The House That Jack Built

Meesterprovocateur Lars von Trier daalt film na film af in de duistere diepten van de menselijke geest. Na zijn ‘vrouwelijke’ apocalyptische trilogie (‘Antichrist’, ‘Melancholia’, ‘Nymphomaniac’) voert hij ons in zijn ‘mannelijke’ portret van een psychopaat THE HOUSE THAT JACK BUILT zelfs letterlijk mee op een helletocht. Andermaal sneuvelen heilige huisjes.

“Films maken geneest me niet, het ondermijnt me zelfs nog verder”, vertelde Lars von Trier aan de journalist van Le Monde die de Deense cineast in Kopenhagen kwam opzoeken. “Melancholia was te mooi en commercieel, maar bezat vitaliteit. THE HOUSE THAT JACK BUILT is een zieke film, geboren uit het verlangen om na zoveel positieve heldinnen een verachtelijk man te filmen.” In zijn traditioneel sombere en ditmaal extra koele stijl vertelt Von Trier het Jekyll & Hyde-verhaal van een architect en seriemoordenaar gedreven door zijn eigen angsten en obsessies. Met een protagonist annex verteller die moorden ziet als kunstwerken choqueert Von Trier als vanouds, maar sadisme kan je hem ondanks het expliciete geweld niet aanwrijven. THE HOUSE THAT JACK BUILT is niet zo slecht als sommige Cannesvolgers ons in 2018 wilden doen geloven.

Immer turbulent

Het cliché dat filmmakers rustiger en conformistischer worden naarmate hun leeftijd vordert, gaat zeker niet op voor Lars von Trier. Zijn ongepaste grappen over nazi’s tijdens de persconferentie van Melancholia, die hem zeven jaar lang uit Cannes hielden, liggen al even achter ons en Thierry Frémaux loodste THE HOUSE THAT JACK BUILT via aan achterpoortje het festival binnen, maar gerehabiliteerd of tot inkeer gekomen is de regisseur van Breaking the Waves, Dancer in the Dark en Dogville niet.

Hij blijft stevig tegen heilige huisjes schoppen en weigert zichzelf grenzen op te leggen. Tegelijk worstelt hij ook nog steeds met oude demonen (alcoholisme, psychologische stoornissen) en blijvende trauma’s (de biologische vader die hij tot net voor het overlijden van zijn moeder niet kende en die contact afwees). Het leven en de kunst van Von Trier kunnen enkel turbulent zijn. Omdat hij zich maar niet kan verzoenen met de wereld en met zichzelf.

Dat leidde reeds tot een depressie, die sinds 2009 en Antichrist ook uitgroeide tot de motor van zijn films. Er is iets te zeggen voor de stelling dat Von Triers werk een zelf-psychoanalyse werd met gestoorde helden – depressief (Melancholia), nymfomaan (Nymphomaniac) of moorddadig (THE HOUSE THAT JACK BUILT) – die avatars van de regisseur zijn en aspecten van zijn inzinking uitvergroten. Via in angst gedrenkte hallucinaties vol gitzwarte humor glijden de films van het Deense enfant terrible daardoor steeds verder af van de realiteit en verwijderen ze zich meer en meer van mainstream cinema. Om uit te komen bij absurde, chaotische en ambigue nachtmerries.

Imaginair Amerika

THE HOUSE THAT JACK BUILT speelt in het Amerika van de jaren 70. Of eerder in de Verenigde Staten waarmee Von Trier via film een liefde-haatrelatie ontwikkelde, het land dat hij via zijn fantasie vaak weer opzoekt. Al blijft hij fysiek liever thuis, in de woning van zijn moeder die hij restaureerde of in het huis van haar favoriete architect. Vandaar zijn keuze van protagonist. De hyperintelligente en ultranarcistische Jack (Matt Dillon) is een obsessieve architect die permanent bouwt aan zijn perfecte huis, maar eeuwig ontevreden blijft. Jack is daarnaast een cynische seriemoordenaar die elke moord ziet als een kunstwerk waarover hij van gedachten wisselt met de mysterieuze Verge (Bruno Ganz). Via voice-over reconstrueert Jack vijf ‘incidenten’ uit de periode van twaalf jaar waarin hij actief is als seriemoordenaar. We ontdekken ook dat de politie hem steeds dichter op de hielen zit, zonder dat het Jack weerhoudt om steeds meer risico’s te nemen. In plaats van te vluchten maakt hij een statement: “Don't look at the acts, look at the works.”

Als binnenkomer zien we in expliciete beelden Jack een liftster niet gewoon vermoorden maar vermorzelen. De vrouw is eerder irritant dan sympathiek en toch verheerlijkt Von Trier het sadisme van zijn protagonist niet. Hij wil geen inleving of opwinding creëren, maar wel walging door kil te observeren. Bij elk incident zien we gruwelijk en absurd geweld: een vrouw die bewerkt wordt met een mes of een moeder en twee kinderen die worden opgejaagd en neergeschoten. Brutaal, gruwelijk en lelijk.

Jack ontwaart daarin echter een verborgen schoonheid en ziet een parallel: “The old cathedrals often have sublime artworks hidden away in the darkest corners for only God to see. The same goes for murder.” Al wijzen critici erop dat in dit artiestenportret ook bulkt van vrouwenhaat (de vrouwelijke slachtoffers zijn niet bijster intelligent; Jack grossiert in misogyne tirades) en een fascinatie voor het nazisme (de technische en architectonische realisaties ervan). Dat past echter in Von Triers zoektocht naar de bouwstenen van het kwaad in een film die het midden houdt tussen een macabere komedie en apocalyptische horror.

In de hel

Gitzwart nihilisme is de leidraad bij de afdaling van een sombere Jack, gegidst door de rationelere biechtvader Verge (Vergilius), door het vagevuur richting hel. Via de negen cirkels beschreven in Dante’s De goddelijke komedie. De vijf hoofdstukken, vijf moorden, die deze helletocht ritmeren geven aan hoe narcisme en waanzin steeds meer gaan overlappen. Jack bouwt op een afgelegen plek aan zijn droomhuis, maar breekt het steeds weer af omdat het materiaal waarmee hij werkt niet voldoet aan zijn wensen. Lees: de materie laat zich niet kneden door zijn geest.

Jacks egocentrisme leidt naar een macaber artistiek experiment met dood, destructie en duivelse fantasie. Jack bewaart de lichamen van zijn slachtoffers in een koelcel om ze uiteindelijk te gebruiken als bouwstenen van een nieuw soort huis. Mensen als woning, lichamen als kneedbaar en controleerbaar bouwmateriaal. THE HOUSE THAT JACK BUILT wordt zo een allegorie die peilt naar het doel, de middelen en de essentie van kunst. Naar de duistere spiegel waarin we de dood, het kwaad en de donkere kant van de mens ontwaren.

“Sommige mensen beweren dat de gruweldaden die we plegen in onze fictie verlangens uitdrukken die we in onze gecontroleerde samenleving niet kunnen realiseren en uitdrukken via onze kunst”, zegt Jack. “Ik ben het daarmee niet eens. Ik geloof dat hemel en hel een en hetzelfde zijn. De menselijke ziel behoort tot de hemel, het lichaam tot de hel.” Hij volgt Jean Cocteau, die stelt dat “de duivel puur is omdat hij alleen kwaad kan doen” en dat “spiegels deuren zijn waardoor de Dood komt en gaat”. Via Jack houdt Von Trier ons een spiegel voor waarin we ondraaglijke gruwel zien.

Er schuilt veel boosaardigheid, woede, pijn, frustratie en geweld in Jacks helletocht, maar verrassend weinig cynisme of nihilisme. Von Trier is een donker romanticus die horror, samen met humor en kitsch, gebruikt om het bestaan te verklaren als een absurd mysterie. Via overgangsrituelen suggereert hij toch hoop aan het einde van de duistere tunnel. Jack mag dan eeuwig ronddolen in de hel, de humor waarmee Von Trier dat toont, geeft aan dat we kijken naar een verhaal, een verzinsel. Ja, deze film is ziek, érg ziek. Maar in zijn naar vervreemding neigende afstandelijkheid kan hij helend werken voor de kijker.

Film: **** / geen extra's

Geschreven door IVO DE KOCK

The House That Jack Built

Regisseur: 
Muziek: 
Genre: 
Productiejaar: 
2018
Distributeur: 
September Film

Media: