Documentaire filmcultuur in Vlaanderen: groeipijnen?

De Vlaamse oogst op het International Documentary Festival Amsterdam (IDFA), het grootste festival voor documentaires, oogde vrij mager afgelopen najaar. Behalve Matthijs Vleugels met zijn filmdebuut 'Silent Wilderness', enkele coproducties en de Vlaamse acteur Valentijn Dhaenens in de opmerkelijke openingsfilm 'Stranger in Paradise' van Nederlander Guido Hendrikx was enkel Johan Grimonprez aanwezig, met een retrospectief luik en zijn nieuwe film 'Shadow World'. Heeft de documentaire filmcultuur in Vlaanderen groeipijnen?

De immer ijverige promotiemachine van het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) sprak met minder bravoure over de recentste IDFA dan bij voorgaande edities, toen de optimistische stemming rond de Vlaamse (fictie)film ook de documentaire leek te hebben bereikt. In 2011 berichtte het VAF nog over een recordaantal Vlaamse films op IDFA, dat “meteen ook een reflectie [was] van de dynamiek die de documentaire sector in Vlaanderen vandaag uitstraalt”. Een jaar later, in 2012, weerklonk een soortgelijke boodschap: “De sterke Vlaamse documentaireselectie op IDFA onderstreept nog maar eens het nieuwe elan waarin de Vlaamse documentairesector zich vandaag bevindt.” Een korte historische terugblik plaatst deze statements in perspectief.

Goedheilig VAF?

Na een turbulente voorbereiding en beginfase rond de eeuwwisseling slaagde het VAF erin een duidelijke structuur op poten te zetten om steun te verlenen aan Vlaamse filmprojecten. In zijn eerste decennium (2003-2012) besteedde het VAF jaarlijks zo’n 11% van zijn totale creatiesteun aan de categorie documentaire. Het verschil tussen de minimale, vastgelegde steun en de uiteindelijk gerealiseerde steun bedroeg over een periode van tien jaar gemiddeld slechts enkele tienden van een procent. Voor fictie lagen die gemiddeldes veel verder uit elkaar. In zijn eerste tien jaar moest het VAF gemiddeld minstens 49% van zijn creatieve ondersteuning spenderen aan fictie. De uitgevoerde steun bedroeg gemiddeld 63%. Fictie beschikte dus zowel in absolute cijfers als naar verhouding over meer ruimte. Wel nam in 2008 het budget voor documentaire – net als dat van animatie – significant toe (van 1.000.000 naar 1.550.000 euro, met een besparing naar 1.400.000 euro vanaf 2011). Het jaar 2008 kende ook een piek in de aanvragen voor documentaire projecten. Voor het eerst werden er zelfs meer documentaire- dan fictie-aanvragen goedgekeurd.

Een paradepaardje van het filmbeleid zijn (vanaf 2005) de Wildcards, een “carte blanche” of “begeleide vrijgeleide” voor recent afgestudeerden. Uit de ingestuurde eindwerken in de categorie documentaire kiest een jury twee winnaars (van 2006 tot 2008 drie), die elk een coach en een budget van 40.000 euro (in 2005 60.000 euro) ter beschikking krijgen voor een volgend project.

Een opmerkelijk systeem, vindt filmmaker en docent Rob Rombout, die heeft gezeteld in de VAF-commissie voor documentaire en Wildcard-coach was: “Ik vind de Wildcards heel goed, maar ook een beetje luxueus. Want ik ken geen enkele commissie ter wereld waar je geld krijgt op basis van een vorig project. Het is een soort Sinterklaasgeschenk.” Daarom stelt hij voor om met dezelfde middelen een veel bredere groep aankomende filmmakers te ondersteunen in een jaarlijks project dat beleid en filmscholen aan elkaar bindt. “Als je 1000 euro geeft aan een filmstudent tijdens zijn opleiding, is dat hetzelfde alsof je hem 10.000 euro geeft na zijn opleiding. Met zo’n steun krijg je tenminste eindfilms die echt top zijn en die een fantastisch visitekaartje zijn.”

