The House That Jack Built

Meester-provocateur Lars von Trier doet het weer. Bij de wereldpremière van THE HOUSE THAT JACK BUILT tijdens Cannes 2018 verlieten tientallen mensen de zaal en maakten critici gewag van een weerzinwekkend, walgelijk schouwspel. Zijn nieuwste is tegelijk het klinische verslag van een gestoorde geest en een gitzwarte komedie.

De filmtitel verwijst naar een Engels stapelvers, waarbij de strofen telkens worden uitgebreid met nieuwe informatie. Von Trier, die zijn films à la Jean-Luc Godard graag opdeelt in hoofdstukken met tussentitels, maakt ervan gebruik om zijn film te structureren via vijf bepalende incidenten uit het leven van seriemoordenaar Jack, ergens in de Verenigde Staten gedurende de jaren 1970.

In de opeenvolgende segmenten krijgen we te zien hoe hij zijn (vrouwelijke, bepaald simpele) slachtoffers om het leven brengt. Tussendoor vertelt hij over het huis dat hij wil bouwen, een project dat eerst maar niet van de grond wil komen en in de finale alsnog een macabere invulling krijgt. Tegelijk becommentarieert Jack een en ander in een voice-overdialoog met de mysterieuze Verge. Die blijkt een hedendaagse Vergilius te zijn, de Latijnse dichter die in La Divina Commedia Dante begeleidt tijdens zijn tocht door de hel. Telkens weer tracht Verge te bewijzen dat Jack werd gemotiveerd door (een verlangen naar) liefde, maar die laatste ontkent halsstarrig. Op volstrekt onbewogen wijze brengt dit amorele personage verslag uit van zijn moordpartijen. Het contrast tussen de schokkende, expliciet in beeld gebrachte gewelddaden en de kille toon van zijn bekentenis wordt nog versterkt door de kurkdroge vertolking van Matt Dillon als het titelpersonage.

Het lijkt erop dat Von Trier na zijn zogenoemde ‘depressie’-trilogie (Antichrist, Melancholia, Nymphomaniac) doelbewust heeft gekozen voor een minder persoonlijk en lichtvoetiger verhaal. Maar wie verder kijkt dan het droogkomische cynisme merkt nog altijd het pikdonkere pessimisme. Als Jack, in zijn streven naar de perfecte misdaad, ook nog eens foto’s gaat maken van de moordscènes, wordt duidelijk waar de cineast op aanstuurt. Hij trekt een parallel tussen het plegen van moorden en het maken van kunstwerken (casu quo films). Want elke nieuwe moord/film is een poging om de voorgaande te overtreffen, waarbij de maker al zijn neurosen in de waagschaal legt.

Wat er ook van zij, Von Trier laat zich opnieuw van zijn meest bevlogen kant zien. Zoals in Nymphomaniac wordt de ingenieuze vertelstructuur opgevuld met allerhande verwijzingen. Een korte greep: gotische kathedralen, wijnbouw, William Blake, Albert Speer en de naziarchitectuur, het genie (?!) van de Stuka-duikbommenwerpers, dictators (Hitler, Mao, Stalin, Idi Amin), de manische pianist Glenn Gould, Bob Dylans ‘Subterranean Homesick Blues’ en de ‘Alabama Song’ van Brecht/Weill. Jacks vertoog wordt virtuoos geïllustreerd met documentaire natuurbeelden, lieflijke familietaferelen, jachtscènes, animatiefilmpjes, beroemde schilderijen (van onder anderen Botticelli, Klimt en Gauguin), religieuze afbeeldingen en fragmenten uit eigen werk, dit alles naadloos gemonteerd.

Vormelijk vallen het beweeglijke camerawerk op van Manuel Alberto Claro (die ook werkte met Christoffer Boe en Amat Escalante) en het fetisjistische gebruik van helrood. De muziek (‘Fame’ van Bowie/Lennon, Vivaldi’s ‘Herfst’ uit ‘De vier jaargetijden’, Louis Armstrongs ‘St. James Infirmary’) lijkt vooral gekozen bij wijze van ironisch commentaar bij de vijandelijkheden. the house that jack built kan op twee manieren worden bekeken. Ongetwijfeld is hier een cineast op de top van zijn kunnen aan de slag, maar als gezondheidsbulletin is de film veeleer verontrustend, want het werk van een misantroop, vrouwenhater en hypochonder. De kijker moet maar uitmaken wat de doorslag geeft.

Geschreven door GORIK DE HENAU

The House That Jack Built

17/10/2018
Regisseur: 
Productiejaar: 
2018
Distributeur: 
September Film

Media: