Journal d'une femme de chambre

Na Paulette Goddard en Jeanne Moreau stapt nu ook Léa Seydoux in de laarsjes van Célestine, de beruchte kamermeid uit Octave Mirbeaus dagboekroman. Het dagboek van een kamermeisje is een sardonische Franse roman uit 1900, tegen het einde van de zaak Dreyfus, over die Joods-Franse officier die valselijk werd beschuldigd van spionage voor Duitsland. Polanski wil dit jaar nog beginnen met de verfilming van deze affaire die de Derde Republiek aan de rand van een burgeroorlog bracht. Het is in dat woelige politieke klimaat dat de Parijse Célestine wordt aangenomen als kamermeid bij de familie Lanlaire in Normandië.

Madame is een frigide poetsmaniak, monsieur een krolse pantoffelheld die moeilijk aan zijn nieuwe ‘flamme de chambre’ kan weerstaan. “Je mag gerust met die Célestine naar bed”, meent madame, “als ik maar weer niet hoef te betalen voor een abortus.” Maar Célestine is niet te koop: “Hoe gemeen schoeljes ook zijn, ze zijn nooit zo erg als fatsoenlijke mensen.” Gewapend met dat inzicht weet ze te overleven in een wereld van hypocrisie, vernederingen, saaiheid en bedrog. Het defilé van weirdo’s die Célestine op haar levensweg tegenkomt werd door De Nieuwe Gids in 1917 omschreven als een scatologisch museum, “een vreselijke verzameling van ontaarde maniakken, geperverteerde genieters, verblinde domkoppen, uitbuiters, prostituees, huichelaars, misdadigers en zieken.” Jean Renoir, Louis Buñuel en nu Benoît Jacquot hebben in hun filmadaptatie elk een eigen manier gevonden om niet verloren te lopen in dat museum.

Renoir en Buñuel hebben er vooral voor gezorgd de eenheid van plaats te bewaren en flashbacks te vermijden door Célestines ervaringen tijdens haar vroegere posten te kristalliseren in die ene familie Lanlaire: bij Renoir is dat de zoon, bij Buñuel de opa, die beiden niet in de roman voorkomen. Renoirs versie van 1946 mag dan wel mooi ogen, maar inhoudelijk verraadt deze Hollywoodvisie op de Franse burgerij Mirbeaus origineel. Zo wordt Célestine geïntroduceerd als een altruïstische, lieve dienstmeid die het opneemt voor de zwakke keukenmeid. Ze trouwt niet met de antisemitische (vermoedelijke) kindermoordenaar Joseph, maar met de van tbc-herstelde rijke zoon des huizes. Buñuels versie van 1964 daarentegen geeft een uiterst sombere kijk op de bourgeoisie.

Dat opa voetfetisjist is kan nog met wat schijnmoraal goedgepraat worden, ook al sterft hij met Célestines laarsjes in bed. Het groeiende fascisme en antisemitisme van de jaren 30 waarnaar Buñuel zijn verhaal transponeert, is de voorbode van de wereldwijde holocaust. De bourgeoisie absorbeert haar tegenstanders zoals de natuur het lichaam van het vermoorde meisje recycleert met slakken. Jeanne Moreau is een ambivalente, sfinxachtige Célestine die uiteindelijk zal worden opgeslorpt door de hogere klasse om zelf een saai en liefdeloos leven te leiden in een goed onderhouden herenhuis met een eigen … dienstmeid.  Ontdekken we bij Buñuel beetje bij beetje de ware aard van Célestine, in deze derde, hondstrouwe versie van vrouwenregisseur Benoît Les adieux à la reine Jacquot maakt Léa Seydoux vanaf het begin duidelijk dat ze het klappen van de zweep door en door kent.

Door Seydoux’ constante commentaar op de anderen kennen we ook haar gedachten en intenties. In ieder geval is ze een moeilijk te duiden feministe avant-la-lettre die in allerlei situaties, letterlijk beschreven in de roman, uiterst bizar reageert: haar amour fou-reactie op de stervende tbc-patiënt wiens speeksel en bloed zij opslurpt, haar wulpse reactie na de dildo-ontdekking bij de Belgische douane, haar sadistische uitdaging van de omnivore buurman om zijn tamme fret op te eten en, last but not least, het abrupte einde waar zij beslist de knecht Joseph te volgen … tot in het misdadige!

Geschreven door KAREL DEBURCHGRAVE

Journal d'une femme de chambre

01/04/2015
Regisseur: 
Genre: 
Productiejaar: 
2015
Distributeur: 
Cinéart

Media: 

onomatopee