Al is gebleken dat heel wat jonge documentairemakers dankzij hun Wildcard-steun hebben kunnen bevestigen. Zo reflecteert Elias Grootaers’ Not Waving, But Drowning (2010) in strakke dieptecomposities in zwart-wit over de afstand van het medium film en zijn kijkers tot vluchtelingen uit India wier tocht naar een betere wereld stokt in een detentiecentrum in Zeebrugge. De nieuwe documentaire van Grootaers, ondertussen ook docent aan filmschool KASK in Gent, wordt dit voorjaar verwacht. Eva Küpper won een Wildcard met haar fragiele portret What’s in a Name (2009) en maakte vervolgens Before the Last Curtain Falls (2014). Olivia Rochette en Gerard-Jan Claes studeerden af met het video-essay Because We Are Visual, gebruikten hun Wildcard voor de dansdocumentaire Rain en hebben nu een nieuwe documentaire klaar, Grands travaux, over opgroeiende jongeren en hun toekomstperspectieven in de Brusselse beroepsschool Anneessens-Funck.

Ook Sofie Benoot heeft al een heel parcours afgelegd sinds haar Wildcard voor Fronterismo (2007). Vorig jaar gaf het VAF haar de hoogste productiesteun ooit (180.000 euro) binnen de categorie documentaire. De productionele schaalvergroting van (sommige) documentaires in Vlaanderen lijkt wel een gevolg van meer dan een decennium professionalisering via het VAF, de producenten en de opleidingen. Afgelopen jaar won Pieter-Jan De Pue met zijn debuutfilm The Land of the Enlightened – volgens producent Bart Van Langendonck (Savage) de duurste Vlaamse documentaire ooit, met een budget van meer dan 1,2 miljoen euro – de Juryprijs voor Beste Cinematografie op het filmfestival van Sundance.

Onder documentairemakers en -producenten klinkt ondertussen de roep om meer flexibele structuren. (Misschien naar het model van de ateliers in Franstalig België?) Schaalvergroting maakt producties logger en aanvraagprocedures rigider, wat haaks staat op de essentieel explorerende praktijk van de documentaire.

Dit summiere overzicht bevestigt ook de tendens dat onder de door het VAF gesteunde projecten nauwelijks films terug te vinden zijn van makers die de periode vóór het VAF nog hebben meegemaakt. Johan Grimonprez is een uitzondering, met nu zijn langverwachte internationale coproductie Shadow Worlds. En ook Peter Krüger, die met filmessay N – The Madness of Reason (2014) zowaar de Ensor voor Beste Film ontving, was al actief in het pre-VAF-tijdperk.

Verdeelde distributie

Ondanks het stijgende budget voor sommige projecten blijven de middelen voor de documentaire schaars, zowel lokaal als internationaal. Zo ontkomt ook Vlaanderen niet aan de trend van krimpende middelen bij televisieomroepen om aan te kopen en te (co)produceren. In het laatste jaarverslag van VAF-voorganger Fonds Film in Vlaanderen leest een passage over de ondersteuning van de “creatieve documentaire” in de jaren 1994-2002 als een samenvatting van de toenmalige problematiek, die eigenlijk doorweegt tot op vandaag: “Wetende dat een creatieve documentaire in de eerste plaats bestemd is om op televisie te worden vertoond, was de subsidie aanvankelijk bedoeld als een aanvullende steun van de door de omroepen ingebrachte gelden. Wanneer bleek dat de inbreng in de financiering beperkt bleef tot de aankoopsom van uitzendrechten werd het fonds meer en meer gedwongen om de rol van hoofdfinancier te vertolken. Het kwam er dus eigenlijk op neer dat in de erg beperkte basis om documentaires te financieren de subsidie de hoeksteen was in plaats van de inbreng van de omroep.”

Hoewel het Fonds de evolutie weg van televisie niet gretig verwelkomde, werd het Fonds Film in Vlaanderen (en later het VAF) feitelijk de belangrijkste geldschieter. De financiële steun van de openbare omroep zou immers bijna helemaal opdrogen. “De coproductie van auteursdocumentaires heeft stilgelegen van 2005 tot 2012”, zei Philippe Van Meerbeeck in 2012. Hij is nu beleidsadviseur bij VRT en werkte van 2001 tot 2005 als commissioning editor voor documentaires bij Canvas, het tweede net van de openbare omroep. “De financiering is merkwaardig genoeg nog altijd evenveel als vroeger, maar dat is ook meer symbolisch. Het is een teken van de goodwill van de openbare omroep dat die nog in de auteursdocumentaire gelooft.”

Begin 2016 werd de vrijzinnige omroep Lichtpunt opdoekt. Die zond uit via VRT en was vaak een (kleinschalige) partner voor documentaire producties. In het huidige bestel is de meest zichtbare rol voor de openbare omroep dus meer dan ooit de uitzending van documentaire films. En ook dat is vooral symbolisch. Zo gaf Van Meerbeeck aan: “De openbare omroep is nog altijd een belangrijk platform om je film te laten zien. Maar het is wel voor een nichepubliek van maximaal 30.000 à 40.000 kijkers. Eenmalige documentaire films zijn lastig in een horizontale televisieprogrammering in te passen. De ene keer tomatensoep, dan weer vissoep, dat rijmt niet met een horizontaal schema, waar het telkens opnieuw hetzelfde moet zijn.”

De openbare omroep hinkt dus al jarenlang op twee gedachten. Zo verklaarde netverantwoordelijke voor documentaire (nu netmanager van Canvas) Reinhilde Weyns dat “televisie niet meer het gepaste medium is voor auteursdocumentaire”. Een van haar voorgangers als netmanager, Mark Coenen, liet ooit weten: “Documentaires behoren tot het DNA van Canvas.”

Binnen die schizofrene houding van VRT vinden documentaires toch sporadisch hun weg naar het televisiescherm. En zet de openbare omroep voorzichtig stapjes in zijn online aanbod. Zo verzamelde het programma 4 x 7 een waaier korte filmpjes, van reportage tot documentaire. Met de 10-delige reeks Een kwestie van geluk toonde Kat Steppe dat ook televisie een podium kan zijn voor bedachtzaam geobserveerd en fijnzinnig geconstrueerd documentair werk.

Al hebben ondertussen heel wat filmmakers televisie als irrelevant afgeschreven. Kunnen of willen ze dan nog aanspraak maken op dat vertoningsplatform? Misschien bieden de bioscopen kansen. Al kruist de moeizame distributie van documentaires daar met de algemene problematiek van het Vlaamse arthousecircuit.

Vlaanderen heeft geen wijdvertakt netwerk bioscopen meer en de arthouses in (centrum)steden kennen een terugval, ondanks nieuwe zalen in onder meer Leuven. Vooral documentaires die beantwoorden aan traditionele verwachtingspatronen over actuele informatieverstrekking kunnen terecht in de culturele centra (cc’s). Het VAF heeft dit tweede- of derdelijns netwerk van vertoners uitgeroepen tot een aandachtspunt van zijn publiekswerking. Blijven de arthouses dan tussen twee stoelen vallen, aangezien ze enerzijds geen breed culturele programmatie kunnen of willen brengen zoals de cc’s dat doen en ze anderzijds onder druk worden gezet door grote bioscoopcomplexen?

Een aanzienlijk aantal documentairemakers (die ook vaak hun eigen producer zijn) staat zelf in voor de verdeling van hun film. Autodistributie uit noodzaak wordt aangevuld met initiatieven zoals Docpoppies, waarbij sectorvereniging Flanders Doc een simultane release van één documentaire op verschillende vertoningsplekken organiseert. Waar kunnen straks de films van de grote groep aankomende makers terecht? Op welke vorm van groei wordt er ingezet? De positie van de documentaire blijft hoe dan ook precair in een fragiel bioscooplandschap.

Beeld: Not Waving, But Drowning (Elias Grootaers, 2010); The Land of the Enlightened (Pieter-Jan De Pue, 2016); Kwestie van geluk (Kat Steppe, 2016)

Dit artikel is een bewerkte update van de artikelreeks 'Documentaire filmcultuur in Vlaanderen', ondersteund door een werkbeurs van Fonds Pascal Decroos. De volledige reeks is ook hier te lezen.

Geschreven door BJORN GABRIELS

Documentaire filmcultuur in Vlaanderen: groeipijnen?

Media: