Cafard

Een pracht van een animatiefilm, geïnspireerd op waargebeurde feiten, gesitueerd tijdens de Eerste Wereldoorlog en in het West-Vlaamse dialect gesproken, die je echt wel weet te ontroeren. Dat is CAFARD, de film – een krachttoer van Jan Bultheel – waarmee het Filmfestival van Oostende afsluit. Een gesprek met de regisseur.

Het woord ‘cafard’ heeft meer dan een betekenis. Ten eerste ‘ne cafard’ in de zin van een kater hebben, neerslachtig zijn of heimwee hebben. Cafard staat tevens op het pantservoertuig van de protagonisten geschreven en slaat op kakkerlak: taaie beestjes. Het hoofdpersonage van CAFARD Jean Mordant is immers wel degelijk ‘ne taaie’! CAFARD is een ravissante animatiefilm. Zowel het naturel van de acteurs als het drama van Mordant zijn meeslepend. Het verhaal van de Oostendenaar Jean Mordant is tijdens de Eerste Wereldoorlog gesitueerd. Terwijl Jean in Buenos Aires anno 1914 de wereldtitel worstelen verovert, wordt zijn dochter in Oostende verkracht door binnenvallende Duitse militairen. Jean zint op wraak en schrijft zich in bij het prestigieuze ACM-korps (‘Autos-Canons-Mitrailleuses’): de eerste pantserdivisie ter wereld. Bovendien Belgisch! Hij kon echter niet bevroeden dat de oorlog hem uiteindelijk naar Rusland, China en Noord-Amerika zou brengen. Daar hou je inderdaad een kater aan over! “Ik wou in de eerste plaats een tragedie vertellen”, verklaart de bedenker, scenarist en regisseur Jan Bultheel. “CAFARD is een psychologisch drama. Geen oorlogsfilm”, vervolgt hij. “De – waargebeurde – lotgevallen van het ambitieuze ACM-korps zijn al een metafoor voor de absurditeit van de oorlog op zich. Ik vond het bijgevolg zinloos om ook nog eens gevechten in beeld te brengen.”. In deze fraai gestileerde animatiefilm dus geen oorlogsgruwel of viriele actiescènes. Bultheel koos bewust voor een uitgesproken stilering. Zijn stijl is sober en doet denken aan die van de stripauteur Hugo Pratt of aan de animatiefilms van Satrapi (Persepolis) en Ari Folman (Waltz with Bashir). 

Jan Bultheel: “Enerzijds is de tekenstijl een resultaat van het werken met een klein budget (2,9 miljoen euro). Anderzijds wou ik stelling nemen tegen de ratrace om alles zo realistisch mogelijk te maken. Ik wou namelijk alles zo minimalistisch als maar kon. Het is niet evident om een animatie-auteursfilm te maken in Vlaanderen. Nadat ik voor een paar mensen van de Needcompany (MaisonDahlBonnema) een animatiefilm had gemaakt met het Mocapprocédé (Motion Capture), voelde ik dat ik een werkwijze had gevonden die mijn droom, een animatiefilm voor volwassenen, waar kon maken. Vervolgens vernam ik – het moet ergens in 2011 geweest zijn – dat dit jaar W.O. I herdacht zou worden in en rond Ieper. De Eerste Wereldoorlog is een periode in de geschiedenis van Europa die me altijd heeft gefascineerd, want die is bepalend geweest voor ons wereldbeeld en onze manier van denken nu. Toevallig hoorde ik van het boek van August Thiry over de wereldwijde odyssee van de dichter en schrijver Marcel Thiry met het Belgische ACM-pantserkorps. Op zijn beurt gebaseerd op Thiry’s ‘Le tour du monde en guerre des auto-canons belges’. En in het bataljon van Thiry zat een Luikse (viervoudig) wereldkampioen worstelen: Constant le Marin. Ik zag daarin meteen het potentieel van een sterk dramatisch gestuurd verhaal, verplaatste het personage van de wereldkampioen naar Oostende (omdat ik met de streek vertrouwd ben) en zocht August Thiry op. Die was al vaker benaderd om een documentaire te maken over dat ongelofelijke verhaal. Maar om budgettaire redenen is dat er nooit van gekomen. Thiry was aangenaam verrast dat ik er een animatiefilm van wou maken. Het klikte en ik ben beginnen schrijven. Omdat ik geen scenarist ben, had ik aanvankelijk een aantal mensen aangeschreven, maar de interesse was maar lauw. Ik ben dan zelf begonnen met de outline en nadien met de dialogen. Ik heb het honderdtwintig pagina’s tellende scenario aan producente Arielle Sleutel laten lezen en die was meteen wild enthousiast. In feite hebben we het budget vrij snel rond gekregen.

De aanvraag voor project- en ontwikkelingssubsidies werd direct goedgekeurd en ook bij Cartoon (een Brusselse non-profit organisatie die animatiefilms helpt ontwikkelen via seminaries en pitching events) werd ons project met veel interesse onthaald. Hoe krankzinnig en surrealistisch die hele wereldreis van het korps ‘Autos-canons-mitrailleuses’ ook mocht zijn, ik werd hoofdzakelijk door het drama van die gasten aangetrokken. In werkelijkheid ging het om driehonderdvijftig man. Ik heb me alleen geconcentreerd op Mordant en zijn entourage. Maar je moet je die kerels voorstellen: avonturiers, jonge waaghalzen uit de bourgeoisie (de voertaal was uitsluitend Frans) die dachten de oorlog te winnen met een auto waar een mitrailleur op was bevestigd. Het waren uitsluitend rijkelui die zich inschreven. Wie was er in die tijd anders vertrouwd met auto’s of kon met een auto rijden? De tragiek van die onbezonnen, jonge gastjes, die dachten de wereld te veranderen met hun lichte geblindeerde gevechtswagens, sprak me bijzonder aan. Ze maakten de crème de la crème van het Belgische leger uit – een elitekorps – dat finaal op zijn bek ging. Want nadat ze drie jaar de wereld hadden rondgezworven en ettelijke illusies armer waren, hadden ze in feite geen sikkepit aan heel die oorlogsmolen toegevoegd. Want militair zijn ze van geen enkele betekenis geweest. Ontzettend afgezien hebben ze wel. Vooral hun tijd in Rusland was hard en vol ontbering en ze verloren er heel wat kameraden. In Amerika werd het ACM daarentegen onthaald als helden, omdat ze in Rusland aan de zijde van het tsaristische leger streden (net voor in 1917 de bolsjewieken de macht overnamen). ‘The Belgians are still the bravest of the brave’, schreef de ‘Chicago Tribune’ toen. In 1918. Toch stof voor een intens drama!”  “Van bij de aanvang stond het vast dat ik met Mocap wou werken. In Hollywood bestaat het systeem al lang. In Avatar, Planet of the Apes, The Polar Express, The Adventures of Tintin en The Lord of the Rings lopen allemaal ventjes met een Mocappakje aan. Je moet het je zo voorstellen: de acteur heeft een bodysuit aan met reflecterende bolletjes (markers) erop. Die worden door een batterij infrarode camera’s gedetecteerd in een studio. De computer berekent achteraf de plaats in de fysieke ruimte.

Dat houdt in dat ik als regisseur volledig vrij ben om nadien camerastandpunten en -bewegingen, belichting en decors te kiezen. Dat geeft me de ruimte om meer aan acteursregie te doen. In tegenstelling tot de meeste Mocap-Hollywoodproducties, waar met zogenaamde Mocapacteurs wordt gewerkt, werk ik met echte acteurs. Mocapacteurs beelden typetjes uit. Wij gingen voor reële en rauwe emoties. De werkwijze kun je een beetje vergelijken met die van een theaterproductie. Er vinden lezingen plaats, elke acteur werkt zich in zijn personage in en ondertussen wordt aan de dialogen gesleuteld. Wat niet wegneemt dat er tijdens de opnames in de studio (in Angoulême) geen plaats was voor improvisatie. In tegenstelling tot een fictiefilm, waar de acteur perfect weet waar de camera staat en hoe hij of zij in beeld komt, heeft de acteur in de Mocapstudio geen idee hoe hij wordt gekadreerd.

Close-up? Medium shot? De keuze is (achteraf) aan mij.” Aldus Bultheel. “De acteurs spelen de scènes integraal in een lege ruimte. Ik zeg bijvoorbeeld: je bent in Rusland en het is min veertig graden en beneden zie je de stad. Vervolgens beelden de acteurs die scène uit. Aanvankelijk voelden we ons wat onwennig, maar vrij snel verkenden we de grenzen van onze verbeelding. Dat was fantastisch. Ook voor mij. Want in plaats van bezig te zijn met belichting, lenzen en decorstukken, kon ik me volop concentreren op de gevoelsuitdrukking van mijn acteurs. Mijn regie-aanwijzingen waren zuiver inhoudelijk. Hoe krijg ik uit mijn acteurs de interne spanningen tussen de personages? Hoe regisseer ik de dramatiek? Er waren momenten dat we er zelf kippenvel van kregen. Zo intens waren we bezig. Ik ben dan ook bijzonder tevreden met het resultaat. Het is net het naturel, de spontaniteit en eerlijkheid van dat pure acteren die de dramatische spankracht bepalen.”

“Om alles zo authentiek en realistisch mogelijk te houden hebben we de dialogen gerepeteerd met Roland Desnerck. Die heeft uitdrukkingen en woorden uit de Oostendse volksmond verzameld en zijn aantekeningen en audio-opnames gebundeld in het ‘Oostends Woordenboek’. Ik heb een hekel aan die Vlaamse historische drama’s waar anno 1914 vlekkeloos Nederlands wordt gesproken. In het begin van de vorige eeuw werd dialect gesproken. Het was zalig, tegelijk enorm amusant, om met Desnerck de dialogen te finetunen, om het Oostends van onze film te doorspekken met het woordgebruik en de archaïsche gezegden uit de eerste helft van 20ste eeuw. Dat maakt de geloofwaardigheid alleen maar groter.” 

Interview – Sint-Martens-Bodegem, 19 juni 2015

Geschreven door PIET GOETHALS

Cafard

23/09/2015
Regisseur: 
Genre: 
Productiejaar: 
2015
Distributeur: 
ABC-September Film

Media: