Peter Vaughan (1923-2016)

Met zijn smalle vooruitstekende kin, diepe kleine ogen en invallende mondhoeken zag de Britse Peter Vaughan (1923-2016) er gemeen, geniepig en schurkachtig uit. Once a villain luidde dan ook de titel van zijn autobiografie. Daarin verwees hij met ironie naar de talrijke gluiperds die hij in zijn 75-jarige carrière speelde. Straatboeven, maar ook wethouders, politie-inspecteurs en militairen met een uitgesproken malafide kant.

Cineast Sam Peckinpah tekende met Straw Dogs (1971) het portret ten top van Vaughan als de drankzuchtige vader van het gewurgde tienermeisje, die fysiek geweld als een normaliteit beschouwde. Met zijn hoofd diep en een tikkeltje schuin gedoken tussen de hoge, zware schouders slaagde Vaughan erin om een nevenpersonage onvergetelijk te typeren. Hij stond voor Britse kwaliteit in ruwe, gespierde politie- of gangsterfilms, type Face (1997). Er sprak dreiging uit zijn verschijning als politie-inspecteur in John Hustons spionagefilm The MacKintosh Man (1973). Zijn grove gelaatsrekken weerspiegelden ook perfect het venijnige, hysterische klimaat van beschuldigingen en tegenbeschuldigingen uit het hekserijdrama The Crucible (1996).

Als karakteracteur typeerde Vaughan vakkundig verschillende sociale types uit de Britse samenleving. Hij kon tegelijkertijd cockney gemeen, menselijk bezorgd of adellijk decadent zijn. Als oorlogsveteraan uit Zulu Dawn (1979) ontfermde hij zich moreel over een blanke hoornblazer, maar bekeek hij de zwarte strijdkrachten als dieren. In The French Lieutenant’s Woman (1981) wilde hij als rijke 19de-eeuwse textielhandelaar geniepig de sociale status van de oude adellijke klasse evenaren. Tegen de zin van de Victoriaanse Geographical Society financierde hij in Mountains of the Moon (1990) als de excentrieke Lord Houghton de controversiële Nijlexpeditie van ontdekkingsreiziger Richard Burton.

Always see the ludicrous side of things”, luidde het motto van zijn vader, een bankdirecteur van Oostenrijkse komaf. Vaughan (pseudoniem voor Peter Ohm) volgde papa’s raad en koos in zijn carrière ook voor satire. Ten tijde van Swinging London brak hij op de planken van West End door met zijn vertolking in Entertaining Mr Sloane, Joe Ortons satire op de sociale en seksuele hypocrisie van de Britse samenleving. Ook in het oeuvre van Ken Russell zocht Vaughan de mix van satire en explosiviteit op met rollen in Savage Messiah (1972) en Valentino (1977). Het liefst werkte hij op dat vlak samen met Terry Gilliam. Zowel in Time Bandits (1981), Brazil (1985) als het onvoltooide The Man Who Killed Don Quixote toonde hij zijn goede neus voor de absurde, vrolijke gekte van Monty Python. Een gezonde dosis humor en slapstick tekende ook zijn optreden als lokale godfather Grouty in de gevangenissitcom Porridge (1975-77), een BBC-classic uit de glorieuze feuilletonjaren 70.

Met de jaren versterkte Peter Vaughan in zijn spel ook de humane gevoelswaarde van zijn personages. Zo bleef hij ook na zijn 65ste topprestaties afleveren als reddende bisschop uit Bille Augusts versie van Les misérables (1998), als de vader van de getormenteerde Peter Sellers in de eigenzinnige biopic The Life and Death of Peter Sellers (2004), of als de mijmerende muziekhandelaar in de heerlijk nostalgische, bijna sprookjesachtige slotscène van The Legend of 1900 (1998). Met zijn laatste rol van blinde nachtwachter Mestre Aemon in Game of Thrones (2011-‘15) schonk hij de fantasyserie de dimensie van een Griekse tragedie. Maar zijn huzarenstukje bleef zijn vertolking van de gewezen butler, die met zijn loopneus en haperende motoriek de dienst verstoort in James Ivory’s The Remains of the Day (1993). Met deze fijne studie van dienstbaarheid en emotionaliteit bewees Peter Vaughan hoe je ook met een nevenrol het thema van een film kan uitdrukken.

Beeld: Peter Vaughan als Mestre Aemon in Game of Thrones

Geschreven door DIRK MICHIELS

Peter Vaughan (1923-2016)

Media: 

onomatopee