Adieu Lucia Bosè (1931-2020)

Niet haar overlijden aan het coronavirus gaf Lucia Bosè haar een plaats in de filmgeschiedenis, wel haar vertolkingen in opmerkelijke films van het Italiaanse neorealisme en een carrière waarin ze zonder moeite wisselde tussen ernstige en komische rollen.

Voor de burgerlijke stand heette de verkoopster in een Milanese banketbakkerij Lucia Borloni. Voor haar artistieke loopbaan koos ze de familienaam van haar moeder. Het was in die banketbakkerij dat de Milanese regisseur Luchino Visconti haar, “een filmdier” volgens hem, opmerkte. Zoals wel vaker in de naoorlogse jaren maakte het meisje een ommetje via de Miss Italië-schoonheidswedstrijd. Ze won de titel in de tweede editie van 1947 ten koste van onder anderen Gina Lollobrigida en Silvana Mangano. Haar concurrenten hadden toen al enkele filmrolletjes gespeeld. Lucia zag zich een eerste kans ontslippen toen Giuseppe De Santis haar als zestienjarige castte voor Riso Amaro, maar haar ouders verzetten zich. De film zou het grote startschot worden voor de zeventienjarige Silvana Mangano.

Het was wachten tot 1950, toen opnieuw De Santis haar uitkoos voor de vrouwelijke hoofdrol in het plattelandsdrama Non c’è pace tra le ulive, een groot commercieel succes vanwege de actiegerichte plot. In datzelfde jaar engageerde de debuterende Michelangelo Antonioni Bosè voor zijn Cronaca di un amore. De onderhuidse spanning van deze film over relaties leidde niet tot een groot succes bij het publiek, wel bij de kritiek. Vervolgens verdween ze een beetje naar de achtergrond met de komedies È’ l’amor che mi rovina (Mario Soldati, 1951) en Parigi è sempre Parigi (Luciano Emmer, 1951) en het rechtbankdrama Le due verità (Antonio Leonviola, 1951). Ze kreeg opnieuw hoofdrollen in de lichte zedenkomedie Le ragazze di Piazza di Spagna (Emmer, 1952) en Roma, ore 11 (De Santis, 1952), gebaseerd op een waargebeurd ongeval met tientallen vrouwelijke slachtoffers. In 1953 klopte ook Antonioni weer bij haar aan voor de hoofdrol in La signora senza camelie, een drama dat zich afspeelt in de ongenadige filmwereld. Bosè speelde een verkoopster die het schopt tot filmster. La signora senza camelie betekende een wending in het neorealisme, van sociale kritiek naar op de gevoelens gebaseerde vertellingen, een invalshoek die Antonioni zou aanhouden in zijn verdere carrière.

La signora senza camelie

Daarna richtte Bosè zich weer op de lichte komedie. In Era lei che lo voleva! (Marino Girolami, 1953) had ze als tegenspeler de populaire Walter Chiari, met wie ze al had samengewerkt in Soldati’s komische È’ l’amor che mi rovina. De twee acteurs begonnen een relatie en werden samen nog gekozen voor de komedies Accadde al commissariato (Giorgio Simonelli, 1954), Sinfonia d'amore (Glauco Pellegrini, 1954) en Village magique (Jean-Paul Le Chanois, 1955). Tussendoor acteerde Bosè in de zedenkomedie Questa è la vita (Aldo Fabrizi, 1954) en het sentimentele historische drama Tradita (Mario Bonnard, 1954). Haar relatie met Chiari liep echter op de klippen door zijn dongiovanni-karakter.

Stierengevechten en acteren in Spanje

In 1955 maakte ze de overstap naar Spanje met het opgemerkte Muerte de un ciclista, een drama waaraan Juan Antonio Bardem een existentiële geladenheid à la Antonioni gaf. Haar huwelijk met de gevierde Spaanse stierenvechter Luis Miguel Dominguín maakte van Spanje Bosè’s nieuwe vaderland. In Italië had ze in 1955 nog de hoofdrol in het oorlogsdrama Gli sbandati van Francesco Maselli. Daarna speelde ze in het Frans-Italiaanse, ingehouden antiburgerijdrama Cela s’appelle l’aurore van Luis Buñuel. Een andere vroege vaandeldrager van de surrealistische cinema, de veelzijdige kunstenaar Jean Cocteau, castte haar in Le testament d’Orfée (1956), het cryptische vervolg op zijn Le sang d'un poète (1930) en Orfée (1949). Vervolgens verliet Bosè de filmstudio’s om zich onder meer te wijden aan haar kinderen, van wie de oudste, Miguel, later in zijn artistieke loopbaan als balletdanser, zanger en acteur ook de artistieke familienaam Bosè zou kiezen in plaats van Dominguín.

Muerte de un ciclista

In haar carrière tot dan had Bosè in zowel haar dramatische als haar komische rollen een ingehouden acteerstijl behouden. Ze speelde zonder overdrijving en bewaarde in haar houding en haar blik altijd iets mysterieus, wanneer haar trekken verhardden of vergleden naar een glimlach. Of ze ook de stem had die bij haar ingetogen spel paste, is moeilijk te zeggen, want in de meeste vertolkingen werd ze gedubd.

Met haar ervaring in het vak nam Bosè in 1968 in Spanje de draad weer op met de zedensketchfilm Nocturno 29 van Pere Portabella en de zedenkomedie No somos de piedra van Manuel Summers. In 1969 volgden twee Italiaanse projecten, met de hoofdrol in Sotto il segno dello scorpione van de broers Paolo en Vittorio Taviani en een verschijning als de matrone die zelfmoord pleegt in Fellini’s Satyricon. Ook in de volgende jaren werkte ze mee aan films van geprezen moderne cineasten, onder meer in een bijrol in het arbeidersdrama Metello (Mauro Bolognini, 1970), de hoofdrol in het sociaal drama L’ospite (Liliana Cavani, 1971) en – aan de zijde van Jeanne Moreau – in het vrouwenportret Nathalie Granger (Marguerite Duras, 1972).

De engelen van acteeradel

Na opnieuw een carrièreonderbreking verscheen Bosè weer in de bioscoop in de romanverfilming Cronaca di una morte annunciata van Francesco Rosi (1987) en op het kleine scherm in Bolognini’s serie La certosa di Parma (1992). De Italiaans-Turkse cineast Ferzan Özpetek koos haar in Harem Suare (1999) voor de rol van de vrouw die op latere leeftijd terugblikt op haar vroegere leven in een harem ten tijde van het Ottomaanse Rijk begin 20ste eeuw. Bijna tien jaar later zou ze gestalte geven aan een nobele dame tussen de adelijken in het Il gattopardo-uitademende I vicerè van Roberto Faenza (2007).

Haar nonconformisme zou Bosè altijd bewaren. Dat werd opmerkelijk bevestigd toen een kleinkind eind jaren 90 haar haar blauw kleurde. Ze behield die haarkleur – in haar lievelingskleur – tot het einde van haar dagen. Misschien wel omwille van haar gedoseerde loopbaan bleef Bosè een gewaardeerde actrice die nooit uit de aandacht van de filmwereld verdween. Haar laatste rol lijkt wel te verwijzen naar haar na vele jaren gerealiseerde Engelenmuseum. Dat opende in 2000 in het Castiliaanse stadje Turégano en toonde haar verzameling afbeeldingen van engelen uit alle hoeken van de wereld. Een droom die na lange tijd werkelijkheid wordt, lag ook aan de basis van het even nostalgische als energieke One More Time (2013) van Pablo Benedetti en Davide Sordella. Daarin besluit een Chileens actrice op leeftijd aan het einde van haar filmcarrière de droom van haar vader waar te maken en een tv-zender op te starten in haar geboortedorp dat nooit de televisie heeft gekend. († 23 maart)

Beeld (boven): Muerte de un ciclista

Geschreven door MARCEL MEEUS

Adieu Lucia Bosè (1931-2020)

Media: