Interview: Michael De Cock over Rosie en Moussa

Michael De Cock is van vele markten thuis. Naast artistiek directeur van KVS, acteur, theaterregisseur en romanschrijver, schrijft hij ook scenario’s voor de scène en het scherm. Hij kon al die talenten botvieren op een uit de hand gelopen column voor het Brusselse weekblad BRUZZ, over de avonturen van twee buurkinderen in een Molenbeeks appartementsblok. De columns werden jeugdboeken, de jeugdboeken werden theatervoorstellingen, en nu is het tijd voor ROSIE & MOUSSA: de film.

Ook Michael De Cocks eerste filmscenario kwam voort uit een ander project: Achter de wolken was een theaterstuk geschreven voor de rollen van Jo de Meyere en Chris Lomme, die dezelfde personages in de film van Cecilia Verheyden zouden vertolken. Nu is het aan het jonge volk: in Dorothée Van Den Berghes derde speelfilm (na Meisje en My Queen Karo) volgen we de avonturen van twee jonge tieners die Molenbeek verkennen. De man van de tekst vertelt over zijn samenwerking met Dorothée Van Den Berghe, wat de film deed met zijn personages en over de kracht van een sterk scenario.

Waar kwam het idee om Rosie & Moussa te verfilmen vandaan?

Michael De Cock Ik ben zelfstandig begonnen aan het scenario, wat eigenlijk niet mijn gewoonte is, omdat ik voelde dat er een film in zat. De verhalen van Rosie en Moussa zijn in feite heel filmisch. Anders dan bij Achter de wolken, waar de vraag voor de verfilming van de producent kwam, had ik in eerste instantie geen scripteditor, laat staan een producent. Toen kwam er een oproep van het VAF om een script in te dienen voor een familiefilm. Mijn script werd geselecteerd voor Cinekid Script LAB, een internationale schrijfworkshop. Samen met een ploeg van scripteditors werkte ik daar aan drie versies van mijn scenario, een week in Amsterdam en een week in Berlijn. De feedback die ze me gaven was goud waard.

Heb je op die manier nog gewerkt?
Nee. Het was soms keihard, maar daar moet je tegen kunnen. In elke kunstdiscipline, maar zeker in film. Als het echt iemands job is om een scenario uit te vlooien, en je praat de hele dag met die persoon daarover, dan is dat wel eye opening.

Hoe ben je uiteindelijk bij Dorothée Van Den Berghe terecht gekomen?
Op een bepaald moment dacht ik dat het project niet van de grond zou komen, tot Judith (Vanistendael, illustratrice van de boeken en de film) Dorothée tegenkwam aan de schoolpoort en haar vertelde dat we bezig waren met een scenario. Dorothée heeft mij toen gebeld, waarna ik haar films heb bekeken en dan zijn we samen naar CAVIAR (producent, nvdr) gegaan. Zo simpel was dat.

De film begint met Rosie die naar een appartementenblok verhuist met heel kleurrijke personages. Symboliseert dat gebouw het leven in de stad?
Ja, je kan het appartementsgebouw zien als een pars pro toto voor de stad. Je hebt heel verschillende wijken in de stad, rijke en minder rijke zoals Molenbeek, en het is een smeltkroes van culturen. Dat zie je duidelijk terugkomen in de film.

Denk je dat kinderen dat ook zo zullen zien? Of is het eerder een laag voor de volwassen kijker?
Wat ze niet bewust zien, zullen ze wel voelen. Ik snap die vraag: als je films of theater maakt, dan kijk je anders naar de structuur van een film dan als je onbevangen kijkt. Maar dat wil niet zeggen dat je niet voelt wat er bedoeld wordt. Dat is namelijk precies de bedoeling van het geraamte.

Waarom viel de keuze voor Molenbeek?
In mijn hoofd, toen ik het ooit schreef, was er een verhuis van de ene wijk naar de andere. Dat had ook van Schaarbeek naar Sint-Gillis kunnen zijn. "De stad is de wereld", zoals Eric Corijn zegt. Voor Rosie voelt het als de andere kant van de wereld, omdat ze alles achterlaat.

Rosie is best moeilijk te doorgronden. Hoe zou jij haar omschrijven?
Dat heeft te maken met de manier waarop Dorothée filmt. Je kan een film regisseren - misschien is dat een vrouwelijkere manier - vanuit een meer registrerende positie, vanuit een bijna psychologische visie van karakters en mysterie. Vandaar dat ik Rosie het mooist vind als ze registreert, als ze kijkt, als ze dingen ziet. De film is een coming-of-ageverhaal, waarin Rosie voor het eerst een grote shock meemaakt. Ze komt uit een relatief beschermde omgeving, beschermd in de zin dat haar moeder haar afschermt. Een kind van twee ouders, een vrolijk kind zeg maar, dat plots een wake-upcall krijgt omdat ze verhuist en haar vader verdwijnt.

Dat Rosie ervoor vrolijker en naïever was, komt niet naar voor in de film.
Weinig, impliciet. Het is eerder de backstory. Ze komt aan op een andere plek waar ze Moussa leert kennen. Hij is de Crocodile Dundee die haar meeneemt in de stad, haar de weg wijst. Er is ooit een analyse verschenen in Diggit magazine over de boeken. Het was bijna een psychoanalyse van mij, want Rosie en Moussa zijn natuurlijk op een of andere manier afsplitsingen van mezelf. Over Rosie zeiden ze dat zij de rationele is, het meer ernstige figuur en Moussa de vrolijke, de flapuit, de emotionele. Om eerlijk te zijn vind ik het moeilijk om het personage van Rosie te omschrijven. Ik kan geen psychologische profielen geven van mensen in drie zinnen, want ik geloof helemaal niet in het te hard psychologiseren van karakters.

Het is dus ook niet vanuit die positie geschreven?
Nee, absoluut niet. Tijdens mijn Romaanse studies vroeger heb ik de nouveau roman bestudeerd, een Franse literatuurstroming waarin de psychologie van de personages zijn weglaten. Dat zit ook in cinema, bijvoorbeeld in de stroming van het neorealisme, waarin de personages enkel geregistreerd worden, niet meer. Vaak vind ik de meest interessante cinema die waarbij er mysterie is over wat omgaat in de hoofden van de personages.

Dan denk ik dat jij en Dorothée daarin wel overeenkomen?
Ja, heel erg. Ik heb in het begin wel discussies gehad met Dorothée en met de producent over: ‘Hoe nuchter is die vader als hij vertrekt of niet? Gaan ze dat aanvaarden of niet?’. Maar ik vind het perfect legitiem dat een vader zijn kind achterlaat. Daarmee bedoel ik dat zo’n dingen nu eenmaal gebeuren. Je moet het voor de film kunnen vertalen naar een manier waarop de kijker begrijpt waarom hij die keuze maakt, of het nu de keuze is om te blijven of niet. Dat is voor mij de bedoeling: dat je het onbegrijpbare emotioneel begrijpt. Bovendien denk ik dat goede scenario’s niet alles uitleggen. Ook hier hebben we besloten sommige dingen in het midden te laten, zodat de kijker er zelf over kan nadenken.

Had je inspraak in de visuele manier van vertellen in de film?
Dat heb ik aan Dorothée overgelaten. Ik merk, dat was ook zo met Cecilia Verheyden bij Achter de wolken, dat regisseurs vaak arena's aanreiken die niet in mij waren opgekomen. Wat ik er wel in wou, is de omslag van een grijs naar een kleurrijk Molenbeek. In de boeken zie je in de tekeningen van Judith dat het niet goed gaat met Rosies moeder: je ziet het in haar gezicht, in haar lege appartement. Wanneer er een nieuwe man komt in haar leven fleurt ze op. Dat soort dingen kan je heel subtiel in beelden vertellen. In die zin heeft eerst Judith en nadien Dorothée impact gehad op het verhaal en de manier waarop het verteld wordt.

Kan je wat meer vertellen over het toneelstuk dat Rosie en Moussa opvoeren?
In het boek en ook in de film spelen ze Erik en het insectenboek van Godfried Bomans, maar omdat Rosie de hoofdrol speelt is Erik veranderd in Erika. Ik hou ervan als er in een boek of film een verwijzing zit naar een old time classic van de literatuur. Erika valt in een schilderij en ontdekt daar een hele nieuwe wereld.

Een verwijzing naar de nieuwe wereld waarin Rosie zelf terecht komt wanneer ze verhuist?
Zeker! En in het boek schrijft Erik na zijn avontuur een opstel. De meester leest het, geeft hem een 0 op 10 en zegt: ‘Wat een onzin!’’ In die zin gaat het boek en de film voor mij over verbeelding, maar ook over het toegeven van verliefdheid. Een heel mooie scène met Titus (De Voogdt, die Rosies vader speelt, nvdr), die ik overigens fantastisch vind in de film, is die waarin Rosie in de spoorwegberm zegt dat je verliefdheid niet kan zien. Waarop hij zegt: ”Jawel, dat kan je wel zien. Dat zie je aan alles!” In een andere scène, wanneer ze het toneelstuk repeteren, zegt de schooljuf tegen Moussa dat hij een verliefde rups moet spelen en Moussa reageert daarop: ”Hoe kan ik nu weten hoe een rups zich voelt?“ Later zegt mevrouw Hemelrijk: “Je moet niet weten hoe een rups zich voelt, maar hoe jij je voelt.” Dat is trouwens de essentie van acteren: je moet proberen op te roepen wat jij zelf zou voelen, het gaat veel minder om het personage.

Maar hoe gaat het nadat die rups verliefd is?
Hoe dat in mijn hoofd gegaan is weet ik niet meer, maar ik wou geen liefdesverhaal schrijven voor Rosie en Moussa. Wat er wel mooi aan is, net zoals bij Achter de wolken: je hebt een liefdesverhaal op het niveau van de ouders en dat vertaalt zich ook op het niveau van de kinderen. Daarom ook dat als Rosie het liefdesbriefje krijgt van Moussa zij die weglegt: het ongeloof in de liefde bij haar ouders vertaalt zich in het feit dat zij er zelf ook niet meer in gelooft. Moussa schrijft – wat ik trouwens een fantastische liefdesverklaring vind, maar ook een hele laffe, een die ook zou gedaan hebben vroeger: ”Ik ben op jou, als jij ook op mij bent, dan weet ik het wel zeker.” Rosie doet niets met dat briefje en wijst Moussa zelfs af. Ze moet eerst terug ontdekken dat er een andere vorm van liefde is, dat haar ouders haar graag kunnen zien buiten het klassieke gezinspatroon.

Eind goed, al goed. Het resultaat is een heel erg mooie jeugdfilm. Is dit het eindpunt van het verhaal van Rosie en Moussa?
Ik denk het wel. Judith en ik hebben altijd gezegd dat dit het eindpunt is. Maar pas op, ik dacht dat ook al na het schrijven van de boeken, en kijk waar we nu staan …

7 maart 2018, Brussel

Rosie & Moussa loopt momenteel in de zalen.

Foto boven: Copyright Danny Willems

Geschreven door KAAT MONSIEUR & CHARLOTTE TIMMERMANS

Interview: Michael De Cock over Rosie en Moussa

Scenario: 
Muziek: 
Genre: 

Media: 

onomatopee