Interview met Jan Rastelli (II)

“De toekomst van film zal uitgevochten worden in de bioscoopzalen. Alle andere uitvindingen, zoals films op je gsm, zullen de ervaring van omringd door mensen naar film kijken, niet vervangen. De golven die door een zaal gaan, van achter naar voren of omgekeerd, met mensen die lachen of schrikken, dat is een ervaring die we niet mogen opgeven”. Andermaal aan het woord: Werner Herzog, een cineast die ondanks zijn pessimisme gelooft in de kracht van de (collectieve) kijkervaring. Het is een geloof dat arthouse-uitbaters delen. Of ze nu STUDIO LEUVEN runnen of CINEMA ZED. Maar zowel zelfstandige ondernemers als gesubsidieerde vertoners botsen op economische wetmatigheden en moeilijk te voorspellen toekomstperspectieven. Een kwestie van geld, mogelijkheden en ideeën waarbij samenwerking even moeilijk als noodzakelijk is.

De Lotto-winnaars
 Voor 2007 voorzag de Nationale Loterij een eenmalige, beperkte subsidie voor de arthouses. “Het zal rapper op zijn dan het binnen is,” stelt een nuchtere STUDIO-uitbater Jan Rastelli, “al kunnen we er de kosten mee betalen rond promotie. We zouden moeten kunnen draaien zonder subsidies maar dat vind ik van álles. Niettegenstaande ik filmscenario’s voor het VAF (1) lees, vind ik dat subsidies dienen om iets op te starten. Dan zou het op een of andere manier op eigen houtje moeten draaien. Zoniet, dan is er iets loos. Natuurlijk hoor je dat niemand nog naar de opera zou gaan mochten zij niet gesubsidieerd zijn. Ik denk echter niet dat de Berlijnse opera massa’s centen binnenrijft. De prijzen liggen er hoger, er zit meer volk én het publiek is jonger. Het werkt. Je kan er ook zonder veel trammelant vandaag een ticketje kopen voor vanavond. Heb je geluk, dan is het niet uitverkocht. Dat is hier onmogelijk”.

De Lotto-subsidie ziet Rastelli als een druppel op een hete plaat. “Enerzijds krijgen we subsidies, anderzijds betalen we in Leuven een stadstaks van 10 tot 12 procent. Een immens bedrag! Het is pervers dat je subsidies krijgt maar aan de stad méér moet teruggeven. Zij gebruiken het, tussen haakjes, dan nog deels om een concurrent/collega van ons – het STUK (2) – te financieren! Het STUK is gesubsidieerd; zij draaien Das Leben der Anderen en nog enkele films waar wij enkele weken eerder mee stopten. Ik heb daar niks op tegen maar ik vind dat CINEMA ZED verder moet gaan! Zij krijgen structurele subsidies en betalen die taks niet. Wij krijgen subsidies van Europa Cinemas om Europese films te draaien maar dat geld mogen we afgeven aan de stad. Waarom weet ik niet. Omdat er politie kan nodig zijn als er veel volk komt?! Het is geen voetbal! En daar worden er geen taksen gevraagd, integendeel, zij krijgen subsidies. In Leuven is het natuurlijk een manier om iets van de studenten terug te krijgen. Van hen krijgt de stad weinig centen, behalve wat ze opdoen én de kamertaks. Alle taksen op cafés zijn enkele jaren terug afgeschaft. Maar wij blijven betalen”.

Jan Rastelli weet dat promotie een zwak punt is voor arthouses en beschouwt subsidiëring als een middel om daar aan te verhelpen: “Het liefst zou ik zien dat de steun gaat naar ‘iets’ waardoor de mensen naar de cinema terugkomen. Opdat we zèlf geen steun nodig hebben. Het is niet dat ze het niet willen, niet weten of niet kunnen appreciëren; je kan je publiek opvoeden. We deden jaren niks anders! Je weigert een aantal films en na een tijdje vragen mensen niet meer naar zulke rommel. Het publiek leert open te staan. Beginnen bij de basis is de Franse benadering. De Britten zeggen het omgekeerde: start met een Walt Disney en toon daarna een wat moeilijkere film. Een dergelijke aanpak is volgens mij efficiënter omdat je niemand afschrikt. Een paar haken dan wel af maar als je al begint met weet-ik-wat-voor-een-triestige-kinderfilm…”.

Samenwerking tussen arthouses
‘Samen sterk’ is niet meteen een concept waar het arthousecircuit van doordrongen is. Of was. Dankzij het Lotto-dossier staat samenwerking inmiddels op de agenda: “Het feit dat we voor het geld van de Loterij moéten samenspannen is het belangrijkst. Ofwel werken we samen aan dat dossier en komt er iets, ofwel werken we niet samen en komt er niks. Dat is eigen aan arthouseuitbaters: het zijn persoonlijkheden. Ik moet er geen tekening bij maken; het zijn heel andere mensen. Op dezelfde lijn komen én iedereen zijn ding laten doen wordt aartsmoeilijk, maar we moeten. We voerden eens een kaart in waardoor je voor 15 euro elke dag een film kan zien aan het maandagtarief. Dat is anderhalve euro goedkoper. Mensen die tienmaal per jaar naar de cinema komen doen er profijt aan. Het werkt niet goed maar het is wèl interessant. Ik begon ermee en Eric Kloeck (van het Antwerpse CARTOON’S) deed mee. Hij heeft er evenmin veel verkocht. Het was ook maar een aanzet. Waar we eveneens werk van moeten maken zijn geschenkbonnen. De mijne zijn in alle STUDIO’S geldig. Als we dat zouden kunnen uitbreiden tot heel Vlaanderen… We zitten regelmatig aan tafel maar iedereen heeft zo zijn eigen zinnetje. Bon, anders zou arthousecinema niet eens bestaan”.

Nood aan optimisme
‘Hoe maak je arthousecinema terug sexy?’ is de hamvraag voor arthouses. En, daarmee verbonden: maakten ze eigenhandig hun publiek kapot, zoals Eric Kloeck in FM 582 beweert? “Eric kent zijn publiek goed en weet ontzettend veel van film af,” repliceert Rastelli, “maar hij bekijkt het te zwart. Soms terecht maar je kan niet zwart blijven kijken. Je moet hoopvol naar de toekomst zien. Soms is het verleidelijk… Waarom zou je nog een cinema uitbaten? Voor de schone ogen van de verdelers? We zeggen altijd tegen elkaar: ‘Als we morgen niet meer in de cinema werken zetten we er tien jaar geen voet meer binnen’. Ik ben nog altijd zot van film maar eens ik de deur dichttrek, zou het kunnen dat ik nooit van mijn leven nog een film wil zien”.

“Wij leven van het commerciële aspect van cinema,” vervolgt Rastelli, “je komt soms van een festival terug waar je héél veel goeie films zag, maar geen enkele waar er ooit een mens heen zal gaan. Of je trekt naar het congres van Europa Cinemas en merkt dat heel Europa subsidies krijgt, behalve in… België! In Nederland draaien ze in een achtzalencomplex van de stad wat ze willen! En dan komen die lui verhalen afsteken hoeveel volk ze hebben – hoor je hoe groot de stad is, dan lijkt het opeens weinig. Een collega deelt dan terloops mee dat die man een jaarlijks tekort heeft van een miljoen euro, dat wordt bijgepast. Dan hebben wij gedaan met zingen… Van zulke congressen keer je depressief terug. En dan ga je naar het onnozele CinExpo van Amerikaanse cinema waar je de hele tijd popcorn en cola krijgt. Daar is het altijd de goed-nieuws-show: ‘Dit jaar hebben we de grootste productie ooit’. Dan keer je goedgezind huiswaarts en denk je dat de cinema nooit kapot kan!”

Maar wat met die eigen rol in het verhaal? “Stellen dat wij ons publiek verwoestten is overdreven,” zegt Jan Rastelli, “maar mijn grootste frustratie blijft dat je niks maakt. We zijn slechts een doorgeefluik, gèèn bakker die een goed of slecht brood maakt zodat mensen kunnen kiezen”. Wat die filmbakker betreft, gelooft ook Rastelli dat er zelfbeschadiging is gebeurd: “Zo heeft de Franse cinema haar publiek in Vlaanderen weggejaagd door jarenlang alleen slechte films te maken en ze toch in België uit te brengen. Vroeger draaiden Franse films als zot, weken en weken en weken: Le dernier métro, Le vieux Fusil, Les valseuses… De jongste jaren was Le fabuleux destin d’Amélie Poulain nog eens zo’n film. Het is geen cadeau hoor; sommige films waren niét uit te brengen.

Je kan kijkers eenmaal in het zak zetten, of tweemaal, maar de vijfde keer zeggen ze ‘laat uit’. Ook de neiging dat arthousefilms niet plezant mogen zijn en het zwaar op de hand moet… Tja. Niet alles moet lichtverteerbaar zijn en platte komedies hoeven niet, maar na een film zoals 4 Months, 3 Weeks and 2 Days – sterk maar absoluut niet plezant – zeg je niet ‘volgende week nog zo eentje’. Op die manier hebben we misschien ons publiek kapotgemaakt. We brachten ook te veel uit. Enfin, de verdelers brengen te veel uit en wij draaien maar. Met de gedachte dat als we het niet doen, we de volgende film misschien niet krijgen”.

Herdenken van de programmatie
Welke films slaan aan, welke niet? “Daar is geen magische formule voor” vond vader en STUDIO-pionier Jos Rastelli, “het ligt voor de hand dat je niet alles kan geven; je bent voor een stuk afhankelijk van de verdeelhuizen, er zijn contracten, enz” (3). Succesgaranties bestonden er niet wist de pionier; feeling en toeschouwers in de gaten houden tijdens filmfestivals waren zijn geheimen. “Wie naar een film gaat, moet tevreden buitenkomen redeneer ik altijd. Als ik dat kan bereiken, ben ik tevreden” (3). Zoon Jan Rastelli ervaart dagelijks dat de zaken er niet eenvoudiger op werden: “De voorstellingen van 20u en 22u zitten de komende weken, en zelfs maanden, vol. Als een verdeler voor een kleine film, of zelfs voor een grote, 20u en 22u vraagt, tja, dan gaat dat niet. Wij kunnen maar vier films spelen! Sommigen zou je beter anders starten; je zal hem veel langer kunnen draaien. Mochten de verdelers je laten doen… Dan zal de film de eerste week misschien minder opbrengen, hij zal wèl langer meegaan.

Draai je om 20u film A en om 22u film B, dan heb je meer volk dan wanneer je tweemaal hetzelfde draait. Je jaaromzet zal beter zijn en daar is de verdeler mee gebaat. Heb jij meer volk, dan hebben zij meer volk. Maar zo’n langetermijnvisie hebben ze niet. Dat komt omdat ze de eerste weken moeten rapporteren aan hun producenten. Dus eisen ze meer vertoningen. Het gaat niet over meer omzet maar over meer marktaandeel! Wanneer ze een scherm afpakken van een ander dan heeft de ander minder. Alsof we met drie taart eten; jouw stuk is groter dan dat van mij, dus snij ik een stuk van jouw taart af en smijt het weg want ík hoef het niet. Tja, uiteindelijk is er minder taart gegeten hé? Zo simpel is de redenering”.

Net zoals in Gent, Brugge en Antwerpen draaien ook in Leuven alleen de 20u-voorstellingen nog goed. Jan Rastelli: “De 22u-vertoning is compleet om zeep. Tot over drie jaar hadden wij nog 24u-vertoningen – in de jaren 70 zijn we daarmee begonnen. Mijn vader zei destijds ‘we zullen het proberen om 24u; zit er vijftig man dan doen we door’. Er zat 150 man! Dat heeft lang aangehouden. Tot halfweg de jaren 90 was 22u onze beste vertoning – om 22u hadden we 40 procent van het publiek van een hele dag, om 20u was dat 30 procent, en de andere 30 procent kwam ’s middags en ’s nachts. Om middernacht kon je toffe dingen doen; een tijdlang draaiden wij alleen maar muziekfilms of films waar je de muziek hard kon zetten. Of je plaatste films in hun vijfde week. Er waren zelfs films die alleen om 24u startten!

Stel je voor… Nu is er om 22u niemand meer. Rij de stad rond – om 2u ’s nachts kon je vijftien jaar terug geen café meer binnen. Nu zijn ze potdicht! Dat heeft een beetje te maken met de gespreide examens, maar veel meer met het web. Studenten gaan naar huis om er op msn te gaan. Iedereen heeft gratis internet, downloadt films, tv-series, etc. En wat een grote hap neemt uit het budget van jongeren is de gsm. Gsm en spelletjes zouden 85 procent van hun budget uitmaken. Hoor ik studenten bezig, dan is hun rekening hoger dan de mijne! 100 euro per maand; dan is het rap gedaan hé? Het samengaan van dat alles is voor ons nefast. Of het maatschappelijk slecht is, weet ik niet. Het is wel raar”.

Het publiek en de concurrentie
Er komt minder volk naar de arthouses en hun kijkgedrag is anders, dat bewijzen de dalende cijfers en het minder goed ‘marcheren’ van bepaalde vertoningsuren. Maar ook het publiek is veranderd. “We zien meer oudere mensen dan vroeger,” stelt Jan Rastelli vast, “waarschijnlijk omdat ze vroeger gepensioneerd zijn, meer centen hebben en mobieler worden. Het grote gat is de categorie tussen 25 en 45-50 jaar. Overigens varieert de leeftijd tussen het publiek in de week, studenten, en in het weekend, hoofdzakelijk burgers. Onder de 15-16 jaar hebben we weinig volk want voor hen is er geen product. Met kinderfilms trekken we wèl gezinnen aan omdat ze weten dat het bij ons kleiner en minder druk is dan in de complexen. Ouders raken hun kroost minder rap kwijt en kunnen minder snoep kopen (lacht). Het merendeel van de studenten gaat naar commerciële toestanden. Leuven heeft overigens een bizarre bevolkingspiramide; hoger opgeleiden blijven na hun studies hangen, trouwen of gaan samenwonen. Eens ze kinderen krijgen komen ze niet meer. Dan verhuizen ze ook dikwijls. STUDIO heeft een vast publiek; ik weet niet of dat een goed teken is. Het wil zeggen dat je ze kent. Ik zou liever zoveel volk hebben dat ik ze niet kán kennen. Heb je één klant, dan ken je hem. Als je er tien hebt ook. Heb je er honderd, dan wordt het moeilijker”.

Een arthouse is geen eiland en ook STUDIO heeft met concurrentie af te rekenen. Rastelli: “Kinepolis is concurrentie hoor! Of het Kinepolis of CINEMA ZED of een toneelzaal betreft: gaan er mensen heen, dan zitten ze niet bij ons. Een tijdlang zaten we in een luxepositie: we waren alleen. Dat is zó plezant. Brugge maakte dat ook mee want zij waren voor de komst van Kinepolis omzeggens de enige. Je draait wat je wil en je publiek is zeer dankbaar. Je voedt hen op. Dat loopt een tijdje door want toen Superclub opende was er nog geen probleem. Maar na een tijdje vergeten mensen dat je er nog bent: ‘Tiens, ik zit al zolang in Leuven en daar is er ook nog een cinema!’.

Kinepolis blijkt heel zware concurrentie. “The Kite Runner draait bij ons én bij hen, dus ben ik minstens de helft van mijn publiek kwijt,” zegt Rastelli, “toen Superclub er begin jaren 90 kwam, vlakbij het station, lag dat niet goed want de stationsbuurt was niet tof. Intussen is die opgewaardeerd. Ze hebben trouwens zeven zalen. Wil ik morgen een computer kopen en weet ik niet dewelke, dan ga ik ook naar een winkel waar ze zeven merken hebben i.p.v. vier. Wens ik een Sony, dan ga ik naar een Sony-winkel… We proberen overlappingen te vermijden maar ik wil de kwaliteit bewaren. Is er een goeie film dan wil ik hem. Kinderfilms spelen we sowieso; die gasten blijf ik bedienen en daar storen parallellen me niet. Soms weiger ik een film omdat hij in Kinepolis draait, b.v. Sweeney Todd. Ik zie er een publiek voor, al is dat veeleer een arthousepubliek. Maar Kinepolis neemt hem, misleid door de acteur Johnny Depp”.

Een gevoeliger punt voor Rastelli is de ‘niet-commerciële’ Leuvense concurrentie: “Met ZED werken we terug samen wanneer ze een grote zaal nodig hebben voor hun documentairefestival Docville. Vroeger stelden wij regelmatig een grote zaal ter beschikking van het STUK, voor ondermeer retrospectieves. Ze deden fantastische dingen. Nu hebben ze een zaal met dagelijks twee vertoningen. Concurrentie is het niet; films die wij niet kunnen draaien geven we meteen aan ZED. Maar als cultureel centrum voor studenten programmeren ze niet scherp genoeg; 85 procent van hun films draaiden het jaar voordien in het Leuvense commerciële circuit! Daar dient een cultureel centrum toch niet voor? Zij moeten iets brengen dat commercieel onhaalbaar is. Anderzijds doen ze ook toffe dingen. Maar wanneer de mensen daar zijn, zitten ze niet bij ons, hé? Ik ben ook geneigd om dat van cafés te zeggen, al gaat ‘café en cinema’ al wat meer samen”.

INTERVIEW LEUVEN – 24 JANUARI 2008
INTERVIEW BRUSSEL – 12 MAART 2008
 

Geschreven door IVO DE KOCK & JULIE DECABOOTER

Interview met Jan Rastelli (II)

Media: