Interview: Jean-Luc Slock van Camera-etc

Cinergie zet zijn bezoek voort aan de ateliers in de Franse Gemeenschap. We publiceren de vertaling van hun interview met Camera-etc vzw. In de lokalen van een voormalige school in vrolijke kleuren hadden ze een ontmoeting met Jean-Luc Slock. Hij is de directeur van dit productieatelier dat zich toelegt op animatiefilm.

Cinergie: Kun je Camera-etc even toelichten?

Jean-Luc Slock: Camera-etc is een productieatelier dat eerst uitsluitend op jongeren was gericht. Het ontstond in de jaren tachtig als Caméra Enfant Admis. Het was de bedoeling de opkomende filmcultuur in de Franse Gemeenschap te ondersteunen, specifiek wat de allerkleinsten betreft. Zo leidden we een generatie cineasten op die nu hun eigen kinderen naar onze workshops sturen. Op het vlak van technologie en vooral de animatieopleidingen stond de ontwikkeling niet stil, waardoor we de voorbije twintig jaar de zaken in het atelier professioneler konden aanpakken. Daarom veranderden we onze naam ook in Camera-etc. We blijven voor een jong publiek werken, maar dat betreft nog maar de helft van onze productie. De jongereninsteek is vooral te merken aan onze groepswerken, vakantiestages en schoolprojecten, waar we animatie gebruiken als instrument van persoonlijke, sociale en groepsontwikkeling en van psychologische hulp. Die werkwijze passen we ook toe bij ons volwassen publiek, want in een sociale context werken we vaak samen met verenigingen, voor nieuwkomers enzovoort.

We maken ook deel uit van het CEC-netwerk (Centre d'Expression et de Créativité). Zo organiseren we een wekelijkse workshop, waarbij volwassenen een paar maanden lang in onze studio hun eerste korte animatiefilm maken. Daarnaast werken we vaak samen in internationaal verband, we exporteren onze expertise in een reeks (vooral Afrikaanse) landen. Met verschillende ngo’s nemen we deel aan burgerprojecten en sensibiliseringsinstrumenten voor kinderen. We trachten ook opleidingen aan te bieden voor animatoren, zodat ze aan de slag kunnen met de apparatuur. Die is de laatste jaren trouwens een stuk goedkoper geworden. Nog een sector die ons na aan het hart gaat, is het produceren van auteursfilms. Met onze zusterorganisatie Zorobabel zetten we het START-productiesysteem op, waarbij jonge animatoren buiten schoolverband hun eerste korte films kunnen draaien. Daarnaast zijn we nog actief in twee andere sectoren. Ten eerste zijn er de opdrachtfilms, dat wil zeggen motion design-boodschappen van algemeen belang, met een didactische en ludieke insteek. Voor nieuwkomers hebben we bijvoorbeeld een video van twintig minuten gemaakt met uitleg over hoe België in elkaar steekt,  hun rechten en plichten, dit alles in vijftien verschillende talen. Een laatste afdeling is ‘experimenteler’ van aard, namelijk videoclips. Daarmee begonnen we om het Luikse muziekleven meer uitstraling te geven en tegenwoordig worden ze steeds belangrijker.

 

 

 

 

 

 
La Coquille van Siona Vidakovic en Louise-Marie Colon. Productie: Camera-etc

Kun je wat meer kwijt over het medium animatie?

J.-L. SLOCK: Toen we Caméra Enfant Admis opstartten, was dat een ideaal middel om beeldopvoeding in de praktijk te brengen in scholen. Via animatie kun je in groep werken en je kunt het filmmedium zo ook op een eenvoudiger manier ontsluiten voor niet-ingewijden dan met live-action. In het begin moest je een film draaien met 25 leerlingen en er was geen sprake van dat iemand de ster zou spelen. Bij animatie staat iedereen op hetzelfde niveau. Daarnaast ben ik graficus van opleiding en we ontdekten dat het vak artistieke opvoeding begon te verdwijnen, meer bepaald in de basisscholen. Sinds de opkomst van het digitale hebben ouders meer interesse voor computeropleidingen dan voor basisopleidingen als tekenen of zingen. Sinds een vijftiental jaar lopen de zaken steeds meer door elkaar. Hier laten we de deelnemers het liefst samenwerken rond een project met manuele technieken: verf, tekeningen, plasticine, klei en nog veel meer.

Wat het inhoudelijke betreft, gaat er van animatie een onmiskenbare metaforische en symbolische kracht uit, waardoor je heel korte films kunt maken met een inhoud die beter verteerbaar is dan bij live-action. Het is trouwens geen toeval dat animatie als propaganda-instrument wordt gebruikt, zowel in oorlogs- als vredestijd. Daarnaast hebben we steeds vaker projecten met mensen, bijvoorbeeld illegalen, die om uiteenlopende redenen niet voor de camera willen getuigen en zich ‘verbergen’ achter animatiepersonages, zoals een poppenspeler.

Hoe zie jij de receptie van animatiefilms door de jaren heen?

J.-L. SLOCK: Er verandert eigenlijk niet veel. Er is zelfs een vernieuwde belangstelling voor klassieke animatie, als gevolg van recente televisiereeksen in dat formaat. Optische spellen als de zoötroop, de fenakistiscoop en de folioscoop gebruiken we al dertig jaar en die blijven even fascinerend voor kinderen, hoewel zij overstelpt worden met tienmaal zo veel audiovisueel materiaal als hun ouders destijds. De aantrekkingskracht daarvan hangt ook samen met de toegankelijkheid. We gebruiken bijvoorbeeld een stop-motionprogramma en daar is een kind in een paar minuten mee weg.

Hoe autonoom zijn jullie?

J.-L. SLOCK: We zijn autonoom tot op zekere hoogte ... Het geluid bijvoorbeeld moeten we afwerken in een professionele studio. Maar we zijn in staat om zelf te produceren. En er is ook veel onderlinge hulp tussen de ateliers. Aangaande de auteursfilms kunnen we voor specifieke technieken niet zonder coproductie, meestal met Frankrijk.

Wat gebeurt er met de films als ze klaar zijn?

J.-L. SLOCK: Daar hechten we veel belang aan: de eeuwige kwestie van de betrokkenheid van de animator bij het project en de relatie tussen ontstaansproces en eindproduct. Beide zijn voor ons even belangrijk, het heeft geen zin films te maken met kinderen en er dan niets mee te doen. Uit respect voor de deelnemers vinden we dat we alle mogelijke technische middelen moeten aanwenden om films te produceren die door een breder publiek kunnen worden gezien. We hebben dus ook geen hiërarchie betreffende productiekwaliteit. Het is niet omdat we met kinderen werken dat we andere technische middelen gebruiken dan bij auteursfilms. Die films krijgen dezelfde zichtbaarheid en worden evengoed vertoond op een reeks internationale festivals, met uitstekende resultaten. Ik verwijs altijd met veel plezier naar Benoît Feroumont. Die leerde ik kennen toen hij op elfjarige leeftijd bij ons zijn eerste super 8-stage liep en via de activiteiten van Camera-etc ontdekte hij zijn passie. Het is niet onze belangrijkste opdracht, maar we zijn altijd tevreden en trots als een kleine jongen die we in de jaren tachtig hebben gekend een belangrijk figuur wordt binnen de Franstalige Belgische animatiefilm. We organiseren altijd heel professionele premières om de groep in de bloemetjes te zetten, met een openingstoespraak, een klein diploma en dergelijke.

Die films hebben ook bepaalde sociale kwaliteiten?

J.-L. SLOCK: Gezien de terughoudendheid van de televisiezenders hebben we een goed lopend distributienet in het onderwijs. Onze films worden vaak gebruikt om er discussies mee in te leiden en als sensibiliseringsinstrument betreffende diverse onderwerpen. En we verdelen onze producties ook internationaal.

Hoe wordt jullie werk geapprecieerd door leraren?

J.-L. SLOCK: Zonder de medewerking van het onderwijzend personeel lukt het niet. We hebben haast nooit negatieve ervaringen, want leraren doen een beroep op ons omdat ze ons werk kennen. Als we onszelf voorstellen aan de kinderen doen we net echt en zeggen: ‘Het is geen film voor kinderen, maar met kinderen. Jullie behoren tot de kopstukken van de productie, maar daarnaast heb je nog een producer enzovoort.’ Ook de leraar hoort erbij. In dit verband is het storyboard voor ons een essentiële, niet weg te denken stap. Het is ons contract met de deelnemers, het instrument waarmee we het productieproces kunnen controleren.


Le dos tourné, gemaakt door 12 kinderen van de school l'EFC L. Mottet - CHR Citadelle. Productie: Camera-etc

Wil je er nog iets aan toevoegen?

J.-L. SLOCK: Ik zou graag terugkomen op het werk van de animatoren in het atelier. Het is extreem complex werk, waarbij bekwaamheden komen kijken in drie essentiële domeinen. Om te beginnen is er de pedagogische bekwaamheid, die slaat op een reeks onmisbare zaken als het woord nemen, analyseren, evalueren enzovoort. Dan heb je de artistieke bekwaamheden: kunnen tekenen, oplossingen bedenken voor bewegingsproblemen. Vijf van onze zeven animatoren zijn trouwens afkomstig van La Cambre (kunsthogeschool, nvdr). De laatste bekwaamheden zijn niet van de minste, namelijk de technische. Om bij ons animator te zijn moet je een tiental programma’s beheersen op het vlak van opname, geluid, montage en postproductie. Dus bravo voor de animatoren van Camera-etc, het zijn echte vaklui.

Beeld boven: KÉN'AFFAIRE gemaakt door 20 kinderen van 8 tot 12 jaar. Productie: Camera-etc

Deze publicatie kadert in de samenwerking tussen Filmmagie en het Brusselse, Franstalige Cinergie. Maandelijks wisselen deze twee filmkritische media een interview uit om te vertalen voor eigen publicatie. Andere interviews die kaderen binnen dit opzet zijn die met productiehuis Dérives, Claude François en productiehuis Cobra Films.
Vertaling: Gorik de Henau

Geschreven door SYLVAIN GRESSIER

Interview: Jean-Luc Slock van Camera-etc

Media: 

onomatopee