Interview met Jan Rastelli (I)

“Gaat het slecht met de arthouses? Natuurlijk, maar de hele cinema doet het slecht! Nationaal gingen we in 2007 weer zeven procent naar beneden terwijl er in Oostende zelfs zalen bijkwamen. De cijfers zijn niet goed en arthouses zien daar meer van af omdat onze aantallen kleiner zijn. Anderzijds ben ik geneigd te denken dat als er cinema zal blijven bestaan, het de arthouses zullen zijn. Veeleer de kleine zalen in de steden dan de grote mastodonten aan de rand van de stad”. Aan het woord is STUDIO LEUVEN-bezieler Jan Rastelli, lid van een heuse cinemadynastie en zoon van de grote Vlaamse arthousepionier Jos Rastelli. Vader Jos richtte in het woelige Leuven van 1968 de STUDIO op, een arthouse die nu door zoon Jan wordt gerund en een monument blijft voor studenten en cinefielen.

“Wij doen cinema van begin jaren 20, misschien al eind jaren 10,” stelt Jan Rastelli wanneer FILMMAGIE hem vraagt zijn familiestamboom toe te lichten, “mijn overgrootmoeder begon ermee door in haar danszaal een reizende cinema te laten komen. Daar was altijd volk voor. Uiteindelijk richtte ze die balzaal in als vaste bioscoopzaal. Mijn vader studeerde in Leuven eerst enkele jaren geneeskunde. Hij merkte dat er in Leuven, net zoals op vele andere plaatsen, een gat in de markt was voor ‘de betere film’ (de stad telde vele zalen maar die draaiden James Bondfilms i.p.v. de toen erg sterke Franse films, nvdr). Hij stopte met zijn studies en startte in 1956 een cinema op in Tervuren”. Daarmee trad Jos Rastelli in de voetsporen van zijn moeder die in Herentals een filmzaal (de Lux) uitbaatte en haar zoon geregeld naar Brussel had meegenomen om films en publicitair materiaal op te halen.

De zaal in Tervuren marcheerde, maar Rastelli zag zijn toekomst nog niet verzekerd. Want toen eind jaren 50, begin jaren 60 tv zijn opmars inzette, sloten vele bioscopen. Jos Rastelli hervatte zijn studies, tot hij in Leuven zijn kans zag. “Eerst opende hij een café,” vertelt zoon Jan, “en in ‘65 kreeg hij de kans om de oude Studio 2, de Vita, van een pater te huren. Vader draaide er betere films en kreeg veel volk over de vloer. Toen die pater dat zag dacht hij dat ie dat ook kon. Het huurcontract werd opgezegd. Mijn vader zwoer om binnen het jaar pal ernaast een andere cinema te planten; twee jaar later stond STUDIO 1 er, 300 m verder in de straat. De zaal werd geopend op vier oktober 1968, de verjaardag van Jo Röpcke”. Velen stonden sceptisch tegenover het initiatief. “De zaal kwam in de Brabançonnestraat, een heel eind weg van het centrum. Iedereen vroeg me of ik wel goed wijs was,” zei Jos Rastelli daarover jaren later, “dat deed je toch niet, wegtrekken naar ‘de rand’. Maar ik hield voet bij stuk” (1). Men vroeg hem ook voor wie hij er in hemelsnaam films zou draaien. Leuven barstte immers van de zalen: Luxor, Casino, ABC, Den Bond en som maar op. “In de week voor de studenten, tijdens het weekend voor de professoren,” luidde zijn antwoord, “nu kan je er mee lachen, maar zo is het ook echt gegaan” (1).

Cinema in turbulent Leuven

Het waren bewogen (studenten)jaren in Leuven en de nieuwgebouwde STUDIO 1 profiteerde van die dynamiek. “Het begon meteen goed te lopen,” aldus Jan Rastelli, “met vertoningen om 2u, 5u, 8u en 10u. Daar kwam snel 12u bij, wat ook uitstekend draaide. Uiteindelijk zouden we zes vertoningen per dag halen, in één zaaltje. We waren de eerste zaal in België die op elk uur een andere film had. Velen verkeerden in de waan dat de vertoningen doorlopend waren en ze er een hele dag konden blijven zitten. Maar dat deden wij niet”. Een ware revolutie in een tijd waarin bioscopen nog volop ‘doorlopende vertoningen’ organiseerden (toeschouwers kwamen halfweg een film binnen, keken naar het slot, pikten de pauze mee en zagen dan pas het begin, nvdr). Bovendien ging pionier Jos Rastelli resoluut voor kwaliteit: de ‘waardevolle film’ kreeg alle ruimte. Naast de films van R.W. Fassbinder en de Britse kitchen sink-drama’s stonden ook 2001: A Space Odyssey, Playtime en Hugo och Josephin op het programma. En toen niemand Harry Kümels Monsieur Hawarden wou vertonen sprong Rastelli in de bres. Snel goedkoop succes halen was geen optie en daarvoor werd Jos Rastelli beloond. Ondanks stevige concurrentie.

Op zijn lauweren rusten was evenmin aan hem besteed. Vrij snel runde hij behalve in Leuven ook zalen (‘keurbioscopen’ heetten de Rastelli-zalen) in Tervuren en in Turnhout. Terwijl hij ook de programmatie in Herentals ging verzorgen. “Daarna smeten ze de Walen in Leuven buiten en hadden ze in Louvain-la-Neuve een cinema nodig,” vertelt Jan Rastelli, “daarvoor klopten ze bij mijn pa aan. Dat was een voorlopige zaal, die er toch negen jaar heeft gestaan. Van die ene zaal ging het naar drie zalen, gelegen in het centrum. Allemaal op vraag van de universiteit. Vooraleer er ook maar één café of bibliotheek was wilden ze er een cinema! De rector wou vermijden dat de studenten ’s avonds terug naar Leuven trokken… We konden er prima programmeren. Hun voorwaarde was dat we originele films draaiden; dat gebeurde nergens in Wallonië en nauwelijks in Brussel. En: geen pornofilms. Dat stond in het contract! Films zoals Jean Eustache’s La maman et la putain mochten wèl. Ze waren niet zo streng en stonden trouwens zelf als eerste in de rij. Walen zijn overigens grotere cinefielen dan Vlamingen – de hele Franse cultuur is meer op film gefocust dan de Vlaamse”.

De Rastelli’s kunnen het weten want ze beperkten hun actieradius niet tot Leuven. Jan: “We breidden uit naar Geel, Turnhout en Brussel. In ‘98 is onze pa gestorven. Dan namen we Diest over. Intussen ging Louvain-la-Neuve wel dicht omdat er op 50 m van ons een mooi complex van UGC opende. Met 13 zalen iets te groot, maar goed. Inmiddels zijn de zalen in Turnhout (Kursaal) weg. En Brussel (Twins in Passage 44), tja, dat heeft nooit zin gehad. Onze laatste opening was Studio Koksijde, op vraag van de gemeente! Zes zalen in een schoon complex; op 5½ maand stond het er. Alle zalen – gehuurd of eigendom – zijn of waren eigen beheer (2). Daarnaast bleven we culturele centra programmeren in Dilbeek, Strombeek, Overijse, Beersel, Puurs en Vilvoorde”. Vanaf het einde van de jaren 70 tot in de jaren 90 waren de Rastelli’s ook actief als distributeur. Films zoals Koyaanisqatsi, A World Apart, The Dead, Siberiade, Das Versprechen, Ganz Unten, Martha en Trouble in Paradise vonden zo een publiek in Vlaanderen.

Het overkoepelende Studio Filmtheaters N.V. bleef ook na de dood van Jos Rastelli op 12/10/98 in aloude traditie een familiebedrijf. “We zijn met 7 broers en zussen (naast Jan ook Annemie, Els, Frank, Inge, Kurt en Karen) en allen aandeelhouder,” aldus Jan Rastelli, “al zijn we niet allemaal in de cinema actief. We baten ook hotels uit; daar is het mee begonnen. Frank doet het hotel in Herentals en daar zijn nog twee zaaltjes bij. Inge houdt een hotel in Tervuren open, tot twee jaar geleden een cinema. We maakten er een hotel van want er sliepen meer mensen op een nacht dan er naar de cinema kwamen. Dan is de balans snel gemaakt”. Ondanks de (familie)banden wordt er over gewaakt dat de onderdelen het geheel niet aan het wankelen brengen: “Zakelijk zit alles in een aparte structuur”. Als arthouse wordt STUDIO LEUVEN “qua uitbating en programma apart bekeken. In onze bar doen we het maximum dat we willen. Pas op, dat staat niet gelijk met wat mensen vragen want het is niet omdat je cinefiel bent dat je geen popcorn lust! Dat zijn idee-fixen. Omdat het stoort doen we het niet. Al storen chips ook en verkopen we die wel. Maar als het stinkt, mag het niet binnen. Frieten, pizza’s en honden, nèèn”.

De lichtjes van de Schelde

Het grote Antwerpse avontuur van de Rastelli’s begin de jaren 70 is voer voor een schelmenroman. “Daar had vader het licht gezien,” zucht Jan, “in Antwerpen hadden we knappe zaaltjes (Studio) maar werden we plataf geboycot door Georges Heylen (filmbaron die in Antwerpen toen het monopolie had, nvdr). Gezien er wandtapijt hing bazuinde hij rond dat Rastelli zijn bioscoopmuren met geld bekleedde”. Vooral zaal twee “was warm en chique, met gordijnen die opengingen. Helaas kregen we er een overstroming. De zaal lag in de kelder en er stond twee meter water in nadat de grote toevoerbuis van het hotel erboven de hele nacht had gelekt. Merkwaardig. Alle valse plafonds waren naar beneden gekomen. We konden dat tijdelijk opkalefateren maar het was om zeep”. Jammer, want door het conflict tussen Heylens Rexconcern en de grote verdelers draaiden er lange tijd geen Amerikaanse films in Antwerpen Kinemastad.

Jan: “We speelden A Clockwork Orange jaren na datum; dat liep heel goed. Nadien opende Calypso, met grotere spektakelzalen. Hoewel men mijn vader had beloofd dat hij product zou blijven krijgen, haalden zij toch meer binnen dan wij. Maar we hadden het er een poos goed”. Uiteindelijk dienden de Rastelli’s te buigen voor de autoritaire filmbaas: “Mijn pa heeft alles aan Heylen moeten verkopen, met de nodige dreigementen”. Er volgden nog confrontaties: “Op een zeker moment vroeg men of mijn pa Turnhout wou overnemen. Heylen programmeerde dat. Ik weet nog zo goed als de dag van gisteren dat Heylen telefoneerde toen ik thuis was. Vader kwam lijkbleek uit z’n bureau terug. Later hoorde ik dat Heylen had verteld dat wanneer pa Turnhout durfde te doen, hij ervoor ging zorgen dat ie zijn 7 kinderen geen boterham meer te eten kon geven. Anderzijds, lag je in de kliniek, dan ontving je het grootste bloemenboeket van Heylen. Met alle respect voor wat hij in Antwerpen heeft gedaan: het was een rare man”.

Studenten zijn geen cinefielen

Die vreemde snuiter zou ook de ontwikkeling van STUDIO LEUVEN beïnvloeden. Heylen kocht zaal Vita in Leuven om ze enkele jaren later aan de Rastelli’s te verkopen. Waardoor zij konden herstructureren. “Een paar jaar geleden sloten we de bioscoop (3) in de Brabançonnestraat,” verduidelijkt Jan Rastelli, “hoewel de zalen intact zijn, de machines onderhouden worden en er nog vertoningen doorgaan. Die zalen gebruik ik vandaag voor een festivalletje (4), als visiezaal of voor een stand-up komiek. Alle cinema-activiteiten brachten we naar de STUDIO-zalen in het hoofdkantoor verderop (5), met 1 operateur en 1 kassierster”. Dat geeft aan dat de verklaring in rationalisering (lees: besparingen) moet worden gezocht. “Voor twee vestigingen had ik een operateur en twee mensen aan de kassa nodig,” verduidelijkt Rastelli, “nu één kassierster en één operateur. We hebben er wèl een vierde zaal bijgebouwd want er waren er maar drie. Het komt er dus op neer dat we geen vertoningen verloren”.

Wie zou denken dat de arthousecrisis minder voelbaar is in een studentenstad zoals Leuven, heeft het verkeerd voor. De cijfers (zie kader) spreken voor zich. In de periode 2000-07 zag STUDIO zijn bezoekersaantal gehalveerd (van 189.862 naar 92.924), ook al lijkt de terugval de jongste drie jaar gestabiliseerd (na een spectaculair verlies van ruim 40.000 toeschouwers tussen ‘04 en ‘05). “Studenten zijn gèèn cinefielen,” weet Rastelli, “wie zegt dat zij vandaag nog een groot deel van ons publiek vormen? Steden kan je niet vergelijken; die fout maken we dikwijls. Antwerpen is een metropool dus zou er voor alles een markt moeten zijn; de stad zou niet zonder een arthouse mogen kunnen. In Brugge, een grotere stad dan Leuven, woont er volgens mij een hooggeschoold publiek met centen. Met de komst van Kinepolis is hun situatie uiteraard veranderd. Het verschil met Gent is dan weer dat Leuven qua studentenpopulatie te veel op exacte wetenschappen is afgestemd. Wij hebben geen academie. Er ís een publiek van de KUL, de zwartjakkers: studenten psychologie, filosofie, talen. Maar dat is een minoriteit! De talenfaculteit heeft zelfs geen aparte studentenvereniging meer. Alle exacte wetenschappen, dát boomt. Die mensen gaan echter niet naar arthousefilms maar naar actiefilms”.

Op dat vlak slaat Rastelli mea culpa: “Toen we in Leuven nog alleen waren lieten we bewust een aantal grote commerciële films links liggen – we draaiden wat we wilden want de mensen kwamen toch. Toen Superclub, later Kinepolis, hun zalen opende bleek dat er wèl een publiek voor de Stallone’s en de Van Damme’s bestond. Daar hebben wij ons vergist. Je denkt dat het Leuvenaars zijn, maar het zijn studenten die dat gaan zien. We moeten ons daar geen illusies over maken”. Arthouse-uitbaters dienen trouwens creatief op regionale verschillen in te spelen: “Elke stad is een apart gegeven. In Geel, Diest en Herentals programmeren we tweemaal per week een ‘filmparel’. Een arthousefilm. Van Diest en Geel zou je denken dat het vergelijkbare steden zijn. Neen! Met La meglio gioventù haalden we in Diest 74 en 72 man. Een week later hadden we in Geel 374 en 370 man. Op twintig km van elkaar is het resultaat totaal verschillend. Toen ik destijds foto’s selecteerde, koos ik heel andere beelden voor Leuven dan voor Turnhout. In Turnhout mocht het platter zijn. Je ziét ook het verschil qua publiek. De ene zaal wordt afgebroken en ligt vol afval, in de andere zaal steken de vuilnisbakken na de vertoning vol. Alleen de échte grootsteden kan je vergelijken; het is een mengelmoes en er is voor elk wat wils”.

Arthouse of filmmix

Volgens sommigen is ‘arthouse’ een modieus begrip. Jan Rastelli behoort tot de sceptici: “Ik geloof al jaren dat het arthousegegeven op zijn laatste benen loopt. Om de simpele reden dat we terug naar een mix evolueren. Zoals vroeger. In de jaren 60 bestond er geen arthouse! Een Franse of Duitse film draaide in een even grote zaal dan een Amerikaanse. Ik denk dat we daar opnieuw naartoe gaan. Of zouden moeten… Ik weet dat Europeanen niet dezelfde films kunnen maken als Amerikanen – met zo’n budget – maar spreken we over serieuze films die iets te vertellen hebben, dan gaan we terug naar een mix”. De ‘betere film’ i.p.v. ‘arthouse cinema’? Of ‘straffe cinema en sterke films’ zoals STUDIO LEUVEN in zijn publiciteit belooft? “We moeten misschien gewoon over auteurscinema spreken,” probeert Rastelli, “ik zou graag een goeie naam vinden. Zelfs commercieel/niet-commercieel klopt niet. Toen Amadeus uitkwam was dat de grootste commerciële film van het jaar maar voor mij blijft het een arthousefilm. Heylen wist destijds niet wat ermee aan te vangen! One Flew Over a Cuckoo’s Nest wilde niemand uitbrengen. Mijn vader moést hem hebben, daarna kreeg ie Oscars, en hoeveel maanden heeft hij niet in Leuven gedraaid?

Maar nu zou dat een commerciële film zijn omdat hij Amerikaans is?! Wat doe je met No Country For Old Men? Bij ons wordt die door de meest commerciële verdeler (UPI) uitgebracht maar het is een goeie film!”. Het ligt ingewikkeld, beseft Rastelli: “Je kan ook spreken over goeie en slechte films maar wie zal zeggen dat ‘wij alleen goeie films draaien’? Trouwens, ik vind niet dat arthouses alleen sterke films moèten draaien! Henk Cluytens doet de programmatie en wil in de sneak altijd goeie films tonen. Voor mij hoeft dat niet. Mijn persoonlijke keuze laat ik niet spreken; het moeten significante titels zijn. Als je alle sneaks zag moet je een mooi jaaroverzicht hebben. Of dat nu een slechte Britse of slechte Amerikaanse titel is, wanneer hij de moeite is, dan moeten we hem geven! Rob Van Eyck kwam zijn films ook voorstellen in de sneak. Iedereen kent hem maar niemand heeft z’n films gezien. Terecht maar goed, het is een fenomeen; ’t is een van de weinigen die zijn films aan iedereen verkocht krijgt”.

Vragen we Rastelli of arthouses het vertrouwen van hun publiek kwijtspeelden door te veel zwakke festivalfilms te tonen, dan reageert hij heftig: “Daarom zeg ik dat ik mijn twijfels heb bij arthouses! Na een tijd zet je jezelf muurvast. Als arthouse betekent dat je geen Amerikaanse films meer draait, dan ben je een dommerik. Alsof zij geen goeie dingen creëren! Een tijdlang is me verweten dat ik ‘grote Amerikanen’ draai. Uiteraard doe ik dat indien ze sterk zijn. Soms krijg je ongelooflijke vergissingen zoals The Hulk - van Ang Lee – waarvan ik stukjes zag en dacht dat het een actiefilm was met wat meer. Uiteindelijk was ie gewoon barslecht, maar het was wèl een Ang Lee. Bovendien speelde hij in een zomer waarin er niks anders uitkwam dus konden we ‘m draaien. Maar je toont dat niet omdat het The Hulk is, wèl omdat het Ang Lee is. Je kan je beperken door bijvoorbeeld Studio 100-films te weigeren.

Enerzijds kan ik daarmee leven, anderzijds zijn dat wel kinderen die de weg naar jouw cinema leren kennen. Plop is niet goed maar wie zijn wij om te zeggen dat kinderen dat niet okay mogen vinden? Intussen zien ze nog eens een trailer van een andere film… Je kan ze nu eenmaal niet naar de cinema lokken met een triestige Oost-Europeaan. Harry Potter is zes jaar aan de gang; zij die de eerste film op hun twaalfde zagen zijn nu achttien jaar. Dan kennen ze het toch al bij ons? Een bepaald soort cinema uitsluiten is niet slim. We proberen zo goed mogelijke cinema aan zo veel mogelijk mensen in de best mogelijke omstandigheden te presenteren. Daarbij moet je compromissen maken. Altijd ben je op zoek naar een gezonde mix. Iemand die naar 4 Months, 3 Weeks and 2 Days komt, wil mogelijk ook naar Atonement, een film die we misten. Zeggen dat ze ‘voor dit’ bij ons kunnen aankloppen en ‘voor dat’ elders moeten zijn, vind ik vreemd”.

Om de gepaste mix te bereiken programmeert Rastelli op langere termijn: “We plannen vooraf onze weekschema’s. Soms weigeren we films, soms zijn er parallels… Schitterende films zie ik graag hoor, maar wanneer ik ernaar kijk, denk ik: ‘Het publiek zal dat prima vinden maar hoe krijg ik ze binnen?’ Dát is het probleem. Soms zie je slechte films en denk je: ‘Hoe hou ik ze buiten?’”. Rastelli gelooft dat de verandering er automatisch komt: “Het arthousegegeven moet niet herbekeken worden, het zal zichzelf wel uitwijzen. Ik zie het in Gent gebeuren: de programmatie is al een beetje aan ’t veranderen. Je kan je nu eenmaal niet in een klein hokje opsluiten. Of je moet Flagey heten. En dan nog!”

Het cinemagevoel

Jan Rastelli mist kritische reflectie over film: “Wanneer ik voor het VAF (6) scenario’s lees, denk ik dikwijls dat ze pellicule op de bon moeten zetten: ‘Je krijgt dit jaar zoveel meter pellicule en dan stop je met draaien!’. Er wordt veel te veel miserie gemaakt. Geen trieste maar slechte films. Films die niet moeten worden gemaakt. Mensen zitten met een ei, dienen een script in, en snappen niet dat niet de hele wereld daarop zit te wachten. Zó maak je jouw publiek kapot. Ik las eens dat er in Duitsland op een jaar tijd 78 films werden gemaakt waarvan ze er amper twee in de bioscoop uitbrachten. Dat zegt genoeg”.

Indien arthouses zich niet in een getto opsluiten ziet Rastelli een toekomst: “Arthouse is een gegeven voor mensen die nog naar buiten willen komen. Je kan zeggen dat je actiefilms op groot scherm moet zien, met de nodige tamtam. Maar hoe langer hoe meer creëren de mensen dat gevoel ook bij hen thuis. Zij die naar arthousefilms gaan, willen volgens mij naar buiten komen en wensen het cinemagevoel. Dat is een belangrijk element”. Een voorbeeld: “We ondervinden dat kinderfilms het in de zalen in het stadscentrum in verhouding beter doen dan de grote mastodonten. Families met kinderen gaan veeleer naar een kleinere bioscoop dan naar de machines in de rand. Daarom zie ik ze blijven bestaan. Niet dat die grote cinema’s zullen verdwijnen hoor! Kinepolis zei vorig jaar dat ze zouden stoppen met megazalen neer te zetten; ze willen naar de provinciesteden trekken. Dat voorspelde ik zes jaar geleden al. Niemand geloofde me toen”.

Eindstation digitalisering

Over de digitalisering van filmprojectie die als een zwaard van Damocles boven de arthouses hangt, stelt Rastelli dat “het er zal komen, al is het de vraag wie dat zal betalen. Verdelers doen er hun voordeel mee omdat ze geen kopiekosten meer zullen moeten betalen. Wíj moeten de investering doen, en die is omzeggens niet te betalen. Nu zijn er modellen in de maak waardoor er toch een deel van de investering zou terugkomen. Simpel gezegd zouden de producenten het geld dat ze aan kopieën uitsparen in een pot storten, en als jij die kopie draait, kan je uit die pot eten. Zo krijg je je projector gefinancierd. Het voordeel: er kan veel meer uitkomen want er is geen kopiekost meer. Het nadeel: er kan veel meer uitkomen want er is geen kopiekost meer (lacht). Ik zou bijna zeggen: je zal nog meer ‘ellende’ kunnen draaien!”

Toch gaat het allerminst met reuzenschreden vooruit: “Al tien jaar staat het ‘volgend jaar’ te gebeuren; zal ik dat binnen een decennium nog lezen? Het duurt lang en de distributeurs zijn er niet mee bezig. Amerikanen zeggen het ene jaar dat ze meer digitaal uitbrengen, het jaar erop brengen ze dan niks digitaal uit. Het is een evolutie die niet zonder slag of stoot zal gebeuren. En dan moet je weten dat er voor elke digitale kopie nog een gewone kopie naast ligt voor mocht het verkeerd lopen. Alsof je een cd afspeelt en je er veiligheidshalve een elpee naast legt”.

Het effect van de digitalisering op het aanbod inschatten blijft koffiedik kijken: “Het ziet ernaar uit dat het aanbod groter zal worden want kopieën bijzetten zal makkelijker zijn. Veel kans dat het geen goeie dingen zijn want het beste komt nu al bovendrijven. Ook veel kans dat films nog korter zullen draaien als het aanbod vergroot. Sommigen beweren dan weer het tegendeel; zij zeggen dat het aanbod zal verkleinen omdat het voor complexen evidenter wordt om Pirates of the Carribean niet in vijf maar in tien zalen te spelen! En op de tweede verdieping Harry Potter. ’t Is een andere zienswijze. Op Europa Cinemas waren ze pakweg acht jaar geleden tegen de digitalisering gekant. Van het ene op het andere jaar kantelde dat.

Nu gaat het er de hele tijd over: hoe ermee om te gaan, hoe het te financieren”. Over de voordelen is Rastelli gereserveerd: “Er gaan stemmen op dat het ideaal is om bedrijfslui aan te trekken, maar dat komt dan uit de mond van iemand die in Parijs een cinema heeft in een zijstraat van de Champs Elysées én subsidies kreeg om zijn projector te betalen! Tja. Gezever want dat zelf betalen is niet haalbaar. En buitenlandse bedrijven zullen evenmin naar een klein Frans stadje afzakken. Niet het juiste discours dus… Digitale alternatieve content betekent dat je in je zaal opera of voetbal kan vertonen. Is het een meerwaarde om dat in de cinema te zien? Ik denk niet dat je zaal daarna meer waard zal zijn. Een pak minder, dát wel. Opera is er ook niet voor geschikt. En 3D komt er nu stilaan door, maar dat proberen ze al een halve eeuw. Om de zoveel tijd rakelen ze dat eens op. Het zijn stuk voor stuk dingen die mensen heel eventjes terug naar de cinema lokken”.

INTERVIEW LEUVEN – 24 JANUARI 2008

Geschreven door IVO DE KOCK & JULIE DECABOOTER

Interview met Jan Rastelli (I)

Media: