwaliteit was hij ook uiterst geschikt voor het filmwerk van Luis Buñuel (Le fantôme de la liberté, 1976) of Robert Altman (Prêt-à-porter, 1994). Met warme stem ontving hij in zijn glansjaren 70 in een tijdspanne van amper twee jaar Césars voor Bertrand Taverniers Que la fête commence en Pierre Schoendoerffers Le crabe-tambour. Beide films vormden een mijlpaal in zijn carrière, maar zelf beschouwde hij Yves Robert (8 films samen) en Patrice Leconte (7 films) als zijn favoriete cineasten.

Een iconische scène uit Un éléphant ça trompe énormément toonde Rochefort als een volslagen onbeholpen ruiter die zijn geliefde te paard poogde in te halen. In het werkelijke leven stamde Rochefort echter uit een Bretoense familie van paardenfokkers en was hij een behendig ruiter en paardenkenner. De zeventig al voorbij draaide hij als cineast de jumpingdocumentaire Cavalier seuls (2010). Deze band met paarden had ook cineast Terry Gilliam aangetrokken om hem in 2000 de rol van Don Quichotte toe te vertrouwen. De grootschalige film ging echter enkele dagen na de start van de opnamen ten onder door de prostaatontsteking en hernia van de toen 70-jarige Rochefort en de hieraan verbonden productionele moeilijkheden. In 2002 werden de onafgewerkte filmbeelden vrijgegeven in de documentaire Lost in La Mancha. Gilliam kon de opnames pas eerder dit jaar afronden, met de nu zeventigjarige Jonathan Pryce en niet Rochefort (of John Hurt) als Don Quichot.

Op het tennisveld van Un éléphant ça trompe énormément wordt er niet meer dubbel gespeeld. Vijf maanden na zijn medespeler Victor Lanoux overleed nu ook Jean Rochefort. Een attente internetpetitie van fans met de vraag om zijn overlijden teniet te doen kan daar niks meer aan veranderen.

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Jean Rochefort (1930-2017)

Media: 

onomatopee