Interview: Pierre Duculot van Wallonie Image Production (WIP)

Na interviews met productiehuizen Dérives en Cobra Films en Camera-etc zet Cinergie zijn bezoeken voort aan de ateliers in de Franse Gemeenschap. Het WIP is een eerstelijnsatelier, een veelsoortig dienstenbedrijf dat zich aanpast aan de evolutie van de documentaire productie, en de onafhankelijke productie in de brede zin van het woord ondersteunt. Ze helpen op het vlak van ontwikkeling, productie en afwerking, zowel materieel als financieel.

CINÉRGIE: Wat is de huidige filosofie van het WIP?

PIERRE DUCULOT: Dezelfde filosofie als altijd: het WIP helpt documentaristen die films willen maken in een context die niet evident is. Hebben ze geld nodig, materiaal of een externe blik op hun werk? Of hulp bij ontwikkeling en distributie? Op al die vragen trachten we antwoorden te bieden. We werken met een raad van bestuur. Die komt driemaal per jaar samen en evalueert dossiers voor mogelijke steun aangaande locaties, productie en afwerking. We krijgen massa’s dossiers. Als secretaris-generaal doe ik een eerste schifting en vervolgens stel ik een tiental dossiers voor aan het bestuurscomité.

Naast die selectie kunnen we ook specifieke, kleinschalige steun verlenen op materieel vlak.  Stel dat iemand komt aanzetten met vier uur rushes, dan kan hij een week lang aan onze montagetafel werken om te kijken of hij zijn beeldmateriaal in een bepaalde vorm kan gieten. Of als iemand een bepaald onderwerp heel snel moet filmen, dan kunnen wij hem of haar een camera lenen. Het is echt een wendbare structuur die evolueert met de tijd, op die manier ondersteunen we projecten die anders weinig slaagkans zouden hebben. Het gaat vooral om debuutfilms of films zonder veel middelen. Maar het kan ook gaan om cineasten die een langetermijnproject willen opstarten, of mensen die hun carrière een andere wending geven. Neem nu Thierry Michel, die zijn films over Congo zonder problemen heeft gefinancierd. Als hij naar me toekomt met de vraag: "Ik zou graag een jaar lang filmen in een Luikse gemeenteschool om te zien wat ervan geworden is", dan is dat een ‘klein’ project waar we logischerwijs in meegaan (Les enfants du Hasard, nvdr). Anderzijds trachten we trouw te blijven aan een handvol auteurs die we soms al tien of vijftien jaar steunen. We willen hen helpen om het stadium te bereiken dat ze ons niet meer nodig hebben.

Afbeeldingsresultaat voor les enfants du hasard Still uit Les enfants du Hasard (Thierry Michel & Pascal Colson, 2017), coproductie WIP

Wat is jouw taak binnen het atelier?

P. DUCULOT: We zijn een vzw, dus in theorie worden we beheerd door de professionelen die deel uitmaken van het bestuurscomité. Dat doen ze trouwens op vrijwillige basis en zonder presentiegeld. Er is een permanent team, want een en ander moet ook worden opgevolgd. De secretaris-generaal coördineert en bereidt vooral het werk voor van het bestuurscomité wat de keuze van de dossiers betreft.

Concreet bestaat mijn werk erin dat ik de mensen ontvang die een project indienen, ongeacht hoe ver ze al staan. Ik bespreek het met hen, geef een eerste advies en leg dat voor aan de raad van bestuur. Als een project goedgekeurd is, verzeker ik de opvolging en bekijk met hen de diverse montagefasen. We zijn een ondersteunende structuur met een welwillend karakter, ik ben geen coproducent die kan zeggen: ‘Sorry, maar je project moet helemaal anders. Doe de hele montage maar over!’ Het is mijn taak hen zo goed mogelijk te adviseren.

Ik ben ook verantwoordelijk voor een team met een verkoper en een halftijdse kracht die zich alleen met filmfestivals bezighouden. Je moet weten dat de films van het WIP vorig jaar werden ingestuurd voor meer dan zevenhonderd festivals, met 120 selecties en een dertigtal bekroningen. Het kan gek lijken, maar de hele opvolging daarvan, het verzenden van de kopieën, met de juiste ondertitels, documenten voor de catalogi enzovoort, daar is één persoon helemaal zoet mee.

Er is ook iemand die zich bezighoudt met sociale media, de webstek, de Facebookpagina, postorderverkoop, de films op websites plaatsen, maar ook marktonderzoek naar verenigingen toe via het internet. We hebben bijvoorbeeld een film over oude graansoorten en het terugkeren naar een gezonde voeding. Die persoon gaat dus samen met stagiaires op zoek naar verenigingen die mogelijk interesse hebben voor een dergelijke film, om hem te vertonen met een debat in aanwezigheid van de regisseur, om dvd’s te verkopen, om winkels te vinden waar de dvd’s kunnen worden verkocht, of bibliotheken en documentatiecentra om de film in bewaring te geven. Je kunt daar heel moeilijk toeschouwersaantallen op plakken, maar het mag wel duidelijk zijn dat die documentaires duizenden keren zullen worden bekeken zodra ze in een of ander circuit terechtkomen. Ik vind dat essentieel, zo komen die films echt tot leven. We staan soms versteld als iemand met een vraag aankomt: ‘Vijftien jaar geleden heeft een leraar me die film laten zien, nu ben ik vormingswerker en ik zou graag de dvd hebben om hem zelf te vertonen.’ Het is werk op zeer lange termijn.

Afbeeldingsresultaat voor terre abandonnée Still uit La terre abandonée (Gilles Laurent, 2015), coproductie WIP

C.: Hoe verzoen je het artistieke met de marktrealiteit van de sector?

P. DUCULOT: Met dat probleem worstelt de hele filmsector. Het is een kunst, maar ook een industrie. Dat is een evidentie die zeker niet nieuw is. We willen mensen met een aparte, maar doordachte aanpak in staat stellen om een heel marginaal soort cinema te bedrijven. Figuren als Olivier Smolders en Xavier Christiaens bereiken een internationaal publiek, maar via extreem specifieke netwerken. Maar op een bepaald ogenblik heb we hier ook behoefte aan films met een bereik. Elk jaar moet ik rekenschap afleggen aan de subsidiërende overheden: "Kijk maar, we hebben films gemaakt die in de prijzen zijn gevallen, een publiek hebben gevonden en aan televisiezenders zijn verkocht." We streven soms dus ook naar toegankelijker documentaires, met onderwerpen die inslaan en toch de moeite lonen. Ik denk bijvoorbeeld aan A Leak in Paradise van David Leloup. Met zijn focus op een specifiek personage hanteert hij echt een documentaire aanpak. Maar zijn film is veel journalistieker van insteek en sluit aan bij wat je op televisie ziet, wat in de Angelsaksische wereld current affairs heet, dus actuele, al dan niet controversiële onderwerpen. De documentaire gaat over een Zwitserse bankier die de kwalijke praktijken van zijn bank toelicht – een onderwerp dat perfect de tijdsgeest weergeeft, en zoiets werkt. We moeten telkens weer een evenwicht vinden, ik heb geen andere keuze. De richtlijn is niet: ‘Oké, voortaan spelen we het scherp en selecteren alleen nog specialistische auteursprojecten waarmee we unieke talenten op de voorgrond kunnen plaatsen.’ In de eerste plaats omdat we in Wallonië, een klein Franstalig land met vier miljoen inwoners, geen bloeiende experimentele stroming hebben, en bovendien is de rest ook boeiend. Ik wil niet schofferen, maar ik heb liever een goede reportage dan een slechte artistieke documentaire.

Afbeeldingsresultaat voor A Leak in Paradise David Leloup Still uit A Leak in Paradise (David Leloup, 2015), coproductie WIP

Wat is er in de twintig jaar dat je bij het WIP werkt veranderd?

P. DUCULOT: Ten eerste, en dat is geen goed nieuws, verdwijnt de artistieke documentaire op internationaal vlak helemaal uit beeld, terwijl die toch jarenlang het handelsmerk van de Belgische film was. Twintig jaar geleden verkochten we onze films stelselmatig aan de Finse, Franse en Duitse televisie! Nu hebben we al jaren niets meer verkocht aan FR3. Als je kijkt naar het redactionele beleid van televisiezenders, dan stel je vast dat ze, op heel mainstream dingen na, alleen nog nationale producties aankopen. Er is een verspreidingsprobleem, ongeacht de kwaliteit van de films, want die is zelfs verbeterd. 

Een andere negatieve evolutie is het financieringsprobleem. Wie vandaag in België voor de documentaire kiest, die heeft zijn voornaamste werkgever verloren, namelijk de RTBF. De grote documentaristen van de jaren tachtig en negentig waren toch heel vaak in loondienst bij de RTBF, of ze kregen geregeld opdrachten van hen, dus ze konden ervan leven. Figuren als Benoît Bonmariage, Thierry Michel en André Dartevelle kenden zo een soort regelmaat. Tegenwoordig komen er bij mij geen cineasten onder de veertig langs die beweren: "Oké, ik kom goed rond!" Ze draaien een film en betalen zichzelf een hongerloon, dat duurt zo een tijdje en daarna worden ze weer werkloos, in afwachting van de volgende film. Een aantal cineasten geeft her en der les of opleidingen, of ze oefenen nog heel andere beroepen uit.

Ik zou graag tegen cineasten zeggen: "Hier kunnen we je begeleiden, zodat je elk jaar een film kunt draaien, met een klein loon erbovenop." Maar daarvoor ontbreken ons nu de middelen. Dat is gewoonweg niet haalbaar in de Belgische context en met de financiële ruimte die de Franse Gemeenschap voor documentaires kan vrijmaken. En al evenmin met de RTBF-investering in documentaires, die nochtans een model is voor de rest van Europa.

Al die materiële voorwaarden hebben een invloed op de vorm. Er zijn tegenwoordig weinig documentaire cineasten die denken: "Dit is mijn wereld en zo ga ik het aanpakken." Ze denken eerder: "Ik moet iets maken dat zal gezien worden, met een onderwerp dat de mensen aanspreekt, dat kans maakt om op televisie te worden vertoond, anders kan ik het daarna wel vergeten." Het is altijd een kwetsbare sector geweest! Ze zeggen dat de studenten die nu van school komen nergens aan de bak komen, maar ze vergeten dat het in de jaren tachtig, op de RTBF na, eigenlijk een woestenij was. Dankzij Wallimage en Taxshelter zijn er tegenwoordig veel meer middelen voor de filmsector, maar er zijn ook veel meer mensen die films willen maken, en gelijk hebben ze. In de fictiefilm is het trouwens hetzelfde liedje. Al die mensen die ’s avonds in smoking en avondjapon de Magritte-ceremonie bijwoonden ... Wel, behalve institutionele figuren zoals ik stonden die ’s anderendaags allemaal aan te schuiven bij het bureau voor werkzoekenden om hun papieren in orde te brengen.

Afbeeldingsresultaat voor LE MINISTRE DES POUBELLES Still uit Le ministre des poubelles (Quentin Noirfalisse, 2017), coproductie WIP

Wat brengt de toekomst?

P. DUCULOT: Volgens mij is de atelierstructuur onmisbaar en kan ze wereldwijd dienen als model. Aangezien het aantal would-beregisseurs blijft stijgen, hebben de ateliers een toekomst. De grote trend is dat we projectontwikkeling zouden moeten ondersteunen, maar zelf geloof ik daar niet in. Ik denk dat cineasten worden gedreven door een urgentie, een drang. Op een bepaald ogenblik is een onderwerp hot. Als je de regisseur drie jaar geeft om het te ontwikkelen, voor vijftig commissies te verschijnen, vijfentwintig coproducenten te zoeken en daarna telkens het scenario te herschrijven, dan help je die drang om zeep. We moeten mensen kunnen helpen om heel snel of zelfs platzak te draaien, of hun in elk geval die keuzevrijheid laten.

Wat de audiovisuele enveloppe betreft, vind ik de ateliers helemaal niet duur, en ze helpen mensen op weg! Het nut daarvan staat niet ter discussie en voor het overige is het een zaak van politieke keuzes. Wat voor audiovisuele productie willen we in dit land? Misschien heeft Franstalig België wel belang bij een prestigebeleid met elk jaar zeven of acht uitstekend geproduceerde lange speelfilms. Dan is de rest tijdverlies en moet je die middelen voor iets anders gebruiken. Maar ik vind dat we in dit land nooit of te nimmer op één enkel paard mogen wedden. De mensen die nu hoge ogen gooien in de fictiefilm zijn allemaal begonnen met experimenteel werk en documentaires, met gissen en missen. Cineasten moeten draaien, ze moeten dingen uitproberen en daartoe zijn de ateliers broodnodig. Denken dat je kunt volstaan met een professionele markt en door uitsluitend te exporteren naar Franstalige landen, dat is een totale vergissing.

In om het even welk domein van industrie of wetenschap worden miljoenen euro's geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling, en al dat geld leidt niet noodzakelijk tot een afgewerkt product. Je moet talent in goede banen leiden en de mensen laten experimenteren. In dat verband zijn de ateliers zeker zinvol. Onze budgetten worden nu al jaren niet meer geïndexeerd en we komen rond met een schijntje. Geef me een paar duizend euro meer en ik weet wat we ermee kunnen doen!

Deze publicatie kadert in de samenwerking tussen Filmmagie en het Brusselse, Franstalige Cinergie. Maandelijks wisselen deze twee filmkritische media een interview uit om te vertalen voor eigen publicatie. Andere interviews die kaderen binnen dit opzet zijn die met productiehuis Dérives, Claude François, productiehuis Cobra Films en atelier Camera Etc, dat zich specialiseert in kinderanimatieproducties.

Vertaling: Gorik de Henau

Geschreven door SYLVAIN GRESSIER

Interview: Pierre Duculot van Wallonie Image Production (WIP)

Media: 

onomatopee