Adieu Michèle Morgan (1920-2016)

De zwarte baret en de glimmende regenjas uit het voor (de toen 17-jarige) Michèle Morgen iconische 'Le quai des brumes' (Marcel Carné, 1938) waren een idee van Coco Chanel. “Je hebt mooie ogen, weet je”, ontlokte haar verschijning aan deserteur Jean Gabin die op de troosteloze kade op het schip wachtte dat hem naar Venezuela moest brengen. Het werd een van de beroemdste citaten uit de Franse film die Morgans verdere carrière onuitwisbaar zou tekenen.

De lichte azuurblauwe ogen, die niet alleen sensualiteit, maar ook melancholie, behoefte en nood uitdrukten, zette ze in voor een reeks Franse films uit de naoorlogse periode. Ze deelde het scherm met de Franse acteurtop van toen, zoals Jean Gabin, Jean Marais en Gérard Philippe (spetterend duo in de WOI-kroniek Les grandes manoeuvres van René Clair in 1955). Ook al evenaarden deze films nooit de kwaliteit van het poëtisch-realistische Le quai des brumes, er zaten interessante literatuurverfilmingen tussen, zoals La symphonie pastorale (1946) van Jean Delannoy naar André Gide of de Sartre-verfilming Les orgueilleux (1953) van Yves Allégret.

Met haar rijzige gestalte straalde Morgan gedistingeerde klasse uit. Het werd haar handelsmerk (“la grande bourgeoise”), maar ook haar lot (“de wandelende koelkast”). Op termijn werd ze veroordeeld tot sierlijke adellijke rollen in historische films of internationale producties, van Sacha Guitry’s Napoléon en Si Paris nous était conté uit 1955 of Jean Delannoys Marie-Antoinette reine de France uit 1956, tot Mark Robsons Lost Command uit 1966. Met de komst van de sixties werd haar filmografie door de nouvelle vague als typische “cinéma de papa” bestempeld. Op een rol in Claude Chabrols Landru (1963) en Michel Devilles Benjamin ou Les mémoires d'un puceau (1966) na, werd haar talent door de nieuwe filmbeweging amper benut. Gelukkig was er Claude Lelouch die Morgan in 1975 – opnieuw met baret – haar laatste hoofdrol schonk. Hij liet haar heerlijk speels improviseren en vrij kat en muis spelen met de kijker in de politiethriller Le chat et la souris.

In de sterrencultuur van de fifties was het voor een actrice niet eenvoudig om na haar 40ste aan de bak te blijven. Het zwaartepunt van haar filmloopbaan lag dan ook voor 1960. Ze liep weg op het moeizaam overlevende supermarktje van haar vader in Dieppe en debuteerde al op haar vijftiende met een kleine rol in La vie parisienne, de filmversie die de Duits-Joodse banneling Robert Siodmak van de opera van Offenbach draaide. 1937 werd haar doorbraakjaar met Marc Allégrets gerechtsdrama Gribouille. Haar eigen naam Simone Roussel vond ze niet geschikt. Ze doopte zichzelf om tot Michèle, met Morgan als duidelijke hint naar een Angelsaksische carrière in het legendarische Hollywood. Daar belandde ze ook tijdens de oorlogsjaren om er te draaien met Frank Sinatra (Higher and Higher, 1943) en Humphrey Bogart (Passage to Marseille, 1944). Ze werd vooral gecast als een jonge Garbo of als een alternatief voor Ingrid Bergman. Ze woonde er in de villa in Franse countrystijl op Cielo Drive 10050 in L.A., waar twee decennia later Sharon Tate vermoord zou worden.

In tegenstelling tot haar Franse generatiegenoten Arletty en Danielle Darrieux collaboreerde Morgan dus niet, maar draaide ze overzee verzets- en bevrijdingsfilms zoals Joan of Paris (1942), Two tickets to London (1943) en Passage to Marseille. Toen ze na de bevrijding naar Frankrijk terugkeerde was ze meteen hot op het Filmfestival van Cannes, dat haar vertolking van blind meisje in de verfilmde literatuurklassieker La symphonie pastorale bekroonde. Ook in André Cayattes psychologische thriller Le miroir a deux faces (1958) speelde ze tegen haar glamourimago in. Het lag in de lijn van haar blonde etherische schoonheid en koele vastberadenheid om ook femme fatales te vertolken, zoals in Carol Reeds The  Fallen Idol (1948) of Denys de La Patellières Retour de manivelle (1957).  Diepere expertise in dit genre rollen liet ze echter onbenut door niet in te gaan op Hitchcocks aanbod om de hoofdrol in Suspicion (1942) te spelen. In haar lange carrière liep ze trouwens nog enkele andere kwaliteitsrollen mis, waaronder het met een Oscar bekroonde Johnny Belinda (1948) en Antonioni’s La notte (1961). Gelukkig maakte de altijd nostalgische Giuseppe Tornatore deze afwezigheid in de Italiaanse film uiteindelijk goed door haar in 1990 als treinpassagier te casten in Stanno tutti bene.

Morgan was tot zijn dood in 2006 de partner van komedieregisseur Gérard Oury, een voor haar eigen filmwerk atypische regisseur. Ze draaiden ook amper samen: haar rol in de Bourvil-Louis de Funès-tandem Le corniaud (1964) werd in de montage geknipt. Maar het samenzijn met Oury leverde haar wel een hechte filmfamilie op.  Zo vertolkte ze de hoofdrol iIn de succesrijke tv-series Le tiroir secret (1986) en Des gens si bien élévés (1997), beide geschreven door Oury’s dochter Danièle Thompson. In het 6-delige Le tiroir secret speelde ze samen met haar zoon Mike Marshall (uit haar Hollywoodhuwelijk met Bill Marshall) en haar stiefdochter Tonie Marshall. Morgan was niet alleen een icoon, ze dirigeerde ook een eigen filmclan.

Beeld: Still uit Le quai des brumes (Jean Gabin en Michèle Morgan)

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Michèle Morgan (1920-2016)

Media: