Interview: Julie Frères over productieatelier Dérives

Meer dan veertig jaar geleden werden in de Franse Gemeenschap de productieateliers opgericht, in een geest van libertaire vereniging in de nasleep van mei 68. Om deze verjaardag op gepaste wijze te vieren bereidt de AAAPA (Association des Ateliers d’Accueil et de Production Audiovisuelle) een onlinepublicatie voor en ook een retrospectief in CINEMATEK met de creatieve oogst van de dertien non-profitorganisaties. Cinergie sloot zich aan bij de feestelijkheden en ging op bezoek bij deze ateliers, die zo kenmerkend zijn voor het productie- en ondersteuningssysteem in Franstalig België.

JULIE FRÈRES: In 2012 klopte ik bij Dérives aan als een cineaste met een project. Het ging om Les hurleurs, over de Lantin-gevangenis en de mensen die buiten de gevangenismuren staan te roepen. Ik had aan het scenario gewerkt en de film helemaal in de steigers gezet, maar om diverse redenen en hoewel de financiering rond was, draaide ik hem uiteindelijk niet. Tijdens de scenariofase stond ik aldoor in contact met Jean-Pierre Dardenne (die samen met zijn broer Dérives oprichtte, nvdr). Op een dag belde hij me op en stelde voor om binnen Dérives de productietaken over te nemen. Dat kwam voor mij als een verrassing, ik had nooit gedacht dat ik me met filmproductie zou bezighouden. Maar het boeide me wel, ik kende Dérives een beetje en ik hield erg van de films die ze hadden geproduceerd.

CINERGIE: Na al die tijd aan het roer wilden de broers Dardenne zich uit Dérives terugtrekken?

J. FRÈRES: Ze hadden Dérives voor hun documentaires opgestart en eind jaren 80, begin jaren 90 waren ze ook andere Belgische figuren gaan produceren, bijvoorbeeld André Dartevelle en Hugues Le Paige. Elk daarvan kwam aanzetten met zijn eigen thema’s. Beide broers hadden meer dan dertig jaar geproduceerd binnen Dérives. Ze hadden te veel werk met hun fictiefilms en het produceren van andere cineasten voor hun productiehuis Les Films du Fleuve. Van een nieuwe persoon verwachtten ze dat hij/zij nieuwe projecten zou aanbrengen, zo zeiden ze. Het moest een generatiewisseling worden, zowel wat het produceren als de cineasten betrof.

Hoe verliep de aflossing van de wacht?

J. FRÈRES: Ze gaven me volledig vrij spel. Ik mocht voortwerken aan wat ze al hadden opgestart of helemaal vanaf nul beginnen. Toen ik aankwam, heb ik meteen een activiteitenplan opgesteld met een paar ideeën. Maar ik wilde niet breken met het verleden, wel bepaalde zaken voortzetten en daarnaast nieuwe dingen aanbrengen. Ik heb hun gevraagd me een beetje te begeleiden, want ik had nog nooit aan productie gedaan. Met Véronique Marit en Marianne Debacker was ook nog altijd het team van het prille begin aanwezig en zij hebben me in een eerste fase bijgestaan. Nu zetelen de broers Dardenne in de raad van bestuur en zo nodig kan ik hen altijd bellen.

Heb je hun filosofie overgenomen?

J. FRÈRES: In zekere zin wel, want we deelden dezelfde visie op de documentaire, namelijk individuele trajecten volgen die symbool staan voor een universele sociale problematiek. Aangaande thema’s vertrekken we ook altijd van een zeker engagement. De basis van Dérives is de arbeidersbeweging. We maken vrij veel films over kwesties als vrijheid en marginaliteit, maar zonder te veralgemenen, want de waaier is breed. We evolueren ook, want we doen steeds meer korte documentaires. Die kennen een korter productieproces, waardoor we spontaner, compacter en radicaler te werk kunnen gaan. In vergelijking met vroeger maken we ook meer eerste en tweede films, dat is onze hoofdopdracht geworden. Precies op dat vlak lijkt onze inzet als atelier me het meest zinvol. In budgettair opzicht liggen documentaires moeilijk en daarom moet je streven naar een degelijke financiering, want voor een cineast gaat het om een lange en moeilijke ervaring.

Kun je de werking van een productieatelier toelichten?

J. FRÈRES: We produceren films, dat wil zeggen dat we het hele proces begeleiden, van de allereerste schrijffase tot de afwerking en promotie. Al die verschillende stappen trachten we te financieren, hoewel er uitzonderingen zijn. We beschikken over materieel voor productie en postproductie, waardoor we minder afhankelijk zijn van externe subsidies. Het hangt ervan af om wat voor film het gaat. Als de film bijvoorbeeld in het buitenland wordt opgenomen hebben we een groter budget nodig. Omdat we een atelier zijn, kunnen we veel tijd besteden aan het schrijven. Dat is volgens mij de belangrijkste fase in het maken van een documentaire, want ze is bepalend voor het aparte karakter van een project, voor een originele of concrete invalshoek.

Hoe verlopen coproducties?

J. FRÈRES: Die worden opgezet met andere ateliers of met privéproducers die bijvoorbeeld op zoek zijn naar materiaal om te draaien of op het vlak van postproductie.

Financieren jullie het zoeken van locaties in het buitenland?

J. FRÈRES: Het gebeurt wel eens dat we ter zake voorlopige financiering bieden of een handje helpen. De catalogus van Dérives telt vrij veel films van Belgische cineasten die in het buitenland werden gedraaid.

Hoe komen de cineasten bij jullie terecht?

J. FRÈRES: Ik denk dat de mensen die onze films hebben gezien een beetje instinctief naar ons toekomen met projecten die raakvlakken vertonen met wat we al hebben gedaan. Ik tracht iedereen een antwoord te geven en met iedereen een gesprek aan te gaan. Soms is het alleen maar een idee, iemand die belt om te praten en daar blijft het dan bij. Het wordt niet noodzakelijk een project dat we ook produceren. Soms zijn de voorwaarden wel vervuld en dan beginnen we aan een productieproces van meerdere jaren. Twee jaar geleden heb ik ook twee halfjaarlijkse projectoproepen gelanceerd, naast een ontwikkelingsbeurs voor financiële en materiële projectsteun en een afwerkingstoelage.

Zijn er bijzondere selectiecriteria?

J. FRÈRES: Nee, maar bepaalde thema’s keren wel geregeld terug. Er moet vooral een bepaalde kracht of originaliteit blijken, waardoor je niet langer met zomaar een onderwerp te maken hebt, maar via iemands blik gaat kijken. Dat is des te belangrijker omdat we niets uitleggen met een commentaarstem, de zaken moeten op een filmische manier worden aangebracht.

Afbeeldingsresultaat voor Le rêve de Nikolay Le rêve de Nikolay

Onlangs produceerden jullie Le rêve de Nikolay van Maria Karaguiozova. Hoe verliep de samenwerking met de cineaste?

J. FRÈRES: Maria is jurist van opleiding, met een specialisatie in internationaal recht en vreemdelingenrecht. Ze had nog nooit een film gemaakt. Het was een vrij complex project met verschillende verhaallijnen. Ik heb haar twee, drie jaar bijgestaan met het dossier en om knopen door te hakken. We zochten locaties ter plaatse en namen deel aan scenarioworkshops. Tijdens de opnamen bekeek ik de rushes. Een deel daarvan was niet overtuigend, dus organiseerden we een tweede reeks opnamen. Het is telkens een soort leerproces waarbij we zo goed mogelijk trachten te helpen, altijd met het oog op de film. We staan in permanent contact met de regisseur om het proces gaande te houden. Idem voor de montage, we ondernamen verschillende pogingen om dichter bij Maria’s initiële idee uit te komen, want de opnamen en de eerste montagesessies waren minder persoonlijk opgevat.

Jullie zijn ook gevoelig voor de distributiekwestie?

J. FRÈRES: Wat distributie betreft, ondersteunen we altijd onze films. We streven naar unieke, originele projecten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we alleen experimentele films maken voor een publiek van drie mensen. Het is de bedoeling dat de films ook kunnen worden gebruikt door bijvoorbeeld verenigingen, dat ze een discussie losmaken, dat er een sociale kwestie uit naar voren komt. In de mate van het mogelijke trachten we onze films altijd te ondersteunen in samenspraak met partners.

http://grignoux.be/system/attachments/pictures/000/010/939/web/CDF_1.jpg?1425641517 Coup de foudre (productie: Dérives, © Dérives)

Beschikken jullie over bevoorrechte partners?

J. FRÈRES: In functie van de film vinden we soms verenigingen. Voor de distributie werken we vaak met dezelfde instellingen: televisie, culturele centra of arthousebioscopen. We tonen onze films net zo goed tijdens symposia van psychiaters als voor sociaal assistenten. We pakken het altijd zo aan dat de film een zo breed mogelijke weerklank krijgt op politiek of sociaal vlak. Coup de foudre bijvoorbeeld, een van onze producties, wordt gebruikt bij politieopleidingen om te trachten gevallen van partnergeweld op te sporen.

Worden jullie films vanaf het begin als een werkinstrument opgevat?

J. FRÈRES: We werken met onze films niet naar een specifiek doel toe, de auteur komt met een project aanzetten en we trachten hem bij staan om er het maximum uit te halen. Daarna kijken we wat er mogelijk is aangaande promotie en distributie. Maar het idee is belangrijker dan de uiteindelijke distributie.

Is coproduceren met televisie noodzakelijk?

J. FRÈRES: Nee, maar via één uitzending op televisie kun je natuurlijk wel honderdduizenden mensen bereiken. Dat is belangrijk, maar het is niet voor alle films geschikt. Sommige van onze producties kunnen we ons jammer genoeg niet op antenne voorstellen, want televisie kan het zich tegenwoordig niet meer veroorloven om wat gewaagdere films te produceren. Maar dat belet ons niet het toch te proberen.

Deze publicatie maakt deel uit van een samenwerking tussen Filmmagie en Cinergie, waarbij we maandelijks artikels over Belgische cinema uitwisselen. Dit project wordt ondersteund door de ministeries van Cultuur in de Vlaamse en Franse Gemeenschap.

Geschreven door DIMITRA BOURAS & SYLVAIN GRESSIER

Interview: Julie Frères over productieatelier Dérives

Media: