Adieu Robbe De Hert (1942-2020)

Robbe De Herts debuut ‘Camera Sutra’ begon en eindigde met een jongetje dat stond te stampen van woede en kwaad zijn speelblokjes weggooide. Metafoor voor Robbes ingeboren revolte tegen onrecht en zijn blijvend schoppen tegen heilige huisjes?

De legendarische witte handdoek over zijn schouders gooide de altijd opstandige Robbe De Hert, geboren in het Britse Royal Air Force-stadje Farnborough, nooit in de ring. Zijn filmtalent rijpte in de ideologisch sterk gepolariseerde jaren 60 en 70, toen kapitalisme en communisme de degens kruisten. De Hert hield van direct cinema: de broeierige onrust van toen legde hij zonder dralen of mededogen met zijn camera vast. Hij richtte er in 1966 het collectief Fugitive Cinema voor op, dat de oorlog verkondigde aan de bestaande orde en de Vlaamse film een sociale dimensie rijker maakte.

Het waren Robbes meest productieve filmjaren, waarin hij zich ontpopte tot een allrounder, vaak beroemder dan zijn films zelf: geëngageerd militant op de bres tegen sociaal onrecht, verwoed filmafficheverzamelaar, kritisch documentairemaker die de toenmalige BRT voor schut zette met zijn zelfgeproduceerde en internationaal bekroonde reportages, journalist bij het filmtijdschrift Spot en gedreven chroniqueur van wat er zoal misliep in de moeizaam ontluikende Vlaamse filmindustrie. Robbe bezat de gave om gebeurtenissen om te zetten tot verhalende anekdotes, waarmee hij compilatiefilms over de Vlaamse filmgeschiedenis zoals De droomproducenten (1984, in samenwerking met Willem Thijssen en Chris Verbiest) en zijn filmafscheid Hollywood aan de Schelde (2018) stoffeerde.

Baanbrekend de straat op

In het toen nog sterk verzuilde Vlaanderen zorgde Robbes maatschappelijke bewogenheid meermaals voor politieke controverse. In kritische reportages zoals Dokstaking '73 (1975) en De scholierenbeweging (1975) was zijn camera de rechtstreekse getuige van het woelige politieke en sociale klimaat van toen. Met de fictiekortfilm De bom … of het wanhoopscomité (1969) ageerde hij tegen de atoombewapening, met de documentaire Dood van een sandwichman (1971, coregie met Guido Henderickx) tegen de commercialisering van de wielersport. De Herts geliefde thema van de onmacht van de kleine man tegenover het staatsapparaat kwam het sterkst tot uiting in S.O.S. Fonske (1968, coregie met Guido Henderickx en Patrick Le Bon), een pamflet tegen de bedrieglijke praktijken in de verzekeringssector. De Herts meer grootschalige synthesefilm uit deze geëngageerde periode was ongetwijfeld Le filet Américain (1981, coregie met Chris Verbiest). Via gesprekken met trotskist Ernest Mandel maakte de film een analyse van de economische crisis, het falende overheidsbeleid en de repressieve ordehandhaving in de woelige jaren 70.

"Geen kittekat maar bufstekken voor iedereen! Ook voor de cineasten en andere artisten!" Robbe als voorman van Fugitve Cinema

Met zijn complexe mengeling van documentaire, gespeelde scènes, newsreels en improvisaties was ook Robbes langspeeldebuut Camera Sutra of de Bleekgezichten (1973) een maatschappijkritische film die in Vlaanderen zijn weerga niet had. De film brak resoluut met de gangbare trend van Vlaamse boekverfilmingen. In de naweeën van mei ’68 tekende De Hert het portret van een groepje jongeren dat rebelleerde tegen het systeem en langzamerhand betrokken raakte in revolutionaire acties. Met prangende beelden van het oorlogsleed in Vietnam en de hongersnood in Biafra illustreerde hij zijn overtuiging dat een cineast geen abstractie kon en mocht maken van wat er in de wereld gebeurde. “Ik conditioneer de mensen niet, ik probeer alleen de conditionering die door anderen gebeurt te achterhalen en te tonen. In onze maatschappij heeft alles met politiek te maken, daar kun je als cineast toch niet over zwijgen!” verdedigde hij zijn visie in een interview met Film en Televisie (voorganger van Filmmagie) in april 1973 bij de release van Camera Sutra. Wanneer zien we een digitaal gerestaureerde versie van dit baanbrekende unicum uit de Vlaamse filmgeschiedenis?

Geëngageerd én populair
Met zijn Fugitivefilms gooide De Hert zijn camera mee in de sociale strijd. Tegen 1980 ebde de invloed van de meirevolte op het filmmedium echter geleidelijk weg. Als militant was De Hert zich terdege bewust van deze conjunctuur. Hij achtte de tijd rijp om zich te bezinnen over zijn rol als cineast in dit veranderende tijdskader. Hoe kon je kritische maar commercieel haalbare films draaien zonder een steunpilaar van de gevestigde orde te zijn? Zijn film-in-de-film Maria Danneels of het leven dat we droomden (1982) gaf dit zoekproces mooi weer. In deze televisieproductie zag een scenarist anno 1980 zijn meer geëngageerde scripts in de la belanden. Noodgedwongen moest hij zijn heil zoeken in een voor televisie-entertainment bestemde romanverfilming over een driehoeksverhouding. Met deze kritische introspectie hield Robbe zijn liefde voor het filmvak levendig, nu de ideologische strijd op het politieke toneel beslist leek.

Eric Clerckx in 'De Witte van Sichem'

De koerswijziging in zijn loopbaan voltrok zich op twee sporen. Enerzijds ging hij zijn enorme kennis van het Vlaamse filmwezen voluit benutten in autobiografische boeken zoals Het drinkend hert bij zonsondergang. Het jungleboek van de Vlaamse film (1983) of documentaires zoals De droomproducenten en Hollywood aan de Schelde. De komedie Zware jongens (1984) zag hij als een ode aan de Antwerpse, volkse komedies van Edith Kiel, waarvan hij als kind genoten had. Anderzijds zocht hij een gepaste weg om in zijn films maatschappelijke thema’s te blijven behandelen, maar nu in een minder militante en meer esthetische vorm. Zijn keuze voor een remake van De Witte uit 1934 naar de romanklassieker van Ernest Claes was op vele vlakken een schot in de roos. De Hert plooide met De Witte van Sichem (1980) het genre van de heimatfilm om tot een sociaal drama over het plattelandsleven rond de eeuwwisseling van 1900. Hij plaatste de figuur van de volksjongen in zijn sociale context, brutaal onderdrukt maar onverwoestbaar door zijn schelmse karakter. De film overtuigde ook door De Herts voldragen cinematografische stijl. Het Hageland van voor de Eerste Wereldoorlog ademde voluit onder Robbes camera, een beetje zoals het Italiaanse Emilia in Bertolucci’s Novecento, met de grasgroene weiden en de vale luchten, waarin mondjesmaat de rode vlaggen zichtbaar werden. Alleen al zijn dynamische regie van hoe de Witte Hendrik Consciences Leeuw van Vlaanderen naspeelde, illustreert hoe weinig beweeglijk Hugo Claus’ latere filmversie van die roman wel was. “Ik hield lange tijd vast aan de successen van S.O.S. Fonske en Dood van een sandwichman, die toch door zo’n dertig miljoen is gezien (…) Maar op een gegeven moment blijkt dat je toch geld moet hebben, wil je communiceren: de vorm moet aanvaardbaar zijn, wil het publiek begrijpen wat je te zeggen hebt. Voor mij was het er met De Witte om te doen de communicatiemogelijkheden te verleggen. De Witte was een unieke gelegenheid, een eerste test om voor een groter publiek te werken”, situeerde de cineast zijn bijgestuurde parcours in Film en Televisie in april 1980.

Jongensachtige rebellen

Als mijlpaal in De Herts carrière vormde De Witte van Sichem de aanhef voor een reeks bioscoopfilms waarin jeugdige, rebelse hoofdpersonages centraal stonden, met Gaston’s War (1997) en het tweeluik Blueberry Hill (1989) en Brylcream Boulevard (1995). Het onverwoestbare succes van De Witte van Sichem bood hem voldoende inspiratie om zijn engagement in diverse genres uit te drukken: de oorlogsfilm Gaston’s War, het coming-of-agedrama Blueberry Hill, de politieke thriller Trouble in Paradise (1981) of de pure literatuurverfilming van Willem Elsschots Lijmen (2000), een parel binnen het genre. De Hert ging daarbij moeilijke ideologische deelthema’s nooit uit de weg. Hij had aandacht voor België als draaischijf van de wapenhandel in het door productiemoeilijkheden wel sterk verminkte Trouble in Paradise, voor manipulatie van Belgische verzetslui vanuit Londen in Gaston’s War, voor de gevoelige verschillen tussen socialisme en christendemocratie in zijn script gebaseerd op Boons roman over priester Pieter Daens (uiteindelijk verfilmd door Stijn Coninx in 1992), voor de dissectie van ongebreideld geldgewin in Lijmen en voor de aanklacht tegen de autoritaire schoolstructuur in Blueberry Hill. Die laatste entte Robbe lichtjes op de provocerende kostschoolfilm if ... van zijn ‘leermeester’ Lindsay Anderson.

Michaël Pas en Robbe op de set van 'Blueberry Hill'

Niet alleen thematisch ook in de vormgeving slaagde De Hert erin zijn basisprincipes uit de Fugitivefilms trouw te blijven. Zo hing hij in Lijmen en Gaston’s War de handelingen en de rebellie van zijn hoofdpersonages op aan historische reportagebeelden, een techniek die ook zijn debuut Camera Sutra kenmerkte. In zijn hele loopbaan staat deze wisselwerking tussen document en fictie centraal. Het maakt zijn oeuvre minder hybride en veel stijlvaster dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. Een van De Herts anekdotes betreft zijn stage in de kringen van de Britse Free Cinema. Naar verluidt gaf sleutelfiguur Lindsay Anderson hem de raad naar Vlaanderen terug te keren en zich daar als cineast te profileren. “Probeer het hier en je blijft een van de duizend. Ga terug naar je eigen land en je wordt er een van de vijf.” Een van de vijf werd Robbe zonder twijfel. Misschien wel nummer één?

De Witte van Sichem is nog tot eind deze week te bekijken bij VRT NU.

Geschreven door DIRK MICHIELS

Adieu Robbe De Hert (1942-2020)

Media: