The Man Who Killed Don Quixote

Na een sisyfusarbeid van twintig jaar heeft Terry Gilliam een ook door Orson Welles gekoesterd Don Quichoteproject eindelijk afgerond. THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE, een film die Keith Fulton en Louis Pepe inspireerde tot twee documentaires (‘Lost in La Mancha’ en ‘He Dreams of Giants’), weerspiegelt deze lange tocht en is vooral een ode aan de verbeelding.

Risico’s nemen en tegen de stroom ingaan, Terry Gilliam heeft nooit anders gedaan. De regisseur van Brazil, The Adventures of Baron Munchausen, The Fisher King, Twelve Monkeys en The Imaginarium of Doctor Parnassus begon dan ook lichtjes te briesen toen IndieWire hem vroeg of zijn nieuwe film THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE wel paste in een Hollywood gedomineerd door superheldenfilms: “Ik haat superhelden. Dat is onzin. Komaan, wordt volwassen! We blijven niet ons hele leven teenagers.” Vervolgens zette hij zijn tirade op een ernstige toon voort: “Het is fantastisch om te dromen van grote macht, bij superhelden draait alles om macht. Dat is waar ik niet van hou bij superhelden. Hun enige doel is andere machtige superhelden te verslaan. Komaan, een beetje vrede, liefde en begrip is wat we nodig hebben.” En Gilliam voegde er nog aan toe dat “Marvel-films spanning missen”.

Deze uitval komt niet uit het niets. Gilliam heeft het al een carrière lang moeilijk met mainstreamcinema en zijn relatie met Hollywood is er een van liefde en haat. Overhellend naar haat. Charles Roven, producent van Gilliams opdrachtfilm Twelve Monkeys, legde in 1995 de vinger op de wonde in een making-of: “Hoewel Terry geen deel van Hollywood wil uitmaken, beseft hij dat hij nooit het geld zal vinden voor zijn immens ambitieuze films zonder op een of andere wijze het studiosysteem erbij te betrekken. Dat is de paradox van Terry Gilliam!”

Aan de ene kant kende Gilliam grote problemen met Brazil en The Adventures of Baron Munchausen, aan de andere kant bezorgde Hollywood hem de budgetten en creatieve controle die nodig waren voor The Fisher King en Fear and Loathing in Las Vegas. Faalangst en een underdoggevoel versterken die paradox nog.

Zo toonde Gilliam zich naar aanleiding van Twelve Monkeys “ontgoocheld dat ik geen vorm kan geven aan wat leeft in mijn verbeelding”, al wou hij vechten voor “een film waar buiten ons (de makers, nvdr) niemand van houdt”. Producent Charles Roven vat het krachtig samen: “Terry needs ‘angst’ to fuel his motor.” Dat benadrukt ook Gilliam in Lost in La Mancha, de documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe: “Als het gemakkelijk is, doe ik het niet, zonder strijd weet ik niet hoe ik de dingen moet benaderen.” Wanneer het gevecht wel érg ongelijk blijkt en de opnames worden geschorst, laat de cineast zich ontvallen: “Ik ben niet zeker dat ik de film nog wel wil afwerken, ik heb hem in mijn geest al gemaakt.” De verslagenheid die we in Lost in La Mancha zien bij de regisseur wanneer de productie van zijn Don Quichotefilm definitief wordt stilgelegd, wijst erop dat hij wat graag zijn droomproject had willen afmaken. Fulton en Pepe laten in 2000 heel empathisch reuzen opdraven met een ‘coming soon’-bord. Binnenkort werd iets later, het zou immers tot 2018 duren voor THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE het licht zag. Opnieuw niet zonder problemen, zelfs de première in Cannes werd overschaduwd door Gilliams strubbelingen met producent Paulo Branco.

Parallelle queeste

Gilliams aanslepende gevecht om zijn Cervantesadaptatie gedraaid te krijgen heeft iets romantisch (het is echt een ‘passieproject’) en oogt zelf als een strijd tegen windmolens. Het voormalig Monty Pythonlid ziet zichzelf graag als een Don Quixotefiguur en zijn strijd als een idealistische queeste, een gevecht met de windmolens van geld en kritiek, commercie en cynisme. Heel passend heeft Gilliam van THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE een metareflectieve hervertelling gemaakt van Cervantes’ voor het eerst in 1605 verschenen beroemde verhalen. Niet toevallig drenkt hij zijn werk in pathos. “Het is nietzscheaans filmmaken: dat wat je niet doodt, maakt je sterker”, klonk het tijdens een persconferentie in Karlovy Vary.

Reclamemaker Toby (Adam Driver) wordt tijdens opnamen voor een wodkacampagne in Spanje wakker geschud door een oud Don Quichotefilmproject. Wanneer hij op zoek gaat naar de filmmaker in zichzelf, komt hij terecht in parallelle werelden. In het verhaal over de zoekende filmer Toby verwerkt Gilliam zijn eigen strubbelingen van de afgelopen vijfentwintig jaar. Hij doet dat met een knipoog en een tikkeltje narcistisch, maar het is tegelijk een imitatie van de manier waarop Cervantes reflecteerde op het vertellen van verhalen.

Dat resulteert in een boeiende bespiegeling over filmmaken en de werking van verbeelding. Een reflectie ook over hoe kunst het leven vormgeeft. “We become what we hold onto”, zegt een personage. Het hadden de woorden van Gilliam kunnen zijn. “Het is een film geworden over film,” liet de regisseur zich in Karlovy Vary ontvallen, “niet zomaar de verfilming van een roman. Onze Don Quichote reist niet terug in de tijd om Don Quichote te worden. Hij voelt zich Don Quichote omdat hij die rol ooit in een film gespeeld heeft.”

Vrije verbeelding

De larger than life-figuren, nadrukkelijke symboliek, absurde humor, surrealistische droomstructuur (met een verstrengeling van heden en verleden) en zijn door (droom)beelden gedreven magische verhaal maken THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE ook vintage Gilliam. Het is een overenthousiaste ode aan de verbeelding én een bespiegeling over de rol en het karakter van de kunstenaar. “Een kunstenaar moet wreed zijn”, krijgt Toby te horen. “Ben jij wreed?”

Dit soort cinema, films waarin de middelpuntvliedende krachten overheersen en de zingeving allerminst mainstream is, wordt zelden goed onthaald. Toch niet op het moment zelf. Brazil geldt nu als een meesterwerk, maar werd bij zijn release uitgespuwd. Net als het aanvankelijk op onbegrip stuitende Twelve Monkeys. Volgens Gilliam werken zijn films beter bij mensen “die op een zekere manier het leven benaderen en naar de wereld kijken. Zij volgen mijn trip tot het einde.”

In IndieWire denkt hij aan bepaalde ‘groepen’: “Mensen met een goede visuele verbeelding, muzikanten en creatieve mensen houden van wat ik doe. Ook kinderen, en zeker bij deze film, zijn steevast mee.” Logisch, want zoals de auteur Lawrence Durrell aan zijn collega Henry Miller schreef: “Kinderen zijn niet meer dan volwassenen met open ogen.” Kunstenaars en filmmakers zoals Terry Gilliam trachten het kinderlijke te behouden en een dam op te werpen tegen het passieloze, het serieuze.

Voor de volwassen mens is de kindertijd potentieel bedreigend. Op de meest onverwachte momenten kan die zijn gesloten ogen parten spelen. De kindertijd staat immers voor verleidelijke onverantwoordelijkheid en onbegrensd plezier. “Hang het kind niet uit” is een waarschuwing van producenten en critici die Terry Gilliam graag in de wind slaat. Hij heeft met Brazil, Twelve Monkeys en The Imaginarium of Doctor Parnassus betere films gemaakt, maar THE MAN WHO KILLED DON QUIXOTE is zíjn meesterwerk. Een filmgeworden brok passie.

FILM: **** / geen extra’s

Beeld: setbeeld 'The Man Who Killed Don Quixote'

Themastukken en meer besprekingen over Huisbios (dvd, VoD, blu-ray) vind je in het tijdschrift Filmmagie.

Geschreven door IVO DE KOCK

The Man Who Killed Don Quixote

Regisseur: 
Muziek: 
Productiejaar: 
2018
Distributeur: 
The Searchers

Media: